Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-10-07
ECLI:NL:RBROT:2025:12986
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
7,334 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team jeugd
Parketnummer: 10-085292-24
Datum uitspraak: 7 oktober 2025
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2007,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres] , [postcode] te [plaats] ,
raadsman mr. S.A. Chedie, advocaat te Rotterdam.
1Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 7 oktober 2025.
2Tenlastelegging
Kort gezegd staat de verdachte terecht op de verdenking dat hij en zijn medeverdachte een vuurwerkbom bij zich hadden, net als andere goederen om een explosie en brand mee te veroorzaken. De precieze tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. H. du Croix heeft gevorderd:
bewezenverklaring van het ten laste gelegde;
veroordeling van de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 80 uren, met aftrek van voorarrest, waarvan 30 uren voorwaardelijk subsidiair 30 dagen vervangende jeugddetentie met een proeftijd van 2 jaren.
4Waardering van het bewijs
4.1.
Bewijswaardering
4.1.1.
Standpunt verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit, omdat geen sprake is van een (strafbare) voorbereidingshandeling.
4.1.2.
Beoordeling
Bij de beoordeling gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden. Op
10 maart 2024 heeft een melder twee jongens gevolgd nadat zij twee keer langs zijn woning liepen. Hij zag dat één van hen (naar later bleek de verdachte) een gele tas droeg. In deze gele tas werd een cobra aan een flesje met vloeistof aangetroffen en een briefje met daarop de tekst 'Deze snap voegen [code] je gaat je boete neerleggen anders gaan we gewoon verder'. Verder zat er in de gele tas een rode tas met daarin een baksteen. In de dagen voorafgaand aan het incident op 10 maart 2024 zijn er schoten gelost op de ramen van de woning van melder. De verdachte is samen met de medeverdachte aangehouden.
De verdachte heeft tegenover de politie en de rechter-commissaris verklaard dat hij de gele tas niet heeft vastgehouden. Later en op zitting heeft de verdachte verklaard dat hij de gele tas wel heeft gedragen, maar dat hij niet wist wat er in de tas zat. De rechtbank acht deze verklaring niet aannemelijk. Zowel op het dreigbriefje als op de rode tas, welke beiden in de gele tas zaten, zijn vingerafdrukken van de verdachte gevonden. De spullen in de gele tas, de cobra, de baksteen en het dreigbriefje zijn naar hun aard geschikt om een explosie te veroorzaken en/of brand te stichten en om een dreigement achter te laten voor het slachtoffer. Dat geldt ook als in de fles met vloeistof geen brandbare stof zat, zoals de raadsman als mogelijkheid heeft benoemd.
Al die tijd zijn de verdachten samen geweest. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank sprake van het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor het teweegbrengen van een ontploffing en/of stichten van een brand.
4.1.3.
Conclusie
De rechtbank is van oordeel dat het tenlastegelegde kan worden bewezen.
4.2.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
hij op of omstreeks 10 maart 2024 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten het opzettelijk teweeg brengen van een ontploffing en/of stichten van een brand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is (als omschreven in artikel 157 Wetboek van Strafrecht), opzettelijk
voorwerpen en/of stoffen en/of informatiedragers, te weten
- een mobiele telefoon (om te communiceren met zijn mededader(s), althans anderen, over voornoemd strafbare feit en/of aan/van zijn mededader(s), althans anderen, instructies te geven en/of te ontvangen over voornoemd strafbaar feit) en/of
- een baksteen, en/of
- een fles terpentine, en/of
- een (aan voornoemde fles vastgeplakte) Cobra
bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
5Strafbaarheid feit
Het bewezen feit levert op:
medeplegen van voorbereiding van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten is
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
Het feit is dus strafbaar.
6Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.
De verdachte is dus strafbaar.
Motivering
7.1.
Algemene overweging
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
7.2.
Feiten
De verdachte heeft zich op zestienjarige leeftijd samen met een ander schuldig gemaakt aan het voorbereiden van een ontploffing bij een woning in Rotterdam. De melder van dit incident heeft beide jongens gevolgd omdat hij vond dat de jongens zich verdacht gedroegen rondom zijn woning. In de dagen voor dit incident was zijn woning beschoten. Hij zag dat een van hen een gele tas bij zich droeg die er zwaar uit zag. De verdachten zijn aangehouden en in de buurt werd de gele tas gevonden, met daarin een Cobra aan een fles geplakt, een baksteen en een dreigbrief. Hiermee hadden zij een flinke ontploffing kunnen veroorzaken. Dergelijke explosies zijn tegenwoordig aan de orde van de dag en hebben kennelijk tot doel de slachtoffers te intimideren en te treffen in hun (gevoel van) veiligheid. Dergelijke strafbare feiten raken niet alleen de veiligheid van de direct betrokkenen, maar veroorzaken ook gevoelens van angst en onveiligheid bij omwonenden en in de samenleving.
7.3.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
7.3.1.
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van
9 september 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.
7.3.2.
Rapportages en verklaringen van deskundigen op de terechtzitting
De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) heeft een rapport 30 september 2025 over de verdachte opgemaakt. Hieruit volgt dat het niet mogelijk is geweest om een delictanalyse te maken, waarbij gericht kon worden gekeken naar eventuele denkfouten en de vaardigheden van de verdachte. Op basis van het ingevulde risicotaxatie instrument (Ritax) ziet de Raad een heel laag risico voor de kans op herhaling van strafbaar gedrag. Op alle onderwerpen ziet de Raad alleen of grotendeels beschermende factoren. Verdere begeleiding is daarom niet noodzakelijk. De Raad adviseert bij veroordeling voor het tenlastegelegde feit een deels voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf met een proeftijd van 1 jaar.
De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (hierna: te noemen JBRR) heeft op 18 september 2025 een rapport over de verdachte opgemaakt. Hierin wordt vermeld dat de verdachte al ruim een jaar wordt begeleid en dat er sprake is van een stabiele situatie waarbij de verdachte zich op normale wijze ontwikkelt. Er is geen sprake van enige problematiek op een van de levensgebieden. JBRR adviseert de verdachte schuldig te bevinden zonder straf als de verdachte alleen wordt veroordeeld voor het bezit van de spullen, indien het aandeel van de verdachte groter is geweest dan is het advies om een werkstraf op te leggen.
Op de zitting is als deskundige gehoord [jeugdreclasseerder] , jeugdreclasseerder bij JBRR. Zij krijgt de indruk dat de verdachte mogelijk is meegelopen ten tijde van dit incident en dat het er op lijkt dat hij dan toch niet adequaat genoeg handelt in bepaalde situaties. Met klem geeft zij aan dat hoe zij de verdachte kent, dit incident absoluut niet is te plaatsen. Het is een voorbeeldig gezin en verdere begeleiding is niet nodig.
7.4.
Conclusie
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Gezien de ernst van het feit zal de rechtbank een werkstraf van na te noemen duur opleggen. De rechtbank zal een deel van deze straf voorwaardelijk opleggen. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.
Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie geëiste straf passend en geboden zijn en zal zij dan ook die straf aan de verdachte opleggen, met dien verstande dat rechtbank een proeftijd van 1 jaar oplegt omdat de verdachte in de periode waarin hij is geschorst – inmiddels al anderhalf jaar – heeft laten zien dat hij de juiste keuzes kan maken.
8Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 46, 47, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 157 van het Wetboek van Strafrecht.
9Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
Dictum
De rechtbank:
verklaart bewezen dat de verdachte het laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
legt de verdachte een taakstraf op, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde werkstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 70 (zeventig) uren te verrichten werkstraf resteren;
bepaalt dat deze taakstraf een gedeelte van de taakstraf groot 30 (dertig) uren, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van hierna te melden voorwaarde;
stelt de proeftijd vast op 1 jaar onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde:
- zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;
beveelt dat, voor het geval de veroordeelde het onvoorwaardelijk deel van de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 20 dagen;
bepaalt dat de vervangende jeugddetentie ten uitvoer kan worden gelegd als vervangende hechtenis, indien de veroordeelde bij aanvang van de eventuele tenuitvoerlegging van de vervangende jeugddetentie de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; de voorlopige hechtenis is bij eerdere beslissing geschorst.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. N. Doorduijn, voorzitter, tevens kinderrechter,
en mrs. H. Wielhouwer en D.G.J. Roset, rechters,
in tegenwoordigheid van C.A. van den Houwen, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 7 oktober 2025.
De jongste rechter en griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging (zoals opgenomen in de dagvaarding)
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
hij op of omstreeks 10 maart 2024 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving
een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten het opzettelijk teweeg brengen van een ontploffing en/of stichten van een brand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is (als omschreven in artikel 157 Wetboek van Strafrecht), opzettelijk voorwerpen en/of stoffen en/of informatiedragers, te weten
- een mobiele telefoon (om te communiceren met zijn mededader(s), althans anderen, over voornoemd strafbare feit en/of aan/van zijn mededader(s), althans anderen, instructies te geven en/of te ontvangen over voornoemd strafbaar feit) en/of
- een baksteen, en/of
- een fles terpentine, en/of
- een (aan voornoemde fles vastgeplakte) Cobra bestemd tot het begaan van dat misdrijf,
heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team jeugd
Parketnummer: 10-085292-24
Datum uitspraak: 7 oktober 2025
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2007,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres] , [postcode] te [plaats] ,
raadsman mr. S.A. Chedie, advocaat te Rotterdam.
1Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 7 oktober 2025.
2Tenlastelegging
Kort gezegd staat de verdachte terecht op de verdenking dat hij en zijn medeverdachte een vuurwerkbom bij zich hadden, net als andere goederen om een explosie en brand mee te veroorzaken. De precieze tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. H. du Croix heeft gevorderd:
bewezenverklaring van het ten laste gelegde;
veroordeling van de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 80 uren, met aftrek van voorarrest, waarvan 30 uren voorwaardelijk subsidiair 30 dagen vervangende jeugddetentie met een proeftijd van 2 jaren.
4Waardering van het bewijs
4.1.
Bewijswaardering
4.1.1.
Standpunt verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit, omdat geen sprake is van een (strafbare) voorbereidingshandeling.
4.1.2.
Beoordeling
Bij de beoordeling gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden. Op
10 maart 2024 heeft een melder twee jongens gevolgd nadat zij twee keer langs zijn woning liepen. Hij zag dat één van hen (naar later bleek de verdachte) een gele tas droeg. In deze gele tas werd een cobra aan een flesje met vloeistof aangetroffen en een briefje met daarop de tekst 'Deze snap voegen [code] je gaat je boete neerleggen anders gaan we gewoon verder'. Verder zat er in de gele tas een rode tas met daarin een baksteen. In de dagen voorafgaand aan het incident op 10 maart 2024 zijn er schoten gelost op de ramen van de woning van melder. De verdachte is samen met de medeverdachte aangehouden.
De verdachte heeft tegenover de politie en de rechter-commissaris verklaard dat hij de gele tas niet heeft vastgehouden. Later en op zitting heeft de verdachte verklaard dat hij de gele tas wel heeft gedragen, maar dat hij niet wist wat er in de tas zat. De rechtbank acht deze verklaring niet aannemelijk. Zowel op het dreigbriefje als op de rode tas, welke beiden in de gele tas zaten, zijn vingerafdrukken van de verdachte gevonden. De spullen in de gele tas, de cobra, de baksteen en het dreigbriefje zijn naar hun aard geschikt om een explosie te veroorzaken en/of brand te stichten en om een dreigement achter te laten voor het slachtoffer. Dat geldt ook als in de fles met vloeistof geen brandbare stof zat, zoals de raadsman als mogelijkheid heeft benoemd.
Al die tijd zijn de verdachten samen geweest. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank sprake van het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor het teweegbrengen van een ontploffing en/of stichten van een brand.
4.1.3.
Conclusie
De rechtbank is van oordeel dat het tenlastegelegde kan worden bewezen.
4.2.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
hij op of omstreeks 10 maart 2024 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten het opzettelijk teweeg brengen van een ontploffing en/of stichten van een brand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is (als omschreven in artikel 157 Wetboek van Strafrecht), opzettelijk
voorwerpen en/of stoffen en/of informatiedragers, te weten
- een mobiele telefoon (om te communiceren met zijn mededader(s), althans anderen, over voornoemd strafbare feit en/of aan/van zijn mededader(s), althans anderen, instructies te geven en/of te ontvangen over voornoemd strafbaar feit) en/of
- een baksteen, en/of
- een fles terpentine, en/of
- een (aan voornoemde fles vastgeplakte) Cobra
bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
5Strafbaarheid feit
Het bewezen feit levert op:
medeplegen van voorbereiding van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten is
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
Het feit is dus strafbaar.
6Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.
De verdachte is dus strafbaar.
Motivering
7.1.
Algemene overweging
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
7.2.
Feiten
De verdachte heeft zich op zestienjarige leeftijd samen met een ander schuldig gemaakt aan het voorbereiden van een ontploffing bij een woning in Rotterdam. De melder van dit incident heeft beide jongens gevolgd omdat hij vond dat de jongens zich verdacht gedroegen rondom zijn woning. In de dagen voor dit incident was zijn woning beschoten. Hij zag dat een van hen een gele tas bij zich droeg die er zwaar uit zag. De verdachten zijn aangehouden en in de buurt werd de gele tas gevonden, met daarin een Cobra aan een fles geplakt, een baksteen en een dreigbrief. Hiermee hadden zij een flinke ontploffing kunnen veroorzaken. Dergelijke explosies zijn tegenwoordig aan de orde van de dag en hebben kennelijk tot doel de slachtoffers te intimideren en te treffen in hun (gevoel van) veiligheid. Dergelijke strafbare feiten raken niet alleen de veiligheid van de direct betrokkenen, maar veroorzaken ook gevoelens van angst en onveiligheid bij omwonenden en in de samenleving.
7.3.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
7.3.1.
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van
9 september 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.
7.3.2.
Rapportages en verklaringen van deskundigen op de terechtzitting
De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) heeft een rapport 30 september 2025 over de verdachte opgemaakt. Hieruit volgt dat het niet mogelijk is geweest om een delictanalyse te maken, waarbij gericht kon worden gekeken naar eventuele denkfouten en de vaardigheden van de verdachte. Op basis van het ingevulde risicotaxatie instrument (Ritax) ziet de Raad een heel laag risico voor de kans op herhaling van strafbaar gedrag. Op alle onderwerpen ziet de Raad alleen of grotendeels beschermende factoren. Verdere begeleiding is daarom niet noodzakelijk. De Raad adviseert bij veroordeling voor het tenlastegelegde feit een deels voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf met een proeftijd van 1 jaar.
De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (hierna: te noemen JBRR) heeft op 18 september 2025 een rapport over de verdachte opgemaakt. Hierin wordt vermeld dat de verdachte al ruim een jaar wordt begeleid en dat er sprake is van een stabiele situatie waarbij de verdachte zich op normale wijze ontwikkelt. Er is geen sprake van enige problematiek op een van de levensgebieden. JBRR adviseert de verdachte schuldig te bevinden zonder straf als de verdachte alleen wordt veroordeeld voor het bezit van de spullen, indien het aandeel van de verdachte groter is geweest dan is het advies om een werkstraf op te leggen.
Op de zitting is als deskundige gehoord [jeugdreclasseerder] , jeugdreclasseerder bij JBRR. Zij krijgt de indruk dat de verdachte mogelijk is meegelopen ten tijde van dit incident en dat het er op lijkt dat hij dan toch niet adequaat genoeg handelt in bepaalde situaties. Met klem geeft zij aan dat hoe zij de verdachte kent, dit incident absoluut niet is te plaatsen. Het is een voorbeeldig gezin en verdere begeleiding is niet nodig.
7.4.
Conclusie
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Gezien de ernst van het feit zal de rechtbank een werkstraf van na te noemen duur opleggen. De rechtbank zal een deel van deze straf voorwaardelijk opleggen. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.
Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie geëiste straf passend en geboden zijn en zal zij dan ook die straf aan de verdachte opleggen, met dien verstande dat rechtbank een proeftijd van 1 jaar oplegt omdat de verdachte in de periode waarin hij is geschorst – inmiddels al anderhalf jaar – heeft laten zien dat hij de juiste keuzes kan maken.
8Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 46, 47, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 157 van het Wetboek van Strafrecht.
9Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
Dictum
De rechtbank:
verklaart bewezen dat de verdachte het laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
legt de verdachte een taakstraf op, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde werkstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 70 (zeventig) uren te verrichten werkstraf resteren;
bepaalt dat deze taakstraf een gedeelte van de taakstraf groot 30 (dertig) uren, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van hierna te melden voorwaarde;
stelt de proeftijd vast op 1 jaar onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde:
- zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;
beveelt dat, voor het geval de veroordeelde het onvoorwaardelijk deel van de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 20 dagen;
bepaalt dat de vervangende jeugddetentie ten uitvoer kan worden gelegd als vervangende hechtenis, indien de veroordeelde bij aanvang van de eventuele tenuitvoerlegging van de vervangende jeugddetentie de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; de voorlopige hechtenis is bij eerdere beslissing geschorst.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. N. Doorduijn, voorzitter, tevens kinderrechter,
en mrs. H. Wielhouwer en D.G.J. Roset, rechters,
in tegenwoordigheid van C.A. van den Houwen, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 7 oktober 2025.
De jongste rechter en griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging (zoals opgenomen in de dagvaarding)
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
hij op of omstreeks 10 maart 2024 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving
een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten het opzettelijk teweeg brengen van een ontploffing en/of stichten van een brand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is (als omschreven in artikel 157 Wetboek van Strafrecht), opzettelijk voorwerpen en/of stoffen en/of informatiedragers, te weten
- een mobiele telefoon (om te communiceren met zijn mededader(s), althans anderen, over voornoemd strafbare feit en/of aan/van zijn mededader(s), althans anderen, instructies te geven en/of te ontvangen over voornoemd strafbaar feit) en/of
- een baksteen, en/of
- een fles terpentine, en/of
- een (aan voornoemde fles vastgeplakte) Cobra bestemd tot het begaan van dat misdrijf,
heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad