Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-09-11
ECLI:NL:RBROT:2025:11309
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
973 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/3046
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 september 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. E. Kafa),
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college
(gemachtigde: mr. D.J.J. Straver).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvragen om bijzondere bijstand voor verhuis-, inrichtings- en stofferingskosten.
Het college heeft deze aanvragen met besluiten van 22 augustus 2024 afgewezen.
Met een besluit van 26 februari 2025 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvragen gebleven.
De rechtbank heeft het beroep van eiser op 11 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van het college deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Motivering
1. De aanvraag voor wat betreft de eerste maand huur is terecht afgewezen omdat niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet dat de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd, zich voordoen. Eiser heeft de eerste huurnota van 5 augustus 2024 op 6 augustus 2024 voldaan. Op het moment van de aanvraag (9 augustus 2024) was de eerste huur dus al betaald.
2. Voor wat betreft de overige posten heeft het college de aanvragen terecht afgewezen omdat niet is gebleken dat deze kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Uit wat eiser heeft aangevoerd, is niet aannemelijk geworden dat hij niet voor de kosten heeft kunnen reserveren.
3. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel of het motiveringsbeginsel. Voor toetsing aan het evenredigheidsbeginsel bestaat geen ruimte.
4. Nu het college de aanvragen terecht heeft afgewezen, is het beroep ongegrond en bestaat er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
5. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 september 2025 door mr. S. Veling, rechter, in aanwezigheid van R.P. Evegaars, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie ECLI:NL:CRVB:2025:488.