Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-02-24
ECLI:NL:RBROT:2025:11537
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
3,344 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team straf 3
Parketnummer: 10-195002-21
Datum uitspraak: 24 februari 2025
Tegenspraak
Verkort vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres].
Raadsman mr. P.J. Silvis, advocaat te Rotterdam.
1Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 10 februari 2025.
2Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. K.W. van Damme heeft gevorderd:
bewezenverklaring van het ten laste gelegde;
veroordeling van de verdachte tot een taakstraf van 80 uren met aftrek van voorarrest, subsidiair 40 dagen hechtenis.
4Waardering van het bewijs
4.1.
Bewijswaardering
4.1.1.
Standpunt verdediging
Aangevoerd is dat de verdachte weliswaar een rol heeft gehad door mee te gaan en achter een wegrennende jongen aan te rennen, maar dat niet bewezen kan worden dat de verdachte een slachtoffer heeft geschopt.
4.1.2.
Beoordeling
De scooter van [medeverdachte 1] was gestolen. [medeverdachte 1] heeft dat in vertrouwen aan [naam 1] verteld. [naam 1] heeft dat nieuws op zijn beurt gedeeld binnen zijn vriendengroep. Toen [medeverdachte 1] daarna vanuit die vriendengroep werd benaderd met vragen over de diefstal van zijn scooter, dacht hij dat iemand uit die groep zijn scooter had gestolen. [medeverdachte 1] heeft dat vermoeden vervolgens min of meer als een vaststaand feit gedeeld met drie familieleden: [naam 2] en [naam 3]. Zij zijn samen met [medeverdachte 1] en de beste vriend van de tweeling, de verdachte, naar de vriendengroep toe gegaan die bij het jeugdhonk in Capelle aan den IJssel waren.
De verdachten zijn op de vriendengroep afgelopen en hebben direct gevraagd naar de scooter. Kort daarna escaleerde de situatie en werd er direct geweld gebruikt. [naam 1] en [naam 4] zijn geslagen en [naam 5] is weggerend. De verdachte is achter [naam 5] aan gerend. Volgens de aangifte van [naam 5] is hij door de verdachte geschopt. Echter, uit de getuigenverklaringen van vrienden van [naam 5] blijkt dat zij hebben gezien dat [naam 5] wegrende. Zij hebben ook gezien dat iemand achter [naam 5] aanrende, maar uit hun verklaringen blijkt niet dat [naam 5] ook is geschopt. Zij hebben alleen waargenomen dat [naam 5] één of meerdere keren is gevallen en vervolgens is weten te ontkomen. Mede gelet op de verklaring van de verdachte die heeft ontkend dat hij [naam 5] heeft geschopt, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden bewezen dat de verdachte heeft geschopt.
Wel heeft de verdachte, die zelf heeft verklaard achter [naam 5] te zijn aangerend, door zijn handelen een voldoende significante en wezenlijke bijdrage aan het gepleegde geweld geleverd, zodat het ten laste gelegde kan worden bewezen.
4.1.3.
Conclusie
Het ten laste gelegde, met uitzondering van het schoppen, kan worden bewezen.
4.2.
Bewezenverklaring
Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
hij op of omstreeks 24 juni 2021 te Capelle aan den IJssel, openlijk, te weten op het terrein van jeugdhonk Knop-Op aan de Cornelis de Houtmanstraat te Capelle aan den IJssel, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging, geweld heeft gepleegd tegen (een) perso(o)n(en), te weten [naam 1] en/of [naam 4] en/of [naam 5], door (één van) hen (meermalen) tegen het gezicht/hoofd en/of lichaam te duwen en/of slaan en/of schoppen.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de redengevende inhoud van het voorgaande en op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende tot bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.
5Strafbaarheid feit
Het bewezen feit levert op:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.
6Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
7Oplegging straf of maatregel
7.1.
Algemene overweging
De rechtbank heeft acht geslagen op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
7.2.
De ernst van het feit
De verdachte is samen met zijn beste vrienden op pad gegaan om verhaal te halen over de gestolen scooter van het neefje van zijn beste vrienden. Achteraf bleek dat er is gehandeld op basis van foute informatie. Dat kon echter ten tijde van het plegen van het delict niet aan het licht komen, omdat bijna direct geweld is gebruikt.
Enerzijds laat de wens van de verdachte om vrienden te helpen zich invoelen. Daar staat echter tegenover dat de gekozen methode volstrekt onacceptabel is, omdat het een vorm van eigenrichting is. Met het geweld zoals dat bewezen is verklaard, heeft de verdachte de lichamelijke integriteit van de slachtoffers geschonden. Bovendien is de openbare orde verstoord en veroorzaakt dergelijk geweld maatschappelijke onrust en algemene gevoelens van onveiligheid.
Voor de verdachte spreekt dat hij zijn medewerking aan het onderzoek heeft verleend en oprecht overkomt in zijn spijtbetuiging.
7.3.
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van
16 januari 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.
7.4.
Conclusie
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Op grond van artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (HGEU) en artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) dient de verdachte binnen een redelijke termijn te worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 6 juli 2021, omdat de verdachte op die datum in verzekering is gesteld. Tot aan dit vonnis is een periode van drie jaren en ruim zeven maanden verstreken.
Omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn in deze zaak twee jaren. Dat betekent dat de redelijke termijn fors is geschonden.
Gezien de ernst van het feit zou daarop in beginsel met een straf dienen te worden gereageerd. Tijdens de behandeling op zitting is gebleken dat er geen nieuwe justitiële contacten met betrekking tot de verdachte bekend zijn. Gelet op die omstandigheden, de rol van de verdachte en de tijd die inmiddels is verstreken dient oplegging van een sanctie naar het oordeel van de rechtbank thans geen redelijk doel meer. De rechtbank zal de verdachte om die reden schuldig verklaren, maar geen straf of maatregel opleggen.
8Vordering benadeelde partij
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [benadeelde partij] ter zake van het ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 629,22 aan materiële schade en een vergoeding van € 2.005,- aan immateriële schade.
Een bedrag van € 2.249,22 is reeds als schadevergoeding toegewezen aan de benadeelde partij in de strafzaak tegen een medeverdachte die in 2022 is veroordeeld. Dat bedrag is ook reeds betaald. Daarna heeft de benadeelde partij nogmaals kosten gemaakt, bestaande uit het eigen risico van de zorgverzekering over het jaar 2022. Die kosten worden thans ook gevorderd.
8.1.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van het deel van de vordering dat ziet op het eigen risico van de zorgverzekering over het jaar 2022, te weten € 385,-. Voor het overige dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard omdat die schade reeds is betaald.
8.2.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft geconcludeerd tot de niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering. Opgemerkt is dat de schade zou moeten worden betaald door de persoon die de schade heeft veroorzaakt.
8.3.
Beoordeling
De rechtbank stelt vast dat de vordering van de benadeelde partij eerder is ingediend in de strafzaak tegen [medeverdachte 1]. In die strafzaak is in 2022 uitspraak gedaan, waarbij ook de vordering is toegewezen. Kort voor de zitting is die vordering ook ingediend in de strafzaak tegen de [medeverdachte 2]. Op het voorblad met toelichting is het parketnummer van de zaak tegen de [medeverdachte 2] vermeld.
Ter zitting is gebleken dat het Openbaar Ministerie er zorg voor heeft gedragen dat de vordering, die in de zaak tegen [medeverdachte 2] is ingediend, ook in de dossiers van de andere medeverdachten terecht is gekomen. Naar het oordeel van de rechtbank is dat onvoldoende om vast te stellen dat die vordering ook daadwerkelijk in die zaken is ingediend. De benadeelde partij zal in zijn vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.
Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.
8.4.
Conclusie
In deze procedure wordt over de gevorderde schadevergoeding geen inhoudelijke beslissing genomen.
9Bijlage
De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.
Dictum
De rechtbank:
verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
bepaalt dat ten aanzien van het bewezenverklaarde feit geen straf of maatregel wordt opgelegd;
verklaart de [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in zijn vordering;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. F.P.J. Schoonen, voorzitter,
en mrs. I. Bouter en T.J. Roest Crollius, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.G. Polke, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
hij op of omstreeks 24 juni 2021 te Capelle aan den IJssel, openlijk, te weten op het terrein van jeugdhonk Knop-Op aan de Cornelis de Houtmanstraat te Capelle aan den IJssel, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging, geweld heeft gepleegd tegen (een) perso(o)n(en), te weten [naam 1] en/of [naam 4] en/of [naam 5], door (één van) hen (meermalen) tegen het gezicht/hoofd en/of lichaam te duwen, slaan en/of schoppen.