Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-07-03
ECLI:NL:RBROT:2025:12049
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
2,539 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/702322 / JE RK 25-1343
Datum uitspraak: 3 juli 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
hierna te noemen: de GI, gevestigd te Rotterdam,
over
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedatum] 2025 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[naam moeder]
,
hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.A. Oosterveen, kantoorhoudende te Rotterdam.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[naam vader]
,
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats] .
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 30 juni 2025 en de daaraan ten grondslag liggende stukken.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 3 juli 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI, [persoon A] .
1.3.
De kinderrechter heeft bijzondere toegang verleend aan [persoon B] , de begeleider van de moeder.
1.4.
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.
Feiten
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] .
2.2.
[voornaam minderjarige] woont bij zijn moeder.
2.3.
Bij beschikking van 9 december 2024 is [voornaam minderjarige] (destijds nog ongeboren) onder toezicht gesteld tot 9 december 2025.
2.4.
Bij beschikking van 30 juni 2025 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend tot 28 juli 2025. Het overig verzochte is aangehouden.
3Het aangehouden verzoek
3.1.
De GI heeft verzocht een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] te verlenen in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van vier weken en aansluitend voor de duur van vier maanden. Bij beschikking van 30 juni 2025 is reeds een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] verleend voor de duur van vier weken, te weten tot 28 juli 2025. Partijen dienen hierop nog te worden gehoord. Daarbij resteert nog een beslissing op het vervolg van de machtiging tot uithuisplaatsing.
4De standpunten
4.1.
De GI verduidelijkt het aangehouden deel van het verzoek tijdens de mondelinge behandeling, in die zin dat bedoeld is te verzoeken de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] te verlengen voor de duur van drie maanden, te weten tot 28 oktober 2025. De klinische behandeling van de moeder bij Brijder verliep overwegend positief en de moeder zorgde goed voor [voornaam minderjarige] . Toen de moeder na twee officiële waarschuwingen door sigarettengebruik en het bezit van vapes uit Brijder werd ontslagen, was de GI teleurgesteld. Het beleid van Brijder is weliswaar helder, maar heeft in dit geval hele heftige consequenties. Hoewel de moeder wist welke gevolgen haar gedrag had, is de GI van mening dat een kind niet enkel om deze reden van de moeder kan worden gescheiden. De moeder is de fout in gegaan met sigaretten en vapes, niet met drugs of alcohol. Dat is een heel belangrijk verschil. Het moeder-kind traject bij Brijder eindigt vandaag. [voornaam minderjarige] kan terecht bij het pleeggezin waar hij voorheen ook heeft verbleven. De GI is voornemens om vanuit hier te zoeken naar plekken waar de moeder samen met [voornaam minderjarige] zou kunnen verblijven, zoals het opvangprogramma Zij aan Zij van het Leger des Heils. Hoewel het Zij aan Zij traject van het Leger des Heils de voorkeur heeft, zal ook worden bekeken of de moeder opnieuw bij Brijder kan worden aangemeld. Daarvoor is de moeder gemotiveerd. De GI hoopt op goodwill bij Brijder.
4.2.
Door en namens de moeder wordt tijdens de mondelinge behandeling ingestemd met het verzoek van de GI. De moeder vindt het jammer dat [voornaam minderjarige] nu niet bij haar kan wonen. Zij doet haar best om zo snel mogelijk weer met hem te worden herenigd. De moeder drinkt al anderhalf jaar geen alcohol en rookt al ruim vijf maanden geen wiet meer. De klinische behandeling bij Brijder is over het algemeen goed verlopen, met uitzondering van de twee waarschuwingen met betrekking tot het roken en vapen. De moeder heeft hiervan geleerd en hoopt de positieve stappen die zij de afgelopen periode heeft gezet te vervolgen. Zij heeft heel veel spijt van haar fouten. Zij is voornemens om haar behandeling bij Fivoor af te ronden om haar trauma’s uit het verleden te verwerken. Zij is zich er zeer van bewust dat haar eigen trauma’s effect hebben op [voornaam minderjarige] . Zij wil die cirkel doorbreken. Ook omdat zij zich realiseert dat haar verslavingsgevoeligheid eruit voortkomt. De moeder wil er alles aandoen om haar leven recht te trekken. De aankomende periode moet worden gewerkt aan een terugplaatsing van [voornaam minderjarige] bij de moeder, eventueel via een nieuwe aanmelding bij Brijder of een andere opvangplek. In de tussentijd is het goed als [voornaam minderjarige] in het pleeggezin verblijft, waar hij voorheen ook heeft verbleven.
Beoordeling
5.1.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat geen verweer wordt gevoerd tegen het verzoek van de GI. Op dit moment is het niet mogelijk voor [voornaam minderjarige] om bij de moeder te wonen, omdat voor hen samen geen passende plek beschikbaar is. De moeder heeft de afgelopen periode, los van de twee waarschuwingen die zij bij Brijder heeft gehad met het ontslag daar tot gevolg, positieve stappen gezet. Ook heeft zij op de zitting gemotiveerd uitgesproken dat zij zich volledig zal inzetten en alles zal doen om zo snel mogelijk weer met [voornaam minderjarige] herenigd te kunnen worden. Vooruitgang gaat met vallen en opstaan. Het heeft de moeder niet meegezeten in haar leven, maar de manier waarop zij reflecteert op dingen die gebeurd zijn en op de vraag naar de moeder die zij wil zijn voor [voornaam minderjarige] , stemt echt hoopvol. De kinderrechter acht het daarom van belang dat de moeder een kans krijgt na wat er onlangs niet goed is gegaan bij Brijder. De aankomende periode dient te worden gezocht naar een passende plek voor de moeder en [voornaam minderjarige] , zoals bij het opvangprogramma Zij aan Zij van het Leger des Heils of een nieuwe aanmelding bij Brijder. Mocht Brijder opnieuw in beeld komen, dan spreekt de kinderrechter de hoop uit dat de moeder daar weer welkom is. In de tussentijd is het fijn dat [voornaam minderjarige] bij het pleeggezin kan verblijven waar hij voorheen ook verbleef.
5.2.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. De kinderrechter zal de reeds verleende spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg daarom in stand houden en verlengen tot 28 oktober 2025.
5.3.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
houdt de reeds verleende spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg van 30 juni 2025 tot 28 juli 2025 in stand;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 28 oktober 2025;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2025 door mr. S.J. Huizenga, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L.L.N. Snijder als griffier, en op schrift gesteld op 16 juli 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.