Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-10-29
ECLI:NL:RBROT:2025:12845
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,519 tokens
Inleiding
RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/703740 / HA ZA 25-614
Vonnis in incident van 29 oktober 2025
in de zaak van
[eiser]
,
woonplaats: Rotterdam,
eisende partij in de hoofdzaak, verwerende partij in het incident,
advocaat: mr. V. Kortenbach,
tegen
BSR ASSURANTIËN B.V.,
vestigingsplaats: Rotterdam,
gedaagde partij in de hoofdzaak, eisende partij in het incident,
advocaten: mrs. R. Bosman en K.M. Roos.
Partijen worden hierna [eiser] en BSR genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 9 juli 2025, met bijlagen 1 tot en met 7;
de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring van BSR;
Conclusie
2De vordering in de hoofdzaak
2.1.
[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, om BSR te veroordelen tot betaling van € 87.207,48, te vermeerderen met rente en de proceskosten.
2.2.
[eiser] legt – samengevat weergegeven – het volgende aan zijn vordering ten grondslag. [eiser] is mede-eigenaar van een bedrijfspand. BSR heeft dat bedrijfspand, als tussenpersoon van [eiser], in 2020 bij ASR verzekerd tegen brand op basis van de herbouwwaarde. Begin 2023 is het pand door brand vernietigd. Vervolgens bleek dat het pand was onderverzekerd. Volgens [eiser] heeft BSR nagelaten om jaarlijks, dan wel periodiek de brandverzekering te controleren en na te gaan of daarmee nog wel de gewenste c.q. vereiste dekking werd geboden. [eiser] stelt dat BSR hierdoor haar zorgplicht heeft geschonden en houdt BSR aansprakelijk voor de schade door onderverzekering die door ASR is berekend op € 108.461,00. BSR heeft haar aansprakelijkheid erkend voor een bedrag van € 35.960,82 en zij heeft dat bedrag aan [eiser] betaald. [eiser] vordert daarom nog betaling van het restant van het schadebedrag, vermeerderd met rente en een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten.
2.3.
BSR heeft nog niet voor antwoord geconcludeerd in de hoofdzaak.
Geschil
3.1.
BSR vordert dat het haar wordt toegestaan om VDM Vastgoed Groep B.V. (VDM) in vrijwaring op te roepen.
3.2.
BSR legt hieraan het volgende ten grondslag. VDM is als professioneel vastgoedbeheerder voor [eiser] nauw betrokken geweest bij het afsluiten van de brandverzekering voor het pand. VDM heeft ten behoeve van het afsluiten van de opstalverzekering namens [eiser] een aanvraagformulier ingevuld en opgestuurd naar BSR. In het geval dat de rechtbank tot het oordeel zou komen dat BSR de brandverzekering van [eiser] jaarlijks, dan wel periodiek had moeten controleren, is BSR van mening dat dit ook voor VDM als professionele vastgoedbeheerder namens [eiser] geldt. Daarnaast is BSR van mening dat VDM haar zorgplicht tegenover [eiser] heeft geschonden doordat zij de waarde van het pand niet door een deskundige heeft laten vaststellen, wat wel een optie was die op het aanvraagformulier voor de verzekering door VDM kon worden aangekruist. Door middel van deze waardebepaling zou een garantie tegen onderverzekering zijn afgegeven door ASR en zou de door [eiser] gestelde schade achterwege zijn gebleven. BSR meent dan ook dat VDM, naast [eiser] zelf, medeverantwoordelijk is voor het ontstaan van de onderverzekering en de daardoor geleden schade. Om die reden is BSR van mening dat VDM BSR moet vrijwaren voor een eventuele negatieve uitkomst van de hoofdzaak.
3.3.
[eiser] voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vordering in het incident.
Beoordeling
4.1.
De incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring is op tijd en vóór alle verweren ingediend. Op grond van artikel 210 lid 1 Rv kan de gedaagde iemand in vrijwaring oproepen als hij van mening is dat hij daar genoeg reden voor heeft. Het is voldoende dat de gedaagde partij in de hoofdzaak genoegzaam stelt, dat tussen hem en de in vrijwaring op te roepen derde een rechtsverhouding bestaat op grond waarvan die derde verplicht is om de nadelige gevolgen van een veroordeling van de gedaagde in de hoofdzaak te dragen.
4.2.
De rechtbank wijst de incidentele vordering af. BSR heeft niet genoegzaam gesteld dat tussen haar en VDM een rechtsverhouding bestaat die voor VDM een verplichting tot vrijwaring meebrengt. BSR stelt wel dat VDM een zorgplicht heeft tegenover [eiser] en dat VDM die zorgplicht heeft geschonden, maar daarmee stelt BSR niet dat er een rechtsverhouding tussen haar en VDM bestaat die mogelijk tot vrijwaring door VDM verplicht.
4.3.
BSR is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- salaris advocaat € 614,00 (1 punt × tarief II à € 614,00 per punt)
- nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 792,00
Dictum
De rechtbank:
in het incident
5.1.
wijst de vordering van BSR af;
5.2.
veroordeelt BSR in de proceskosten van € 792,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als BSR de proceskosten niet op tijd betaalt en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet BSR € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
in de hoofdzaak
5.3.
verwijst de zaak naar de rol van 10 december 2025 voor het nemen van een conclusie van antwoord door BSR;
5.4.
houdt verder iedere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. D.L. Spierings en in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2025.3965/3349/2459