Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-05-27
ECLI:NL:RBROT:2025:11423
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
995 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team jeugd
Parketnummers: 10/124317-24 en 10/006379-24 (gevoegd ttz)
Datum uitspraak: 27 mei 2025
Herstelvonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2009 ,
de [naam P.I.] , [detentieadres] [postcode 1] te [detentieplaats] , verblijvende te [verblijfadres] [postcode 2] te [verblijfplaats] ,
raadsvrouw mr. N.S. van der Vliet, advocaat te Rotterdam.
De rechtbank overweegt dat zij aanleiding ziet het op 27 mei 2025 uitgesproken vonnis in de strafzaak tegen bovengenoemde verdachte te herstellen.
Het onderdeel van het vonnis dat moet worden hersteld
De rechtbank heeft op 27 mei 2025 vonnis gewezen in de strafzaak tegen bovengenoemde verdachte.
Na de uitspraakdatum is de rechtbank gebleken dat de in het dictum opgenomen ingangsdatum van de wettelijke rente met betrekking tot de schadevergoeding aan de benadeelde partij [benadeelde] onjuist is vermeld. De wettelijke rente dient in te gaan op
7 januari 2024 in plaats van 7 januari 2025.
Nu sprake is van een kennelijke misslag in het dictum, dient het vonnis te worden hersteld.
De rechtbank zal ten behoeve van de executie van die beslissing het eerder uitgesproken vonnis herstellen door verbetering van het dictum, waartoe het onderhavige vonnis strekt.
Dictum
De rechtbank:
handhaaft haar beslissing van 27 mei 2025, met herstel van een kennelijke misslag in het dictum als volgt:
verbetert de beslissing in die zin dat de veroordeling tot schadevergoeding aan [benadeelde] als volgt komt te luiden:
veroordeelt de verdachte, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij
[benadeelde] , te betalen een bedrag van € 835,09 (zegge: achthonderdvijfendertig euro en
negen cent), bestaande uit € 335,09 aan materiële schade en € 500,- aan immateriële schade,
te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 7 januari 2024 tot aan de dag der
algehele voldoening;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering;
bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke
rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden
aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de
tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting
aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde] te betalen € 835,09
(hoofdsom, zegge: achthonderdvijfendertig euro en negen cent), vermeerderd met de
wettelijke rente vanaf 7 januari 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt
daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, tevens geldt als betaling aan de staat ten
behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;
bepaalt dat de griffier dit vonnis doet hechten aan het originele vonnis van 27 mei 2025 en dit vonnis per brief ter kennis doet brengen van de verdachte, diens raadsvrouw, de officier van justitie en de benadeelde partij.
Dit herstelvonnis is op 9 juli 2025 gewezen door
mr. C.N. Melkert, voorzitter, tevens kinderrechter
mr. K.T.F. Chocolaad-de Bos en mr. A.M.T.A. Verhagen, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. E.M. Borges Dias.
De oudste rechter, de jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit herstelvonnis mede te ondertekenen.