Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-10-30
ECLI:NL:RBROT:2025:13496
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,142 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
tussentijdse beëindiging
insolventienummer: [nummer]
uitspraakdatum: 30 oktober 2025
Bij vonnis van deze rechtbank van 9 oktober 2024 is de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van:
[schuldenaar]
,
[adres]
[postcode] [woonplaats],
schuldenaar,
bewindvoerder: P.H.L. Adam.
Procesverloop
De bewindvoerder heeft de rechter-commissaris verzocht de schuldsaneringsregeling voor tussentijdse beëindiging voor te dragen. De rechter-commissaris heeft op 2 september 2025 met dit verzoek ingestemd.
De bewindvoerder en de beschermingsbewindvoerder, mevrouw C.M. Doornweerd, zijn verschenen en gehoord ter terechtzitting van 16 oktober 2025.
Hoewel correct opgeroepen is schuldenaar niet verschenen.
De uitspraak is bepaald op heden.
Beoordeling
De schuldsaneringsregeling biedt een schuldenaar in een problematische schuldensituatie de mogelijkheid om na achttien maanden een schone lei te verkrijgen. Dit betekent in de voorliggende regeling dat een schuldenlast van in totaal € 62.692,-- niet langer opeisbaar is. Tegenover dit perspectief staat een aantal niet lichtvaardig op te vatten verplichtingen. Zo dient de schuldenaar gedurende de toepassing van de regeling onder meer de bewindvoerder gevraagd en ongevraagd te informeren, zijn inkomen boven het vrij te laten bedrag af te dragen aan de boedelrekening en zich aantoonbaar tot het uiterste in te spannen om een fulltime dienstbetrekking te verkrijgen. Hiernaast mogen tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling geen bovenmatige nieuwe schulden ontstaan. Van de schuldenaar wordt een actieve houding verwacht bij het naleven van voornoemde verplichtingen. De rechtbank oordeelt dat schuldenaar toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de verplichtingen en overweegt daartoe als volgt.
Schuldenaar is door de rechter-commissaris ontheven van zijn inspanningsverplichting tot 17 oktober 2025 onder de voorwaarde dat hij zich houdt aan de afspraken die zijn gemaakt met de gemeente Rotterdam met betrekking tot zijn re-integratie op de arbeidsmarkt.
Vanaf april 2025 voldoet schuldenaar niet aan deze verplichting nu hij sindsdien in detentie verblijft. Tijdens de schuldsaneringsregeling heeft schuldenaar een overval gepleegd op een kledingwinkel in Rotterdam. Hij is door de rechtbank Rotterdam veroordeeld tot
24 maanden detentie, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Dit betekent dat schuldenaar tijdens de resterende duur van de schuldsaneringsregeling in detentie zal verblijven en dat hij niet aan de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen, waaronder de inspanningsverplichting, kan voldoen.
De beschermingsbewindvoerder heeft ter zitting onder meer verklaard dat zij geen contact meer met schuldenaar heeft gehad sinds hij in detentie verblijft.
Dat bovengenoemde tekortkomingen schuldenaar niet te verwijten zijn, is niet aannemelijk geworden.
De toepassing van de schuldsaneringsregeling zal daarom worden beëindigd op grond van artikel 350, derde lid, onder c, Faillissementswet.
De rechtbank zal het salaris van de bewindvoerder en de door deze gemaakte kosten vaststellen.
De rechtbank stelt vast dat er geen baten beschikbaar zijn om daaruit vorderingen geheel of gedeeltelijk te voldoen. Er is daarom geen sprake van een faillissement van rechtswege zodra deze uitspraak in kracht van gewijsde gaat.
Dictum
De rechtbank:
- beëindigt de toepassing van de schuldsaneringsregeling;
- stelt het salaris van de bewindvoerder, één en ander inclusief onkosten en omzetbelasting, vast op het aanwezig actief tot een bedrag van maximaal € 3.510,47.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.T.P. Pot, rechter, en in aanwezigheid van A. Vervoorn, griffier, in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2025.
Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.