Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-11-14
ECLI:NL:RBROT:2025:13064
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,026 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/3990
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 november 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. F. Folkers),
en
[verweerder] , verweerder
(gemachtigde: mr. S. de Groot).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over een aan eiser door verweerder opgelegde korting op zijn bijstandsuitkering van 100% gedurende één maand met ingang van 1 november 2024 (maatregel). Deze maatregel is opgelegd omdat eiser, volgens verweerder, niet heeft meegewerkt aan een hem toegewezen, passende voorziening tot arbeidsinschakeling (arbeidsvoorziening) op grond van de Participatiewet (Pw). Eiser is het met de maatregel niet eens. In deze uitspraak komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder de maatregel op goede gronden heeft opgelegd.
Procesverloop
2. Met het besluit van 29 oktober 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser een maatregel opgelegd in de vorm van een korting van 100% op de bijstandsuitkering per 1 november 2024 voor de duur van één maand. Met het besluit van 30 april 2025 op het bezwaar van eiser heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en de opgelegde maatregel in stand gelaten (het bestreden besluit).
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 29 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.
Beoordeling
3. Verweerder heeft de maatregel opgelegd omdat, volgens verweerder, eiser twee proefplaatsingen bij bedrijven in licht productiewerk verwijtbaar heeft geweigerd. Verweerder heeft deze proefplaatsingen bij wijze van arbeidsvoorziening aan eiser toegewezen.
4. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat de proefplaatsingen niet passend waren en dat sprake was van omstandigheden die maakten dat hem niet kan worden verweten dat hij van de door verweerder aangeboden arbeidsvoorziening geen gebruik heeft gemaakt. Nu eiser geen verwijt treft, had geen maatregel opgelegd mogen worden. Voor zover eiser al een verwijt kan worden gemaakt, had verweerder niet zonder waarschuwing tot een maatregel mogen besluiten. Verweerder had eiser er eerst op moeten wijzen dat weigering een dergelijke maatregel tot gevolg zou hebben, zodat eiser een betere afweging had kunnen maken.
5. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden van eiser of verweerder op goede gronden tot het opleggen van de maatregel is gekomen. De rechtbank komt tot het oordeel dat de beroepsgronden niet slagen.
Verplichte deelname aan een arbeidsvoorziening en verplichte oplegging van een maatregel
6. Uit het toepasselijke wettelijke kader volgt dwingend dat bij het verwijtbaar niet accepteren van een aangeboden arbeidsvoorziening door een bijstandsgerechtigde, verweerder die bijstandsgerechtigde een maatregel oplegt van een korting van 100% op de uitkering gedurende één maand.
6.1.
Eiser is op grond van de Pw verplicht om gebruik te maken van een door verweerder aangeboden arbeidsvoorziening.
6.2.
In de Pw staat verder dat als de bijstandsontvanger de plicht om gebruik te maken van de aangeboden arbeidsvoorziening niet nakomt, de bijstandverlenende instantie een maatregel oplegt volgens de daarvoor opgestelde gemeentelijke verordening. In de Pw is in dat verband specifiek een aantal gedragingen benoemd waarvoor een in de wet op uniforme wijze geregelde maatregel wordt opgelegd (geüniformeerde verplichting). Dit betreft onder meer het niet-gebruikmaken van een aangeboden arbeidsvoorziening. Valt de betrokkene daarvan een verwijt te maken, dan moet volgens de Pw de bijstandverlenende instantie de betrokkene een maatregel opleggen van een korting van 100% op de bijstandsuitkering voor minimaal één maand en maximaal drie maanden, nader uit te werken in de gemeentelijke verordening. Voor de gemeente Gorinchem is dat gebeurd in de Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2004 Avres (de Verordening). In de Verordening staat dat verweerder bij een verwijtbare overtreding van een geüniformeerde verplichting (waaronder dus het niet gebruik maken van een aangeboden arbeidsvoorziening) een maatregel van een korting van 100% op de bijstandsuitkering oplegt voor de duur van één maand.
6.3.
Uit het voorgaande volgt dat verweerder bij een verwijtbaar niet-deelnemen door eiser aan een aangeboden arbeidsvoorziening een maatregel moet opleggen van een korting van 100% op de bijstandsuitkering van eiser gedurende één maand. Dit is dus alleen anders als er zou komen vast te staan dat eiser geen verwijt van de weigering kan worden gemaakt. In de systematiek van de Pw ligt besloten dat de bijstandsontvanger behoort te weten dat aan het ontvangen van bijstand de verplichting is verbonden om er alles aan te doen om uit de bijstand te komen en dus mee te werken aan een arbeidsvoorziening die doorstroming naar betaald werk bevordert. Buiten het geval dat de betrokkene geen enkel verwijt kan worden gemaakt is een waarschuwing bij weigering van een arbeidsvoorziening dan ook volgens de wet geen optie.
Passendheid van de aangeboden voorziening
7. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten voor het oordeel dat eiser van de weigering geen verwijt kan worden gemaakt omdat de bij wijze van arbeidsvoorziening aan eiser aangeboden proefplaatsingen in licht productiewerk voor hem niet passend waren.
7.1.
De rechtbank stelt voorop dat het aan de bijstandverlenende instantie is om te bepalen welke arbeidsvoorziening nodig is voor de betrokkene. Daarbij moet de bijstandverlenende instantie maatwerk leveren. De voorziening moet het resultaat zijn van een zorgvuldige, op de persoon toegesneden afweging. Daarnaast moet de inhoud en het waarom van de voorziening met de betrokkene worden besproken.
7.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hier het vereiste maatwerk geleverd. Uit de twee rapportages van 7 en 29 oktober 2024 van verweerder over de toewijzing van een arbeidsvoorziening aan eiser blijkt dat verweerder eerst de functionele capaciteit van eiser heeft laten vaststellen door een keuringsarts van ERGO-KIT. De keuringsarts heeft vastgesteld dat eiser kan werken, maar kampt met rugklachten, zodat bij werkzaamheden rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid om voldoende pauzes te kunnen nemen en om regelmatig van werkhouding te kunnen wisselen. Omdat eiser heeft aangegeven niet aan het werk te willen zonder uitzicht op een betaalde baan, heeft verweerder voor hem een uitzondering gemaakt door hem niet eerst te plaatsen in een werkervaringsplaats maar hem direct aangemeld bij Jobfinding, waarbij bijstandsgerechtigden direct worden geplaatst in een proefplaatsing bij bedrijven met aansluitend zicht op betaald werk. In dat verband heeft verweerder met eiser op 5 juli 2025 besproken dat rekening houdend met zijn beperkingen licht productiewerk en chauffeurswerk bij hem zou passen. Eiser heeft aangegeven dat chauffeurswerk zijn voorkeur heeft, omdat hij dat op dat moment ook al vrijwilligerswerk deed. Op 9 september 2024 heeft eiser een dag meegekeken bij een taxichauffeur in het gehandicaptenvervoer. Nadat eiser verweerder had teruggekoppeld niet in dit werk te willen worden geplaatst, ook niet als het vervoer van ouderen betrof, heeft verweerder op 3 oktober 2024 hierover met eiser een nader gesprek gehad. Eiser heeft aangegeven dat vanwege stressmomenten dit werk niet bij hem past. Verweerder heeft zich in reactie hierop op het standpunt gesteld dat het niet zo kan zijn dat eiser na één keer meelopen concludeert dat chauffeurswerk niets voor hem is terwijl verweerder juist vanwege de aangegeven voorkeur voor dit werk voor eiser een potentiële werkgever heeft gezocht. Blijkens het verslag van het gesprek heeft verweerder eiser er in dat verband uitdrukkelijk op gewezen dat hij zodoende verwijtbaar heeft gehandeld. Zoals verweerder heeft toegelicht is eiser niettemin het voordeel van de twijfel gegeven omdat op korte termijn een kennismakingsgesprek kon worden geregeld bij twee bedrijven met licht productiewerk. Na een proefperiode van twee maanden zou eiser een regulier contract worden aangeboden. Eiser heeft hierop positief gereageerd. Uit de rapportages volgt dat de accountmanager vooraf de beperkingen van eiser zoals laatstelijk vastgesteld door de keuringsarts van ERGO-KIT, met de werkgevers van het productiewerk heeft besproken en dat twee van deze werkgevers conform het advies van de arts hebben toegezegd dat eiser in het uit te voeren werk de benodigde pauzes kon nemen en wisseling van werkhouding mogelijk was. Hierna is op 10 oktober 2024 voor eiser een kennismakingsgesprek geregeld met deze twee bedrijven.
8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser de op 10 oktober 2024 aangeboden proefplaatsingen in licht productiewerk vervolgens op 11 oktober 2024 zonder deugdelijke reden geweigerd.
8.1.
Eiser heeft verweerder op 11 oktober 2024 laten weten dat hij de twee proefplaatsingen in het lichte productiewerk niet wilde doen. Verweerder heeft eiser hierover op 22 oktober 2024 nader gesproken. Eiser heeft bij dat gesprek als redenen voor de weigering gegeven dat bij het ene bedrijf een sterke verflucht hangt en dat het werk bij het andere bedrijf saai is en dat hij niet op een leeftijd van 50 jaar dozen wil vouwen.
Conclusie
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de opgelegde maatregel in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Ook krijgt hij geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A. Hage, rechter, in aanwezigheid van mr.M. Lammerse, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dit staat in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de Pw.
Dit staat in artikel 18, tweede lid, van de Pw.
Artikel 18, vierde lid, van de Pw.
Zie artikel 18, vierde lid, sub h, van de Pw.
Zie artikel 18, vijfde lid en negende lid, van de Pw
In artikel 10 van de Verordening staat dat als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Pw niet of onvoldoende nakomt, de verlaging 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand bedraagt.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 4 juli 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1343.