Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-03-18
ECLI:NL:RBROT:2025:11780
Civiel recht
Wraking
2,129 tokens
Dictum
RECHTBANK ROTTERDAM
Wrakingskamer
zaaknummer: C/10/693155 / HA RK 25-72
Dictum
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoekster] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: verzoekster,
advocaat: mr. S. Oedayrajsingh Varma strekkende tot de wraking van
mr. S.L. Raphael,
rechter in deze rechtbank, hierna te noemen: de rechter.
Procesverloop
1.1.
Het verzoek van verzoekster strekt tot wraking van de rechter in de civiele zaak met nummer C/10/672880 FA RK 24/732. Die zaak betreft een echtscheidingsprocedure tussen verzoekster en [persoon A] (de man). Het dossier van deze zaak is ter beschikking gesteld van de wrakingskamer.
1.2.
Het verloop van de procedure blijkt verder uit:
het schriftelijke wrakingsverzoek van verzoekster van 23 januari 2025;
het aanvullende schriftelijke wrakingsverzoek van verzoekster van 3 februari 2025;
de schriftelijke reactie van de rechter van 24 februari 2025; de aanvullende stukken van verzoekster van 3 maart 2025;
1.3.
Bij de mondelinge behandeling op 7 maart 2025 zijn verzoekster en haar advocaat verschenen. Daarnaast is de rechter verschenen. De man en zijn advocaat, mr. A. Taheri Bhajan, zijn eveneens verschenen.
2Het wrakingsverzoek
2.1.
Verzoekster heeft het volgende - samengevat weergegeven - aan haar verzoek ten grondslag gelegd.
Op 15 januari 2025 heeft de inhoudelijke zitting plaatsgevonden in de echtscheidingsprocedure buiten aanwezigheid van verzoekster. Op 29 november 2024 heeft de rechtbank verzoekster bericht dat er op 24 januari 2025 een zitting was ingepland. Op 2 december 2024 heeft de rechtbank verzoekster echter bericht dat de
zitting zou worden verplaatst naar 15 januari 2025, vanwege het feit dat de man verhinderd was op 24 januari 2025. Verzoekster had 15 januari 2025 echter al eerder opgegeven als verhinderdatum in verband met cursusverplichtingen van haar werk. De rechter heeft vervolgens herhaaldelijke verzoeken van verzoekster om verplaatsing van de zitting afgewezen, terwijl eerder wel gehoor is gegeven aan dergelijke verzoeken van de man. Op 13 januari 2025 heeft de toenmalige advocaat van verzoekster zich onttrokken vanwege het feit dat zij de belangen van verzoekster niet langer kon behartigen als verzoekster zelf niet bij de geplande zitting aanwezig kon zijn. Daarnaast geldt dat de man enkele dagen voor de zitting, namelijk op zaterdag 11 januari 2025, nog een aanvullend verzoek heeft ingediend waarop verzoekster dus niet meer heeft kunnen reageren. Het is daarom onbegrijpelijk dat de zitting op 15 januari 2025 niet is aangehouden. Dit leidt ertoe dat verzoekster zich benadeeld voelt en dat er sprake is van (de schijn van) vooringenomenheid/partijdigheid. Bovendien is hiermee ook het beginsel van hoor- en wederhoor als bedoeld in artikel 6 EVRM geschonden.
2.2.
De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.
Beoordeling
3.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoekster die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan haar bekend zijn geworden.
3.2.
De omstandigheden die verzoekster heeft aangevoerd bieden geen aanwijzing voor het oordeel dat de rechter door haar persoonlijke instelling en overtuiging niet onpartijdig is.
3.3.
Vervolgens moet worden onderzocht of de aangevoerde omstandigheden, voor zover aannemelijk geworden, toch een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de door verzoekster geuite vrees dat de rechter tegenover haar een (schijn van) vooringenomenheid koestert - objectief - gerechtvaardigd is. Hierbij is de opvatting van verzoekster van belang, maar is deze niet doorslaggevend.
3.4.
De wrakingskamer stelt voorop dat een beslissing over de datum dat een zitting plaatsvindt is aan te merken als een procedurele beslissing. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat een dergelijke rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig geen grond kan vormen voor wraking; wraking is namelijk geen verkapt rechtsmiddel. Alleen als (de motivering van) die beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten niet anders kan worden begrepen dan als blijk van vooringenomenheid, kan dit anders zijn. Die hoge lat wordt in dit geval niet gehaald. Er is sinds september 2024 door de rechtbank veelvuldig getracht om een mondelinge behandeling in te plannen in de zaak tussen verzoekster en de man. Telkens bleken de geplande zittingen samen te vallen met de door verzoekster opgegeven
verhinderdata. Hierdoor is meermaals een verzoek van verzoekster om uitstel toegewezen. Op 2 december 2024 is uiteindelijk een oproep verstuurd waarin is vermeld dat de eerder geplande zitting op 24 januari 2025 zou worden verplaatst naar 15 januari 2025. Het verzoek om ook deze zitting uit te stellen is op 7 januari 2025 door de rechter afgewezen. Hoewel de wrakingskamer met verzoekster van oordeel is dat de gang van zaken rondom het plannen van de mondelinge behandeling op 15 januari 2025 niet de schoonheidsprijs verdient, kan de wrakingskamer niet concluderen dat de beslissing om de zitting op die datum te plannen én doorgang te laten vinden, blijk geeft van (een schijn van) vooringenomenheid. De rechter heeft in haar schriftelijke reactie en ter zitting, onder verwijzing naar het toepasselijke procesreglement, toegelicht dat partijen binnen één week na verzending van de oproep schriftelijk uitstel van de mondelinge behandeling kunnen vragen, indien deze is vastgesteld zonder dat aan partijen voorafgaand om hun verhinderdata is gevraagd. Niet in geschil is dat verzoekster buiten deze termijn, namelijk bij mail van 11 december 2024 nadat zij op 9 december 2024 van haar advocaat had gehoord dat de zitting was verplaatst naar 15 januari 2025, de rechtbank heeft bericht dat zij op deze nieuwe zittingsdatum
verhinderd was. Bovendien heeft de rechter toegelicht dat de door verzoekster aangedragen omstandigheid - namelijk een verplichte cursus voor haar werk- niet is aan te merken als klemmende redenen op grond waarvan het verzoek om uitstel had moeten worden toegewezen. Het enkele gegeven dat verzoekster eerder 15 januari 2025 had opgegeven als verhinderdatum, kan - gegeven deze omstandigheden - niet leiden tot het oordeel dat de hiervoor beschreven hoge lat wordt gehaald.
3.5.
Verzoekster heeft als tweede wrakingsgrond naar voren gebracht dat het beginsel van hoor- en wederhoor is geschonden door voormelde gang van zaken. Dit betoog ligt in het verlengde van de eerste wrakingsgrond. Hetgeen de wrakingskamer heeft overwogen ten aanzien van de eerste wrakingsgrond geldt hier onverkort. Bovendien heeft de rechter in haar reactie te kennen gegeven dat zij op de zitting van 15 januari 2025 besloten heeft om het aanvullend verzoek van de man buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde.
3.6.
Gelet op het vorenstaande, zal de wrakingskamer het wrakingsverzoek afwijzen.
Dictum
De rechtbank:
4.1.
wijst het verzoek tot wraking af.
Deze beslissing is gegeven door mr. W.J.J. Wetzels, voorzitter, mr. J.F. Koekebakker en mr. M.G.L. de Vette, rechters, in aanwezigheid van mr. B. Tijssen, griffier en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2025
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.