Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-01-13
ECLI:NL:RBROT:2025:11776
Civiel recht
Wraking
2,939 tokens
Dictum
RECHTBANK ROTTERDAM
Wrakingskamer
zaaknummer: C/101691776 HA RK 24-1181
Dictum
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van
W.J.J. Wetzels,
kantonrechter in deze rechtbank, hierna te noemen: de rechter.
en tot wraking van
mr. R.R. Roukema, voorzitter, mr. W.J.M. Diekman en mr. F. P.J. Schoonen, rechters van de wrakingskamer, hierna te noemen: de wrakingskamer.
Procesverloop
1.1
Het verzoek van verzoeker strekt tot wraking van de rechter in de civiele zaak met zaaknummer 11146591 VZ VERZ 24-5572 ('de hoofdzaak'). De hoofdzaak betreft een arbeidsgeschil tussen de Gemeente Voorne aan Zee (hierna: de gemeente) en verzoeker. Het dossier van de hoofdzaak is aan de wrakingskamer ter beschikking gesteld.
1.2.
De verzoeker heeft in dezelfde hoofdzaak op 29 oktober 2024 een eerder wrakingsverzoek tegen de rechter ingediend. Dat verzoek is ingeschreven onder zaaknummer C/1016883531 HA RK 24-1005. Met betrekking tot dat wrakingsverzoek heeft de wrakingskamer op 25 november 2024 en 10 december 2024 een mondelinge behandeling gehouden en bij beschikking van 19 december 2024 het wrakingsverzoek met zaaknummer Cl1016883531 HARK 24-1005 afgewezen.
1.3.
Op 8 januari 2025 heeft verzoeker een e-mail gestuurd waarin hij meedeelt een (pro-forma) wrakingsverzoek in te dienen tegen de wrakingskamer die zijn verzoek ingeschreven onder zaaknummer Cl101691 776 HA RK 24-1181 in behandeling heeft.
1.4.
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
het proces-verbaal van aanhouding van de wrakingskamer (samenstelling: mr. MC. Franken, mrs. G.A. Bouter-Rijksen en A. Verweij) van 25 november 2024 inzake het wrakingsverzoek ingeschreven onder zaaknummer C/101688353 I
HARK 24-1005;
de beschikking van de wrakingskamer (samenstelling: mr. A. Verweij, mr. K.A. Baggerman en mr. A. Boer) van 19 december 2024 op het wrakingsverzoek van verzoeker ingeschreven onder zaaknummer C/10/688353/ HA RK 24-1005;
het schriftelijke wrakingsverzoek tegen de rechter van 25 december 2024; het wrakingsverzoek van 8 januari 2025 tegen de wrakingskamer.
Beoordeling
Het ·wrakingsverzoek tegen de wrakingskamer
2.1.
De wrakingskamer zal dit verzoek buiten behandeling stellen vanwege het volgende.
2.2.
Als sprake is van een opeenstapeling van wrakingsverzoeken doordat eerst de rechter in de hoofdzaak en vervolgens leden van de wrakingskamer worden gewraakt, kan de wrakingskamer, mede ter voorkoming van ongerechtvaardigd oponthoud, in geval
van evident misbruik van recht het verzoek tot wraking van een of meer van haar leden buiten behandeling laten zonder dat de zaak in handen van een andere wrakingskamer wordt gesteld (artikel 8 lid 3 van het Wrakingsprotocol en Hoge Raad 25 september 2018, ECLI:NL:HR:20 18:1770, r.o. 4.7.).
2.3.
Verzoeker heeft de volgende gronden aangevoerd:
Schijn van partijdigheid: Door het in beraad nemen van mijn zaak zonder duidelijke en verifieerbare toelichting, ontstaat bij mij de indruk dat uw kamer niet objectief en onpartijdig handelt en mij straks voor een voldongen feit gaat stellen omdat er een besluit is genomen in mijn zaak gedurende de wrakingprocedure. Dit wekt een gerechtvaardigde twijfel aan de onpartijdigheid van uw wrakingskamer.
Afwijking van procedurele voorschriften: Volgens de geldende procesregels dient een zaak behandeld te worden binnen een redelijke termijn en conform het vastgelegde protocol. Het besluit om mijn zaak in beraad te nemen zonder mij daarbij adequaat te informeren over de motivering en te volgen stappen alsook het niet aanhouden van de hoofdzaak in deze, vormt mijns een schending van deze voorschriften. Dit draagt bij aan mijn gebrek aan vertrouwen in een eerlijke behandeling van mijn zaak.
Gerechtvaardigd wantrouwen: De gang van zaken zoals hierboven beschreven, heeft bij mij geresulteerd in een objectief gerechtvaardigd wantrouwen ten aanzien van de zorgvuldige en onpartijdige behandeling van mijn zaak door uw kamer. Hierdoor voel ik mij genoodzaakt dit wrakingsverzoek in te dienen.
Lidmaatschap van de wrakingskamer: Daarnaast heb ik vernomen dat de behandelend rechter in mijn zaak tevens lid is van uw wrakingskamer. Dit roept bij mij vragen op over de mogelijkheid van een objectief oordeel in deze situatie, aangezien de schijn van belangenverstrengeling hierdoor wordt gewekt.
De verzoeker heeft voorts verzocht dat zijn wrakingsverzoek verder wordt afgehandeld door een andere rechtbank die zijn zaak objectief en conform de toepasselijke regels kan behandelen.
2.4.
De wrakingskamer is van oordeel dat verzoeker met zijn tegen de wrakingskamer gerichte verzoek evident misbruik van het wrakingsmiddel maakt omdat het in redelijkheid
niet anders kan worden verstaan dan als de aanwending van de bevoegdheid tot wraking voor een ander doel dan waarvoor deze is gegeven.
2.5.
De mondelinge behandeling van het eerste wrakingsverzoek tegen de rechter die rekening houdend met de verhinderdata van verzoeker op 25 november 2024 was gepland is op verzoek van verzoeker aangehouden tot de mondelinge behandeling van 10 december 2024. Op 19 december 2024 heeft de wrakingskamer uitspraak gedaan en het verzoek van de verzoeker afgewezen. Op 25 december 2024 diende verzoeker een nieuw verzoek in tegen de rechter. Op 8 januari 2025 wraakte verzoeker de wrakingskamer nog voordat de wrakingskamer zijn verzoek van 25 december 2024 in behandeling had genomen.
2.6.
Omdat het verzoek is ingediend voordat de wrakingskamer het verzoek in behandeling had genomen is de wrakingskamer van oordeel dat er sprake is
van evident misbruik van het wrakingsrecht. Ten overvloede merkt de wrakingskamer op dat uit niets blijkt dat de hoofdzaak is voortgezet (gronden 1 en 2), dat de rechter geen deel uitmaakt van deze wrakingskamer en deze wrakingskamer conform het Protocol is samengesteld (grond 4). Het gevolg is dat het verzoek buiten behandeling wordt gelaten (artikel 8 lid 3 jo lid 2 sub h Protocol). De wrakingskamer zal bepalen dat een volgend verzoek tot wraking tegen de rechters van de wrakingskamer niet meer in behandeling zal worden genomen. Verder ongerechtvaardigd oponthoud moet worden voorkomen.
Het wrakingsverzoek tegen de rechter
De ontvankelijkheid van het verzoek
2.7.
Aan de orde is de vraag of het wrakingsverzoek tegen de rechter tijdig is gedaan, namelijk zodra de feiten en omstandigheden waarop het wrakingsverzoek is gegrond aan verzoeker bekend waren geworden - zoals artikel 37 lid I van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering vereist.
2.8.
De wrakingskamer is van oordeel dat dit niet het geval is vanwege het volgende.
2.9.
In het verzoek staat onder de kop "2e verzoek tot wraking van de behandelend (EA) rechter in mijn zaak" als grond dat de rechter geen kennis heeft willen nemen van belangrijke feiten en gebeurtenissen die het standpunt van verzoeker kunnen steunen.
Uit het verzoek blijkt dat het niet anders kan dan dat dit ziet op de behandeling van de hoofdzaak op 25 oktober 2024. Hij heeft dezelfde grond aangevoerd in zijn eerste wrakingsverzoek (i.h.b. onder nummers 1,2,3 en 5 van dat verzoek) en die grond is in de beslissing van 19 december 2024 verworpen.
Het gaat hier dus om feiten en omstandigheden die verzoeker al bekend waren voordat hij zijn eerste wrakingsverzoek tegen de rechter deed. Dit leidt tot niet ontvankelijkheid van het onderhavige wrakingsverzoek op dit punt (artikel 8 lid 2 sub f Protocol).
2. l0. Verzoeker voert als grond aan dat de inhoudelijke behandeling van zijn zaak op 25 oktober 2024 had moeten zijn geschorst. Ook dit heeft verzoeker in zijn eerste wrakingsverzoek tegen de rechter aangevoerd (onder nummer 12 van het eerste verzoek) en het is verworpen in de beslissing van 19 december 2024. Het gaat hier dus om feiten en omstandigheden die verzoeker al bekend waren voordat hij zijn eerste wrakingsverzoek tegen de rechter deed. Dit leidt ook op dit punt tot niet ontvankelijkheid van het onderhavige wrakingsverzoek.
2.11.
Verzoeker voert als grond aan dat zijn verzoek van 5 november 2024 - dat de wens inhield om zijn verweer en producties in de hoofdzaak aan te vullen -, door de rechter bij mail van 19 december 2024 is afgewezen. Deze klacht borduurt voort op de klacht dat de rechter geen kennis heeft willen nemen van feiten en gebeurtenissen die verzoekers standpunt kunnen steunen. Zoals hierboven al is opgemerkt, is deze klacht in de beslissing van 19 december 2024 al verworpen met de overweging dat het aan de rechter is om te bepalen wanneer hij voldoende informatie heeft verkregen (rechtsoverweging 3.6). Het gaat hier dus om een klacht die in essentie hetzelfde is als de eerder verworpen klacht. Deze klacht is daarom kennelijk ongegrond en leidt tot niet ontvankelijkheid van het verzoek op dit punt (artikel 8 lid 2 sub a Protocol).
2.12.
Voorts beklaagt verzoeker zich over uitlatingen en of gedrag van de rechter voor en tijdens de wrakingszitting van 25 november 2024. De verzoeker voegt daaraan toe dat hij heeft nog in beraad of ook uit de mondelinge behandeling van de wrakingskamer van 10 december 2024 mogelijke wrakingsgronden voortvloeien. Verzoeker is zowel op de mondelinge behandeling van 25 november 2024 als op die van 10 december 2024 aanwezig geweest. Op 10 december 2024 was ook zijn gemachtigde aanwezig. Op 19 december 2024 heeft wrakingskamer uitspraak gedaan.
Dictum
De rechtbank:
in het wrakingsverzoek tegen de wrakingskamer
3.1.
laat het verzoek tot wraking buiten behandeling;
3.2.
bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek tegen de wrakingskamer in deze hoofdzaak niet meer in behandeling zal worden genomen;
in het wrakingsverzoek tegen de rechter
3.3.
verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking;
3.4.
bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek in deze hoofdzaak niet meer in behandeling zal worden genomen,
Deze beslissing is gegeven door mr. R.R. Roukema, voorzitter, mr. W.J. Diekman en mr. F.P.J. Schoonen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. V.A. Verstoot, griffier en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2025.
de griffier
voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.