Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-10-29
ECLI:NL:RBROT:2025:12866
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
1,286 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team straf 3
Parketnummer: 02/078580-22 (ontneming)
Datum uitspraak: 29 oktober 2025
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, naar aanleiding van de vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de officier van justitie in de zaak, tegen
[veroordeelde] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres] ,
raadsman mr. L. de Leon, advocaat in Utrecht.
1Procedure
Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2025, gelijktijdig met het onderzoek op de zitting in de strafzaak.
2Voorafgaande veroordeling
Bij vonnis van deze rechtbank van 29 oktober 2025 (hierna: het vonnis in de strafzaak) is [veroordeelde] (hierna: de veroordeelde) veroordeeld voor onder meer het medeplegen van gewoontewitwassen, meermalen gepleegd in de periode van 1 januari 2020 tot en met 6 maart 2021. Dit vonnis is niet onherroepelijk.
3Vordering
De vordering van de officier van justitie mr. J.F.M. Kerkhofs strekt tot:
- het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) op een bedrag van € 334.000,-;
- het opleggen aan de veroordeelde van de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag van € 200.000,- ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel.
De vordering is gebaseerd op artikel 36e, tweede lid, Sr. Volgens de officier van justitie is sprake van voordeel verkregen door middel van of uit de baten van het strafbare feit waarvoor de veroordeelde is veroordeeld.
4Standpunt verdediging
De verdediging heeft de hoogte van de ontnemingsvordering niet betwist.
Beoordeling
In het vonnis in de strafzaak is vastgesteld dat de strafbare feiten door de veroordeelde zijn begaan.
Uit het aanvullend proces-verbaal berekening wederrechtelijk verkregen voordeel (hierna: het ontnemingsproces-verbaal) blijkt dat de veroordeelde door middel van dit feit wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
De berekening van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat, is gebaseerd op de berekening in het ontnemingsproces-verbaal. Deze berekeningen zijn door middel van wettige en nauwkeurig aangeduide bewijsmiddelen voldoende onderbouwd. Daarnaast komt het gevorderde bedrag van € 334.000,-, dat door de verdediging niet is betwist, de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor.
Gezien het voorgaande wordt het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 334.000,-.
6Vaststelling van de betalingsverplichting
Inleiding
Uitgangspunt is dat de betalingsverplichting wordt vastgesteld op het bedrag van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel. In deze zaak geldt echter het volgende. Bij de veroordeelde zijn een aantal geldbedragen en goederen in beslag genomen. Met het Openbaar Ministerie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat in verband met het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel deze geldbedragen en de waarde van de onder de veroordeelde inbeslaggenomen voorwerpen in mindering worden gebracht op de betalingsverplichting. Gelet hierop wordt de betalingsverplichting voor het ontnemen van het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 200.000,-
Conclusie
De slotsom is dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd om een bedrag van € 200.000,- aan de staat te betalen ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
10Toepasselijke wettelijke voorschriften
Deze beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
De rechtbank:
stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt
geschat, vast op € 334.000,- (zegge: driehonderdvierendertigduizend euro);
legt aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat van op € 200.000,- (zegge:
tweehonderdduizend euro) ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel;
bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 Sv ten hoogste kan worden gevorderd op 480 dagen (zegge: vierhonderdtachtig) dagen.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A.M.H. Geerars, voorzitter,
en mrs. J. van de Klashorst en L. den Teuling, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.D. van der Veeke, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Het rapport aanvulling ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel van politie nummer [nummer]