Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-04-09
ECLI:NL:RBROT:2025:11521
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
2,499 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/695998 / JE RK 25-517
Datum uitspraak: 9 april 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige 1]
,
geboren op [geboortedatum 1] 2010 in [geboorteplaats 1] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige 1] ,
[minderjarige 2]
,
geboren op [geboortedatum 2] 2013 in [geboorteplaats 2] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder]
,
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. I.K. Oosterveen, kantoorhoudende in Rotterdam,
[pleegmoeder] en [pleegvader] ,
hierna te noemen: de pleegouders, wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[naam vader] ,
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats] .
1Het verloop van de procedure
1.1.
Het procesverloop blijkt uit:
het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 13 maart 2025, binnengekomen bij de rechtbank op dezelfde datum;
het gezinsplan van 4 april 2025, binnengekomen bij de rechtbank op dezelfde datum;
een brief van de pleegouders van 20 maart 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 april 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder bijgestaan door haar advocaat;
de vader;
de pleegmoeder;
- een vertegenwoordiger van de GI, [persoon A] .
1.3.
De pleegvader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de pleegvader wel juist is opgeroepen.
1.4.
De kinderrechter heeft bijzondere toegang verleend om de zitting bij te wonen aan, [persoon B] , pleegzorgbegeleider.
1.5.
De kinderrechter heeft [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] hebben geen mening gegeven.
Feiten
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] .
2.2.
[voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] verblijven in een pleeggezin.
2.3.
Bij beschikking van 22 april 2024 is de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] verlengd tot 23 april 2025. Bij die beschikking is ook de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 23 april 2025.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI handhaaft ter zitting het verzoek en licht dit als volgt toe. [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] verblijven al geruime tijd in het pleeggezin. Er is geen toetsing van de Raad meegestuurd, omdat al lang geleden is besloten dat deze situatie gehandhaafd blijft. Bovendien is een eerder verzoek tot gezagsbeëindiging afgewezen. Om deze redenen heeft de toetsing van de Raad geen meerwaarde en zou dit slechts neerkomen op werkverschaffing.
4Het standpunt van de moeder
4.1.
Door en namens de moeder wordt ingestemd met het verzoek. De moeder ziet in dat het (op dit moment) het beste is voor [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] om bij de pleegouders te blijven, zodat de kansen die geboden worden optimaal benut worden. Het doet haar veel pijn dat Brian thuis woont en [voornaam minderjarige 1] dat ook graag zou willen, maar dat dit niet mogelijk is.
5Het standpunt van de pleegmoeder
5.1.
De pleegmoeder geeft aan dat het goed gaat met de kinderen en vertrouwt erop dat de kinderrechter een beslissing zal nemen die in het belang van de kinderen is.
6De informant (de vader)
6.1.
De vader geeft aan dat hij het liefst alle drie de kinderen thuis zou willen, maar hij kijkt vooruit en hoopt dat ze misschien plotseling toch weer naar huis kunnen komen. Desondanks is de vader blij met het contact met zowel de kinderen als het pleeggezin.
Beoordeling
7.1.
De kinderrechter stelt voorop dat, nu de ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing twee jaar of langer heeft geduurd, de GI op grond van artikel 1:265j lid 3 BW verplicht is het onderhavige verzoek vergezeld te laten gaan van een advies van de Raad. De GI is hier om haar moverende redenen niet toe overgegaan. Nu hiertegen geen verweer is gevoerd door en namens de moeder, zal de rechtbank aan dit gebrek geen gevolgen verbinden en overgaan tot een inhoudelijke behandeling van het verzoek.
7.2.
Op basis van de stukken is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de grond voor de ondertoezichtstelling. Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] noodzakelijk in het belang van hun verzorging en opvoeding. De kinderrechter overweegt daartoe het volgende.
7.3.
De kinderrechter verwijst naar eerdere beschikkingen met betrekking tot de zorgen over [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] , die hebben geleid tot hun uithuisplaatsing. Sinds 2018 verblijven [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] in hun huidige perspectiefbiedend pleeggezin, waar zij structuur, duidelijkheid en veiligheid ontvangen die zij nodig hebben. De ouders zijn liefdevol en spelen een belangrijke rol in het leven van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] . Zij hebben aanzienlijke stappen gezet, maar de draagkracht is niet in verhouding tot de draaglast om de kinderen thuis te laten wonen. De ouders verdienen een compliment voor het feit dat zij het in het belang van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] achten dat zij bij de pleegouders blijven, ondanks hun wens om de kinderen thuis te hebben. Er is geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI.
7.4.
Gelet op voorgaande verlengt de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] voor de duur van een jaar, evenals de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van een jaar.
7.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Dictum
De kinderrechter:
8.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] tot 23 april 2026;
8.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg tot 23 april 2026;
8.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2025 door
mr. M.C. Woudstra, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R.S.E. Pronk als griffier, en op schrift gesteld op 14 april 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.
Genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Artikel 1:265c, tweede lid, BW.
Artikel 1:260, eerste lid, BW.