Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-02-18
ECLI:NL:RBROT:2025:11778
Civiel recht
Wraking
2,260 tokens
Dictum
RECHTBANK ROTTERDAM
Wrakingskamer
Zaak- en rekestnummer: C/10/692707 /HARK 25-43
Dictum
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van:
[verzoeker] , woonplaats: [woonplaats] , hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van 1
mr. A.M. van Kalmthout, rechter in deze rechtbank, hierna te noemen: de rechter.
Procesverloop
1.1.
Het verzoek van verzoeker strekt tot wraking van de rechter in de civiele zaken met nummers 11374957 GZ VERZ 24-7922 en 11426989 GZ VERZ 24-8862 ('de
hoofdzaken'). De hoofdzaken hebben betrekking op verzoeken inzake het bewind van de moeder van verzoeker. Het dossier van de hoofdzaken is ter beschikking gesteld aan de wrakingskamer.
1.2.
Het verloop van de procedure blijkt verder uit:
de klacht van verzoeker zoals ingediend op 14 januari 2025 en door de rechtbank opgevat als een wrakingsverzoek;
de schriftelijke reactie van de rechter van 23 januari 2025;
de daarop volgende schriftelijke reacties van de verzoeker en de rechter van 2 respectievelijk 3 februari 2025.
1.3.
Bij de mondelinge behandeling is verzoeker verschenen. De rechter heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling laten weten niet te kunnen verschijnen.
2Het wrakingsverzoek
2.1.
Uit het dossier van de hoofdzaken blijkt dat de moeder van verzoeker onder bewind is gesteld. Stichting Veritas is als eerste bewindvoerder benoemd en een zus ( [naam zus] ) van verzoeker als tweede bewindvoerder. In de hoofdzaken zijn verschillende verzoeken tot wijziging van bewindvoerders aan de orde. Hierna wordt met de eerste bewindvoerder Stichting Veritas bedoeld, en met de tweede bewindvoerder zus [naam zus] .
2.1.
Verzoeker is van mening dat de rechter partijdig is en de schijn toont van vooringenomenheid tegenover hem. Daaraan legt verzoeker- samengevat - het volgende ten grondslag:
a) de rechter heeft tijdens de zitting van 9 januari 2025 zus [naam zus] verzocht stukken van het Openbaar Ministerie en/of de politie te delen met de eerste bewindvoerder,
terwijl de verzoeker de rechter had verzocht om hem in plaats van Stichting Veritas als bewindvoerder te benoemen;
b) de eerste bewindvoerder was niet op de hoogte van de verduistering van € 40.000, van de moeder van verzoeker. Dat is vreemd en had moeten worden uitgezocht voordat zus [naam zus] werd gedwongen informatie te delen;
c) de rechter heeft duidelijk gemaakt dat zij bewust voor één professionele en één familiale bewindvoerder heeft gekozen; tijdens de mondeling behandeling liet zij op allerlei mogelijke manieren weten hier niet van te zullen afstappen, ondanks het verzoek tot wijziging van verzoeker;
d) de rechter heeft zich uitgesproken over het verlenen van een machtiging aan de eerste bewindvoerder voor het raadplegen van een advocaat, terwijl er nog geen beslissing was genomen op het verzoek tot wijziging.
2.2.
De rechter heeft lat en weten niet in de wraking te berusten en zij heeft op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.
Beoordeling
3.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter tegenover een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in het geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden.
3.2.
De omstandigheden die verzoeker heeft aangevoerd, bieden geen aanwijzing voor het oordeel dat de rechter door haar persoonlijke instelling en overtuiging niet onpartijdig is.
3.3.
Vervolgens moet worden onderzocht of de aangevoerde omstandigheden, voor zover aannemelijk geworden, toch een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de door verzoeker geuite vrees dat de rechter tegenover hem een vooringenomenheid koestert - objectief - gerechtvaardigd is. Hierbij is de opvatting van verzoeker van belang, maar is deze niet doorslaggevend.
3.4.
De wrakingskamer is van oordeel dat dit niet het geval is en daarom wordt het verzoek afgewezen.
De wrakingsgronden onder a) en b)
3.5.
De wrakingskamer is van oordeel dat de wrakingsgrond onder a) niet tot wraking kan leiden. Uit het enkele feit dat de rechter de zus van verzoeker, als tweede bewindvoerder, heeft gevraagd om bepaalde stukken te delen, kan geen (objectief gerechtvaardigde schijn van) vooringenomenheid worden afgeleid. De rechter heeft laten weten alleen te hebben beoogd geen vertraging in het onderzoek te laten plaatsvinden. Dat zij vooruit liep op de op het verzoek van verzoeker te nemen beslissing, blijkt niet uit deze vraag. De zus van verzoeker heeft tijdens de mondelinge behandeling in de hoofdzaken bovendien verklaard dat zij bereid was deze stukken te delen.
Ook de wrakingsgrond onder b), die samenhangt met grond a), kan niet tot toewijzing van het wrakingsverzoek leiden, omdat ook hieruit geen vooringenomenheid van de rechter kan worden afgeleid. Bovendien blijkt uit het proces-verbaal dat de eerste bewindvoerder al wel wat onderzoek had gedaan naar het verdwenen geld en dus wel ergens van op de hoogte was. Verzoeker noemt het proces-verbaal onvolledig, maar heeft op dit punt geen bezwaar tegen het proces-verbaal ingebracht.
De wrakingsgronden onder c) en d)
3.6.
De rechter heeft in haar schriftelijke reactie aangegeven dat zij tijdens de mondelinge behandeling in de hoofdzaken heeft benoemd dat zij uit de eerder verleende beschikking heeft begrepen dat de benoeming van een professionele (eerste) bewindvoerder en mentor destijds een bewuste keuze van haar collega is geweest. Uit het dossier blijkt ook dat niet de rechter, maar een collega, de bewindvoerders had benoemd. Naar het oordeel van de wrakingskamer is de echter met de hier bedoelde uitlating niet vooruit gelopen om een eventueel te nemen beslissing.
Ten overvloede wordt nog overwogen dat, zelfs als de rechter zou hebben laten weten dat zij de beslissing van haar collega in stand zou houden, dit niet tot wraking zou kunnen leiden.
In dat geval is sprake van een inhoudelijke beslissing waar alleen hoger beroep tegen openstaat. Het oordeel daarover is voorbehouden aan de rechter die in het geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak. Dit is alleen anders als de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten - bijvoorbeeld door de in de motivering gebruikte bewoordingen - niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die de beslissing heeft gegeven. De wrakingskamer is van oordeel dat daar in dit geval geen sprake van is. De wrakingsgrond onder c) kan daarmee niet tot toewijzing van het verzoek tot wraking leiden.
3.7.
Datzelfde geldt voor de wrakingsgrond onder d). Uit het proces-verbaal van
9 januari 2025 blijkt dat beide bewindvoerders hebben ingestemd met het inschakelen van een advocaat. De beslissing tot het verlenen van een machtiging daartoe staat los van het verzoek van verzoeker om zelf naast zijn zus als bewindvoerder te worden benoemd. Voorts geldt dat ook dit een beslissing is waartegen alleen hoger beroep openstaat. Ook in dit geval is er geen sprake van een motivering van de (tussen)beslissing die in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter.
Dictum
De rechtbank:
4.1.
wijst het verzoek tot wraking af.
Deze beslissing is gegeven door mr. F.P.J. Schoonen, voorzitter, mr. P. Joele en
mr. W.J.M. Diekman, rechters, in aanwezigheid van mr. J.R. de Graaf, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2025.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.