Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-04-03
ECLI:NL:RBROT:2025:11586
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,704 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
[insolventienummer]
vonnis van: 3 april 2025
op het verzoek van:
[verzoeker]
,
wonende te [adres] ,
[postcode] [plaats] .
Waar deze zaak over gaat
De heer [verzoeker] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Om tot een oplossing voor zijn schulden te komen heeft de heer [verzoeker] een verzoek gedaan te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP). Dit verzoek wordt toegewezen.
De rechtbank ziet geen aanleiding om een eerdere ingangsdatum te bepalen. De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.
Procesverloop
1.1.
De heer [verzoeker] heeft een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de WSNP.
1.2.
Bij bericht van 23 januari 2025 heeft Geldplein Rotterdam te kennen gegeven dat de heer [verzoeker] niet op de hoogte was van de zitting die op diezelfde dag zou plaatsvinden. Geldplein Rotterdam heeft verzocht de zitting te verplaatsen omdat de heer [verzoeker] niet in de gelegenheid was om aanwezig te zijn. Naar aanleiding hiervan heeft de rechtbank een nieuwe zittingsdatum bepaald.
1.3.
Het verzoek is behandeld op de zitting van 20 maart 2025. Op de zitting zijn verschenen:
- de heer [verzoeker] ,
- [persoon A] , partner van de heer [verzoeker] ,
- mevrouw A. Changur, schuldhulpverlener van de gemeente Rotterdam.
1.4.
Namens de heer [verzoeker] is na de zitting aanvullende informatie overgelegd.
Beoordeling
De toelating
2.1.
De heer [verzoeker] kan worden toegelaten tot de WSNP als hij zich in een problematische schuldensituatie bevindt en hij te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden. De rechtbank kijkt daarbij vooral naar de afgelopen drie jaar. Ook moet de verwachting bestaan dat de heer [verzoeker] aan de verplichtingen van de WSNP zal voldoen.
2.2.
De heer [verzoeker] voldoet aan alle eisen en wordt toegelaten tot de WSNP.
Goede-trouw-toets
2.3.
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als voldoende aannemelijk is dat de heer [verzoeker] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest. Voorts dient voldoende aannemelijk te zijn dat hij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.
2.4.
De goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan de heer [verzoeker] dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin het de heer [verzoeker] kan worden verweten dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van de heer [verzoeker] voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door de schuldeisers juist te frustreren en dergelijke. Gebleken is dat een groot deel van de schulden van de heer [verzoeker] is ontstaan binnen de driejaarstermijn. In dit geval heeft de rechtbank in het bijzonder gekeken naar de schuld aan [schuldeiser 1] , aan [schuldeiser 2] (hierna: [schuldeiser 2] ) en aan het Centraal Justitieel Incassobureau (hierna: CJIB). De schuld aan [schuldeiser 1] is ontstaan doordat de heer [verzoeker] tweemaal heeft getankt zonder te betalen. Deze schuld bedraagt thans € 227,51. Ook de schuld aan [schuldeiser 2] ter hoogte van € 211,01 is ontstaan doordat de heer [verzoeker] heeft getankt zonder te betalen. Voorts is er in augustus en oktober 2024 een schuld aan het CJIB ontstaan van in totaal € 933,00 door het niet verzekeren en het niet tijdig keuren van de auto. Deze schulden zijn naar hun aard niet te goeder trouw ontstaan en staan in beginsel aan toelating tot de WSNP in de weg. De heer [verzoeker] heeft voorts een schuld aan de Belastingdienst Particulieren LIC ter hoogte van € 5.257,00. Doordat de heer [verzoeker] geen overzicht van de Belastingdienst heeft overgelegd, is het onduidelijk of deze schuld al dan niet te goeder trouw is ontstaan.
Hardheidsclausule
2.5.
Het verzoek kan ingevolge artikel 288, derde lid Fw, ondanks het ontbreken van goede trouw (artikel 288, eerste lid onder b) wel worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de heer [verzoeker] de omstandigheden, die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van schulden, onder controle heeft gekregen waardoor een wending ten goede is ontstaan. De rechtbank is van oordeel dat van een dergelijke situatie sprake is. De heer [verzoeker] maakt sinds maart 2024 gebruik van budgetbeheer. De heer [verzoeker] werkt fulltime en wenst een oplossing voor zijn schulden. Ter zitting heeft de heer [verzoeker] er blijk van gegeven dat hij er van doordrongen is dat hij geen nieuwe schulden mag laten ontstaan, in het bijzonder ook niet in verband met het gebruik van de auto. De heer [verzoeker] heeft ter zitting te kennen gegeven dat hij de auto dan ook gaat verkopen. Voor de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de heer [verzoeker] blijk heeft gegeven van een serieuze en saneringsgezinde houding. Bij de rechtbank is dan ook het vertrouwen ontstaan dat de heer [verzoeker] de verplichtingen uit de WSNP naar behoren zal nakomen.
Verplichtingen
2.6.
De verplichtingen waaraan de heer [verzoeker] tijdens de WSNP moet voldoen zijn: de informatieverplichting, de inspanningsverplichting, de verplichting geen nieuwe schulden te laten ontstaan, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de afdrachtverplichting. Er wordt een bewindvoerder benoemd. Deze bewindvoerder controleert of de verplichtingen worden nagekomen. Er wordt ook een rechter-commissaris benoemd. De taak van de rechter-commissaris is om toezicht te houden op de bewindvoerder.
2.7.
Als de heer [verzoeker] zich tijdens het WSNP-traject houdt aan alle verplichtingen die de WSNP met zich brengt, eindigt het traject met de zogenoemde “schone lei”. Dit betekent dat schuldeisers hun vorderingen ten aanzien waarvan de WSNP werkt niet meer op de heer [verzoeker] kunnen verhalen.
Postblokkade
2.8.
De eerste 13 maanden van het traject geldt in beginsel een postblokkade. Dat betekent dat in die periode alle post naar de bewindvoerder gaat. De bewindvoerder stuurt de post na controle door aan de heer [verzoeker] .
Bevoegdheid rechtbank
2.9.
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van de heer [verzoeker] in Nederland ligt.
De ingangsdatum
2.10.
Het WSNP-traject duurt in principe 18 maanden. De Faillissementswet bepaalt dat de termijn van de WSNP in beginsel ingaat op de dag van dit vonnis, tenzij er aanleiding is de termijn eerder te laten ingaan.
2.11.
Een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald als vanaf die eerdere datum de verplichtingen die volgen uit het voorafgaande schuldhulpverleningstraject zijn nagekomen. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag (het vtlb), moet aflossen op zijn schulden en dat hij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Het vtlb wordt berekend met de vtlb-calculator die via het internet beschikbaar is. Om voor een eerdere ingangsdatum in aanmerking te komen, moet dus maandelijks sprake zijn van aflossingen die tenminste gelijk zijn aan het genoemde verschil tussen de netto inkomsten en het vtlb. Daarnaast moet er bij arbeidsgeschiktheid fulltime gewerkt worden of moet er aantoonbaar worden gesolliciteerd naar een fulltime baan.
2.12.
De rechtbank stelt vast dat de heer [verzoeker] niet heeft verzocht om een eerdere ingangsdatum, terwijl ook overigens op basis van de ingediende stukken en wat ter zitting is besproken niet kan worden vastgesteld dat aan de verplichtingen is voldaan.
Dictum
De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoeker]
,
geboren op [geboortedatum] -1988 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
wonende te [adres] , [postcode] [plaats] ;
- benoemt tot rechter-commissaris mr. M. Aukema
en tot bewindvoerder A. Noordzij,
gevestigd te Postbus 7441,
3284 ZG Zuid-Beijerland;
- stelt de ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling vast op 3 april 2025 en de einddatum op 3 oktober 2026;
- draagt de bewindvoerder op de post van de heer [verzoeker] in te zien;
- bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag nemen volgens het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Deze vergoeding is gelijk aan 1/19e deel van de overeenkomstig artikel 2 van dat Besluit te berekenen vergoeding. Dit kan alleen:
- zolang de schuldsaneringsregeling loopt en,
- voor zover de boedel toereikend is.
Dit is de beslissing van mr. M. Aukema, rechter, in samenwerking met mr. J.A. Kuijvenhoven, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 april 2025.
De griffier is buiten staat dit
vonnis mede te ondertekenen
Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.