Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-05-09
ECLI:NL:RBROT:2025:11531
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
2,508 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/694500 / JE RK 25-322
Datum uitspraak: 9 mei 2025
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder, wonende in [plaats] ,
advocaat mr. L. van Baaren, kantoorhoudende in Rotterdam.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader, wonende in [plaats] .
1Het verdere verloop van de procedure
1.1.
Het procesverloop blijkt uit:
de tussenbeschikking van 14 maart 2025 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
de briefrapportage met bijlagen van de GI van 2 mei 2025;
het e-mailbericht van de advocaat van de moeder van 8 mei 2025;
de brief van de GI, die ter zitting is overhandigd.
1.2.
Op 9 mei 2025 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder bijgestaan door haar advocaat;
- twee vertegenwoordigers van de GI, [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2] .
1.3.
Aangezien de moeder de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig is, maar wel de Spaanse taal, heeft de kinderrechter het verhoor doen plaatsvinden met bijstand van M.L. de Keizer, tolk in de Spaanse taal. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de tolk is beëdigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van de Wet beëdigde tolken en vertalers.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
Feiten
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij de moeder.
2.3.
Bij beschikking van 27 december 2024 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 5 januari 2026.
3Het aangehouden verzoek
3.1.
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Ter zitting van 14 maart 2025 is het verzoek aangehouden.
3.3.
De GI handhaaft ter zitting het verzoek en licht dit als volgt toe. [minderjarige] kampt al jarenlang met ernstige gezondheidsproblemen die steeds verergeren. Uit de toegezonden informatie van derden over de gezondheidstoestand van [minderjarige] blijkt dat de situatie urgent is en een uithuisplaatsing noodzakelijk in het belang van de gezondheid van [minderjarige] . Het is gebleken dat [minderjarige] zonder professionele hulp niet in staat is om zijn situatie zelfstandig aan te pakken. [minderjarige] heeft het niet naar zijn zin op zijn huidige school, maar zodra hij in staat is de verantwoordelijkheid voor zijn gezondheid zelf te dragen, kan er gekeken worden naar een andere school. Er is mogelijk een nieuwe zorglocatie voor [minderjarige] bij [zorgverlener 1] in [plaats] . Dit is een kleinschalige locatie die ook de mogelijkheid biedt om overdag naar zijn eigen school te blijven gaan. Bovendien wordt daar al een jongere met diabetes begeleid.
4Het standpunt van de moeder
4.1.
Door en namens de moeder wordt ingestemd met het verzoek. Voor [minderjarige] is het goed om naar een andere plek te gaan, mits er voldoende toezicht is op zijn medische toestand. Wanneer zijn bloedsuiker te laag is, bestaat het risico dat hij in coma raakt. Om dit te voorkomen moet hij wakker worden geschud en drinken krijgen om bij te komen, aangezien hij zich op zo’n moment niet bewust is van de situatie. Bij [zorgverlener 2] werd zijn bloedsuiker niet goed in de gaten gehouden, waardoor het vertrouwen in deze locatie verloren is gegaan. [minderjarige] moet op een veilige locatie terechtkomen en er moet een concreet plan worden opgesteld. Daarnaast moet [minderjarige] naar een andere school, aangezien hij op zijn huidige school niet gemotiveerd is.
Beoordeling
5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. De kinderrechter overweegt daartoe het volgende.
5.2.
Er zijn zorgen over de diabetes van [minderjarige] , aangezien het hem niet lukt om deze goed te monitoren, wat ernstige gevolgen voor zijn gezondheid kan hebben. Hij woont bij zijn moeder, die als liefdevolle en betrokken ouder wordt gezien. Toch kan de moeder [minderjarige] onvoldoende ondersteuning bieden bij het monitoren en onder controle houden van zijn diabetes. De moeder erkent dat het beter zou zijn als [minderjarige] naar een plek gaat waar hij professionele begeleiding krijgt. Daarom is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is dat [minderjarige] de komende tijd ergens anders gaat wonen, zodat hij de juiste begeleiding en zorg krijgt en leert de verantwoordelijkheid voor zijn gezondheid zelf te dragen. Als de zorgen over zijn gezondheid afnemen, vooral doordat [minderjarige] er met de hulpverlening in slaagt om op de juiste manier met zijn diabetes om te gaan, ontstaan er hopelijk ook mogelijkheden om een reguliere schoolgang te hervatten.
5.3.
De kinderrechter ziet wel aanleiding om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te verlenen voor een kortere periode dan verzocht, zodat vinger aan de pols gehouden kan worden. De mogelijkheid om naar [zorgverlener 1] te plaatsen is namelijk nog niet definitief, en het is bovendien nog onduidelijk welke specifieke zorg zij [minderjarige] kunnen bieden.
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5.5.
De GI wordt verzocht de kinderrechter uiterlijk één week voor de hierna te noemen zittingsdatum schriftelijk te rapporteren over de actuele stand van zaken en het al dan niet handhaven van het verzoek, met afschrift aan de moeder en mr. L. van Baaren.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 9 mei 2025 tot 9 augustus 2025;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
en alvorens verder te beslissen:
6.3.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan en roept de GI, de moeder en haar advocaat op te verschijnen tijdens de zitting van mr. W.J. Loorbach van de rechtbank Rotterdam, locatie Rotterdam, in het gerechtsgebouw aan Wilhelminaplein 100 / 125 te Rotterdam, op 5 augustus 2025 te 11:30 uur, teneinde nader op het verzoek te worden gehoord;
6.4.
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting van de GI, de moeder en L. van Baaren;
6.5.
gelast de oproeping van [minderjarige] voor een kindgesprek met de kinderrechter tegen voormelde zittingsdatum en tijdstip;
6.6.
verzoekt de GI uiterlijk op 29 juli 2025 de kinderrechter (met afschrift aan de moeder en mr. L. van Baaren) de verzochte rapportage te doen toekomen.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 mei 2025 door mr. W.J. Loorbach, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R.S.E. Pronk als griffier, en op schrift gesteld op 23 mei 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek.