Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-01-30
ECLI:NL:RBROT:2025:1288
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
1,482 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team straf 2
Parketnummer: 10/750289-20 (ontneming)
Datum uitspraak: 30 januari 2025
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, naar aanleiding van de vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de officier van justitie in de zaak tegen
[veroordeelde] ,
geboren te [geboorteplaats] (voormalig [geboorteland] ) op [geboortedatum] 1991,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres] , [postcode] te [woonplaats] ,
gemachtigd raadsvrouw mr. Ö. Saki, advocaat in Rotterdam.
1Procedure
Na indiening van de vordering tot ontneming heeft de verdediging een conclusie van antwoord ingediend. De officier van justitie heeft vervolgens een conclusie van repliek ingediend.
Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2024.
2Voorafgaande veroordeling
Bij arrest van het Hof Den Haag van 11 juli 2024 is [veroordeelde] (hierna: de veroordeelde) veroordeeld voor:
(1) deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vijfde lid, en artikel 10a, eerste lid, van de Opiumwet;
(2) medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod;
(3) medeplegen van een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, het zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen en vervoermiddelen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
(4) witwassen.
Dit arrest is onherroepelijk.
3Vordering
Op de zitting heeft de officier van justitie, mr. M. Luijpen, de rechtbank bericht dat het Openbaar Ministerie en de verdediging, in de afrondende fase zijn van het sluiten van
een schikking ex artikel 511c Wetboek van Strafvordering.
Op 11 december 2024 is de schikkingsovereenkomst tussen het Openbaar Ministerie en de veroordeelde getroffen, waarbinnen het wederrechtelijk verkregen voordeel is vastgesteld op een bedrag van € 25.000,-.
De vordering van de officier van justitie mr. M. Luijpen, zoals deze na wijziging binnen de getroffen schikkingsovereenkomst is komen te luiden, strekt tot:
- het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) op een bedrag van € 25.000,-;
- het opleggen aan de veroordeelde van de verplichting tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel.
De vordering is gebaseerd op artikel 36e, tweede lid, Sr. Volgens de officier van justitie is sprake van voordeel verkregen door middel van of uit de baten van de strafbare feiten waarvoor de veroordeelde is veroordeeld.
4Standpunt verdediging
De verdediging heeft de hoogte van de ontnemingsvordering niet betwist.
Beoordeling
In het arrest van 11 juli 2024 in de strafzaak is vastgesteld dat de strafbare feiten door de veroordeelde zijn begaan.
Uit het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel (hierna: het ontnemings-rapport) blijkt dat door middel van deze feiten de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
De berekening van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat is gebaseerd op de berekening in het ontnemingsrapport en de door het Openbaar Ministerie binnen de schikkingsovereenkomst overgelegde herberekening.
Deze berekeningen zijn voldoende door middel van wettige en nauwkeurig aangeduide bewijsmiddelen onderbouwd.
Het gevorderde herziene bedrag van € 25.000,-, dat door de verdediging niet is weersproken, komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. Dit bedrag kan worden aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel.
Gezien het voorgaande wordt het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 25.000,-.
6Vaststelling van de betalingsverplichting
Uitgangspunt is dat de betalingsverplichting wordt vastgesteld op het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel. Er is in deze zaak geen reden om daarvan af te wijken.
Dat betekent dat het door de veroordeelde aan de Staat terug te betalen bedrag op
€ 25.000,- wordt gesteld.
7Gijzeling
Gelet op hetgeen het Openbaar Ministerie en de veroordeelde binnen de vaststellings-overeenkomst van 11 december 2024 zijn overeengekomen, zal de rechtbank niet bepalen dat gijzeling plaatsvindt wanneer het genoemde bedrag niet wordt betaald.
8Toepasselijke wettelijke voorschriften
Deze beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
De rechtbank:
stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op € 25.000,- (zegge: vijfentwintigduizend euro);
legt aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat van € 25.000,- (zegge: vijfentwintigduizend euro).
Dit vonnis is gewezen door:
mr. E.M. Havik, voorzitter,
en mrs. P.C. Tuinenbrug en S. Zuidwijk, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H.C. Fraaij, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 30 januari 2025.
De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.