Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-05-20
ECLI:NL:RBROT:2025:11012
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
12,454 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team jeugd
Parketnummer: 10/290509-24
Datum uitspraak: 20 mei 2025
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedatum] 2009,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres] , [postcode] [woonplaats] ,
raadsvrouw mr. H. Yilmaz, advocaat te Rotterdam.
1Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 20 mei 2025.
2Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. K. Broere heeft gevorderd:
bewezenverklaring van het ten laste gelegde;
veroordeling van de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 74 dagen met aftrekvan voorarrest.
4Waardering van het bewijs
4.1.
Bewezenverklaring zonder nadere motivering
Het ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.
4.2.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
hij op of omstreeks 9 september 2024 te Pernis Rotterdam, gemeente Rotterdam, (bij metrostation Pernis), op het Schalekampplein, althans op de openbare weg, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een tas en/of geld (40 euro, althans enig geldbedrag) en/of een bankpas, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, en vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of en gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [slachtoffer]- (op dreigende toon) de woorden toe te voegen: "Hier komen" en/of "Geef je tasje af" en/of "Laat mij niet in mijn tasje grijpen" en/of "Geef je telefoon" en/of "je hebt vijf seconden, anders maak ik je dood", althans (telkens) woorden van gelijke aard en/of strekking en- (met kracht) bij de kraag van de jas vast te pakken en/of mee te trekken en/of te duwen en/of tegen een muur te goooien en/of in de zak(ken) te voelen en/of bij de broek vast te houden en- meermalen, althans eenmaal (telkens) (met kracht) met zijn tot vuist gebalde hand te slaan tegen (de linkerkant) van het gezicht, althans op het hoofd, in elk geval op het lichaam.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
5Strafbaarheid feit
Het bewezen feit levert op:
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen op de openbare weg.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.
6Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Motivering
7.1.
Algemene overweging
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
7.2.
Feit waarop de straf is gebaseerd
De verdachte heeft zich op veertienjarige leeftijd samen met een ander schuldig gemaakt aan een beroving op 9 september 2024 in het metrostation Pernis Rotterdam. De verdachte is die dag in dezelfde metro gestapt als het slachtoffer en heeft toen samen met zijn mededader in de metro besproken dat zij het slachtoffer achterna zouden gaan. In het metrostation van Pernis Rotterdam heeft de verdachte het slachtoffer van zijn spullen beroofd en heeft daarbij fors fysiek geweld gebruikt. Het slachtoffer is meermalen met de vuist tegen het gezicht en het lichaam geslagen, bij de kraag gepakt en meegetrokken en hardhandig tegen een muur gegooid, waardoor hij letsel heeft opgelopen. De wijze waarop de verdachte en zijn medeverdachte hebben gehandeld, getuigt van een gebrek aan respect voor de bezittingen en de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Naast de gevolgen voor het slachtoffer, leiden zulke strafbare feiten bovendien tot onrust en angst in de maatschappij.
7.3.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
7.3.1.
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 12 september 2024, waaruit blijkt dat de verdachte gedagvaard is voor het plegen van meerdere straatroven en een mishandeling. Ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte voor deze feiten inmiddels bij vonnis van 27 maart 2025 van de rechtbank Rotterdam is veroordeeld.
7.3.2.
Rapportages en verklaringen van deskundigen op de terechtzitting
GZ-Psycholoog, drs. [persoon A] heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 7 januari 2025. Dit rapport houdt voor zover van belang het volgende in. De verdachte heeft een zorgelijke thuissituatie, waarbij de moeder kampt met lichamelijke en psychische problemen en de problemen binnen het gezin niet aan kan. Sinds augustus 2024 is sprake van een ondertoezichtstelling. Bij de verdachte is sprake van een verminderd delen van interesses, emoties en affect. Het mentaliserend vermogen is beperkt en er zijn aanwijzingen voor problemen in de gewetensontwikkeling, waarbij de verdachte zich niet realiseert wat de impact van zijn handelen is op anderen, geen medeleven ervaart naar anderen, geen zicht heeft op eigen emotionele beleving of die van de ander en daar ook geen rekening mee houdt. De verdachte functioneert op gemiddeld niveau, maar is relatief minder sterk op ruimtelijk-visueel redeneren en de verwerkingssnelheid. Daarbij functioneert hij op benedengemiddeld niveau. Concluderend kan worden gesteld dat bij de verdachte sprake is van een normoverschrijdende-gedragsstoornis. Ook wordt er bij de verdachte een gedragspatroon gezien waarin hij steeds vaker de normen en waarden van anderen over overtreedt en hen benadeelt en waarbij bovendien sprake is van het ontbreken van doorleefde spijt of wroeging. Geadviseerd wordt het laste gelegde in enigszins verminderde mate toe te rekenen. Het risico op gewelddadig gedrag wordt ingeschat als hoog. Er wordt geadviseerd om de normoverschrijdende-gedragsstoornis van de verdachte te behandelen. Ook zal hij moeten leren gezag te accepteren en zich te houden aan de regels. Aanvullend is het richten op het bevorderen van het mentaliserend vermogen geïndiceerd. Mogelijk kan er ook aandacht worden besteed voor het trainen van de executieve functies. Al met al adviseert de GZ-psycholoog om de behandeling van de verdachte voort te zetten met bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijke jeugddetentie.
De Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad) schrijft in het rapport over de verdachte van 4 maart 2025 dat er op nagenoeg alle leefgebieden risicofactoren worden gezien. Het is de afgelopen tijd niet goed gegaan met de verdachte. Hij laat zelfbepalend gedrag zien, heeft meermalen zijn schorsingsvoorwaarden overtreden en is tijdens zijn schorsing gerecidiveerd. De Raad maakt zich zorgen over het netwerk van de verdachte, aangezien hij bij het huidige ten laste gelegde feit en de eerdere verdenkingen steeds met vrienden van hem was. Ook baart het zorgen dat de verdachte vanuit huis niet de ondersteuning krijgt die hij nodig heeft. Vanuit de ondertoezichtstelling zou er gekeken kunnen worden naar het verblijf van de verdachte op een leefgroep of woonvorm, waar hem behandeling, structuur en regelmaat kan worden geboden. Er is overwogen om een voorwaardelijke PIJ-maatregel te adviseren. Vanwege de jonge leeftijd van de verdachte en omdat de ingezette behandeling nog niet voldoende van de grond is gekomen, acht de Raad dit nu niet passend. Mocht de verdachte recidiveren, dan moet er opnieuw gedacht worden aan een al dan niet voorwaardelijke PIJ-maatregel. De Raad adviseert oplegging van een voorwaardelijke jeugddetentie met daarbij als bijzondere voorwaarden dat de verdachte zal meewerken aan een meldplicht, onderwijs zal volgen volgens rooster, zich zal inspannen voor behandeling bij Fivoor of een soortgelijke instantie, zich zal houden aan een contactverbod met het slachtoffer en de medeverdachte en zal meewerken aan hulpverleningstrajecten die door de jeugdreclassering nodig worden geacht.
De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (hierna: te noemen JBRR) schrijft in het rapport over de verdachte van 13 mei 2025 dat hij is aangemeld bij de woonvoorziening van Innovazorg en daar op 22 mei 2025 zal worden geplaatst. Duidelijk is geworden dat het de verdachte niet lukt om mee te werken aan de geboden behandeling en begeleiding als hij thuis woont. De trajecten vanuit Fivoor en School2Care blijven doorlopen als de verdachte bij Innovazorg gaat wonen. Dit kan worden voortgezet in het kader van de reeds lopende ondertoezichtstelling en jeugdreclasserings-maatregel. Het heeft daarom geen meerwaarde om opnieuw begeleiding door de jeugdreclassering met bijzondere voorwaarden aan de verdachte op te leggen. Daarnaast moet hij nog een werkstraf van 60 uren uitvoeren. Als aan de verdachte opnieuw een werkstraf wordt opgelegd, bestaat het risico op overvraging. JBRR adviseert daarom om aan de verdachte een geheel voorwaardelijke straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden.
Op de zitting hebben de deskundigen [persoon B] en [persoon C], werkzaam als jeugdreclasseerder en jeugdbeschermer bij JBRR het advies toegelicht en verklaard dat de zorgen over de verdachte nog onverminderd groot zijn. De verdachte zal op een nieuwe kleinschalige groep gaan verblijven dat hopelijk voor rust zorgt bij hemzelf en in de thuissituatie. De behandeling van de verdachte bij Fivoor is opgestart, maar hij is hiervoor nauwelijks gemotiveerd. Fivoor zal tijdens de behandeling aandacht hebben voor relatieherstel tussen de verdachte en de moeder en de gezondheid van de verdachte. Ook is er een jongerencoach bij de verdachte betrokken, maar omdat het anders teveel voor hem wordt is het contact op dit moment vrij minimaal.
7.4.
Conclusie
Gelet op dat wat de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Toerekeningsvatbaarheid
De conclusie van de psycholoog wordt gedragen door haar bevindingen. De rechtbank neemt die conclusie over en maakt die tot de hare. Nu bij de verdachte sprake is van een psychische stoornis die ook aanwezig was ten tijde van het tenlastegelegde feit acht de rechtbank de verdachte voor dit feit verminderd toerekeningsvatbaar.
Straf
Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie. Bij de bepaling van de duur van de jeugddetentie heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank maakt zich grote zorgen over de verdachte en zijn ontwikkeling. De verdachte vertoont zelfbepalend gedrag en heeft moeite zich te houden aan regels en afspraken. Ook tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis lukte het de verdachte niet altijd om zich aan de voorwaarden te houden. In een relatief korte tijd is de verdachte veel in aanraking gekomen met de politie in verband met het plegen van straatroven en een mishandeling. De kans op herhaling wordt ingeschat als hoog. De GZ-psycholoog, de Raad en JBRR benadrukken dat behandeling van de verdachte nodig is om het tij te keren en om de kans op herhaling te beperken. Bij de bepaling van de strafmaat heeft de rechtbank er enerzijds rekening mee gehouden dat artikel 63 van Wetboek van Strafrecht van toepassing is, maar anderzijds ook dat er fors fysiek geweld is gebruikt tegen het slachtoffer en dat het feit zich heeft afgespeeld op de openbare weg. Gelet daarop ziet de rechtbank geen aanleiding om de verdachte, zoals door de verdediging is verzocht, schuldig te verklaren zonder strafoplegging. De rechtbank zal conform de eis van de officier van justitie, en gezien het advies van JBRR en de toelichting van de jeugdreclasseerder op zitting, de persoonlijkheid van de verdachte, de noodzaak van behandeling en daarmee de kans op overvraging, een onvoorwaardelijke jeugddetentie opleggen gelijk aan de duur die de verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De rechtbank zal niet opnieuw bijzondere voorwaarden opleggen omdat de vereiste behandeling onder de lopende toezichtstelling en reclasseringsmaatregel kan worden gerealiseerd. Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.
8Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [slachtoffer] , ter zake van het tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 103,19 aan materiële schade en een bedrag van € 1.000,- aan immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente, hoofdelijk en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.1.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het gevorderde geldbedrag van € 40,- niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat de verdachte ter zitting heeft aangegeven afstand te doen van het inbeslaggenomen geldbedrag. Dit bedrag zal aan de benadeelde partij worden teruggegeven. Het overige deel van de gevorderde materiële en de immateriële schade is echter voldoende onderbouwd en voor toewijzing vatbaar. De officier van justitie verzoekt het toe te wijzen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente, hoofdelijk en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.2.
Standpunt verdediging
De verdediging verzoekt het gevorderde geldbedrag van € 40,- niet-ontvankelijk te verklaren, omdat de verdachte ter zitting afstand heeft gedaan van het geldbedrag. De verdediging heeft over de overig gevorderde (materiële) schadeposten geen opmerkingen. De verdediging verzoekt de immateriële schade af te wijzen, omdat dit onvoldoende is onderbouwd. De brief van de huisarts die bij de vordering is gevoegd, dateert van een aantal maanden na het strafbare feit. De reden daarvan is niet duidelijk geworden. Ook is in de brief onvoldoende onderbouwd dat sprake is van een causaal verband tussen het strafbare feit en de schade van de benadeelde partij. Subsidiair verzoekt de verdediging om een aanzienlijk lager bedrag van € 200,- aan immateriële schade toe te wijzen.
8.3.
Beoordeling
Materiële schade
De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat het gevorderde geldbedrag van € 40,- niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat dit bedrag aan de benadeelde partij zal worden teruggegeven. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Ten aanzien van het overige deel van de gevorderde materiële schade stelt de rechtbank vast dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Dit deel van de vordering is door de verdachte niet weersproken en is genoegzaam onderbouwd, waardoor dit zal worden toegewezen.
Immateriële schade
De rechtbank is, anders dan de verdediging, van oordeel dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De benadeelde partij heeft lichamelijk letsel opgelopen door het bewezen verklaarde strafbare feit. Ook heeft het strafbare feit grote impact op de benadeelde partij gehad en hij ondervindt hier vier maanden later nog steeds de gevolgen van. De benadeelde partij is buiten meer op zijn hoede, kijkt continu om zich heen en blijft in de avonduren binnen. Naar het oordeel van de rechtbank is de immateriële schade door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. De gevorderde schadevergoeding is gelet op de gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, billijk. De rechtbank zal daarom het gevorderde immateriële schadebedrag volledig toewijzen.
Hoofdelijkheid
Nu de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededader de benadeelde betaalt, is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.
Wettelijke rente
De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 9 september 2024.
Nu de vordering van de benadeelde partij (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
8.4.
Conclusie
De verdachte moet de benadeelde partij [slachtoffer] een schadevergoeding betalen van € 1.063,19, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.
9Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 36f, 63, 77a, 77g, 77i en 312 van het Wetboek van Strafrecht.
10Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
Dictum
De rechtbank:
verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 74 (vierenzeventig) dagen;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; de voorlopige hechtenis is bij eerdere beslissing geschorst;
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededader, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer] , te betalen een bedrag van € 1.063,19 (zegge: duizend drieënzestig euro en negentien eurocent), bestaande uit € 63,19 aan materiële schade en € 1.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 9 september 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededader van de verdachte aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;
verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [slachtoffer] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededader de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] te betalen € 1.063,19 (hoofdsom, zegge: duizend drieënzestig euro en negentien eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 september 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededader, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. S. Jordaan, voorzitter, tevens kinderrechter,
en mrs. M.A. van der Laan-Kuijt en S.C. Sassen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J.A. Batenburg, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 mei 2025.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
hij op of omstreeks 9 september 2024 te Pernis Rotterdam, gemeente Rotterdam, (bij metrostation Pernis), op het Schalekampplein, althans op de openbare weg, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een tas en/of geld (40 euro, althans enig geldbedrag) en/of een bankpas, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [slachtoffer]- (op dreigende toon) de woorden toe te voegen: "Hier komen" en/of "Geef je tasje af" en/of "Laat mij niet in mijn tasje grijpen" en/of "Geef je telefoon" en/of "je hebt vijf seconden, anders maak ik je dood", althans (telkens) woorden van gelijke aard en/of strekking en- (met kracht) bij de kraag van de jas vast te pakken en/of mee te trekken en/of te duwen en/of tegen een muur te gooien en/of in de zak(ken) te voelen en/of bij de broek vast te houden en- meermalen, althans eenmaal (telkens) (met kracht) met zijn tot vuist gebalde hand te slaan tegen (de linkerkant) van het gezicht, althans op het hoofd, in elk geval op het lichaam.
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team jeugd
Parketnummer: 10/290509-24
Datum uitspraak: 20 mei 2025
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedatum] 2009,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres] , [postcode] [woonplaats] ,
raadsvrouw mr. H. Yilmaz, advocaat te Rotterdam.
1Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 20 mei 2025.
2Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. K. Broere heeft gevorderd:
bewezenverklaring van het ten laste gelegde;
veroordeling van de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 74 dagen met aftrekvan voorarrest.
4Waardering van het bewijs
4.1.
Bewezenverklaring zonder nadere motivering
Het ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.
4.2.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
hij op of omstreeks 9 september 2024 te Pernis Rotterdam, gemeente Rotterdam, (bij metrostation Pernis), op het Schalekampplein, althans op de openbare weg, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een tas en/of geld (40 euro, althans enig geldbedrag) en/of een bankpas, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, en vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of en gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [slachtoffer]- (op dreigende toon) de woorden toe te voegen: "Hier komen" en/of "Geef je tasje af" en/of "Laat mij niet in mijn tasje grijpen" en/of "Geef je telefoon" en/of "je hebt vijf seconden, anders maak ik je dood", althans (telkens) woorden van gelijke aard en/of strekking en- (met kracht) bij de kraag van de jas vast te pakken en/of mee te trekken en/of te duwen en/of tegen een muur te goooien en/of in de zak(ken) te voelen en/of bij de broek vast te houden en- meermalen, althans eenmaal (telkens) (met kracht) met zijn tot vuist gebalde hand te slaan tegen (de linkerkant) van het gezicht, althans op het hoofd, in elk geval op het lichaam.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
5Strafbaarheid feit
Het bewezen feit levert op:
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen op de openbare weg.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.
6Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Motivering
7.1.
Algemene overweging
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
7.2.
Feit waarop de straf is gebaseerd
De verdachte heeft zich op veertienjarige leeftijd samen met een ander schuldig gemaakt aan een beroving op 9 september 2024 in het metrostation Pernis Rotterdam. De verdachte is die dag in dezelfde metro gestapt als het slachtoffer en heeft toen samen met zijn mededader in de metro besproken dat zij het slachtoffer achterna zouden gaan. In het metrostation van Pernis Rotterdam heeft de verdachte het slachtoffer van zijn spullen beroofd en heeft daarbij fors fysiek geweld gebruikt. Het slachtoffer is meermalen met de vuist tegen het gezicht en het lichaam geslagen, bij de kraag gepakt en meegetrokken en hardhandig tegen een muur gegooid, waardoor hij letsel heeft opgelopen. De wijze waarop de verdachte en zijn medeverdachte hebben gehandeld, getuigt van een gebrek aan respect voor de bezittingen en de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Naast de gevolgen voor het slachtoffer, leiden zulke strafbare feiten bovendien tot onrust en angst in de maatschappij.
7.3.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
7.3.1.
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 12 september 2024, waaruit blijkt dat de verdachte gedagvaard is voor het plegen van meerdere straatroven en een mishandeling. Ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte voor deze feiten inmiddels bij vonnis van 27 maart 2025 van de rechtbank Rotterdam is veroordeeld.
7.3.2.
Rapportages en verklaringen van deskundigen op de terechtzitting
GZ-Psycholoog, drs. [persoon A] heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 7 januari 2025. Dit rapport houdt voor zover van belang het volgende in. De verdachte heeft een zorgelijke thuissituatie, waarbij de moeder kampt met lichamelijke en psychische problemen en de problemen binnen het gezin niet aan kan. Sinds augustus 2024 is sprake van een ondertoezichtstelling. Bij de verdachte is sprake van een verminderd delen van interesses, emoties en affect. Het mentaliserend vermogen is beperkt en er zijn aanwijzingen voor problemen in de gewetensontwikkeling, waarbij de verdachte zich niet realiseert wat de impact van zijn handelen is op anderen, geen medeleven ervaart naar anderen, geen zicht heeft op eigen emotionele beleving of die van de ander en daar ook geen rekening mee houdt. De verdachte functioneert op gemiddeld niveau, maar is relatief minder sterk op ruimtelijk-visueel redeneren en de verwerkingssnelheid. Daarbij functioneert hij op benedengemiddeld niveau. Concluderend kan worden gesteld dat bij de verdachte sprake is van een normoverschrijdende-gedragsstoornis. Ook wordt er bij de verdachte een gedragspatroon gezien waarin hij steeds vaker de normen en waarden van anderen over overtreedt en hen benadeelt en waarbij bovendien sprake is van het ontbreken van doorleefde spijt of wroeging. Geadviseerd wordt het laste gelegde in enigszins verminderde mate toe te rekenen. Het risico op gewelddadig gedrag wordt ingeschat als hoog. Er wordt geadviseerd om de normoverschrijdende-gedragsstoornis van de verdachte te behandelen. Ook zal hij moeten leren gezag te accepteren en zich te houden aan de regels. Aanvullend is het richten op het bevorderen van het mentaliserend vermogen geïndiceerd. Mogelijk kan er ook aandacht worden besteed voor het trainen van de executieve functies. Al met al adviseert de GZ-psycholoog om de behandeling van de verdachte voort te zetten met bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijke jeugddetentie.
De Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad) schrijft in het rapport over de verdachte van 4 maart 2025 dat er op nagenoeg alle leefgebieden risicofactoren worden gezien. Het is de afgelopen tijd niet goed gegaan met de verdachte. Hij laat zelfbepalend gedrag zien, heeft meermalen zijn schorsingsvoorwaarden overtreden en is tijdens zijn schorsing gerecidiveerd. De Raad maakt zich zorgen over het netwerk van de verdachte, aangezien hij bij het huidige ten laste gelegde feit en de eerdere verdenkingen steeds met vrienden van hem was. Ook baart het zorgen dat de verdachte vanuit huis niet de ondersteuning krijgt die hij nodig heeft. Vanuit de ondertoezichtstelling zou er gekeken kunnen worden naar het verblijf van de verdachte op een leefgroep of woonvorm, waar hem behandeling, structuur en regelmaat kan worden geboden. Er is overwogen om een voorwaardelijke PIJ-maatregel te adviseren. Vanwege de jonge leeftijd van de verdachte en omdat de ingezette behandeling nog niet voldoende van de grond is gekomen, acht de Raad dit nu niet passend. Mocht de verdachte recidiveren, dan moet er opnieuw gedacht worden aan een al dan niet voorwaardelijke PIJ-maatregel. De Raad adviseert oplegging van een voorwaardelijke jeugddetentie met daarbij als bijzondere voorwaarden dat de verdachte zal meewerken aan een meldplicht, onderwijs zal volgen volgens rooster, zich zal inspannen voor behandeling bij Fivoor of een soortgelijke instantie, zich zal houden aan een contactverbod met het slachtoffer en de medeverdachte en zal meewerken aan hulpverleningstrajecten die door de jeugdreclassering nodig worden geacht.
De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (hierna: te noemen JBRR) schrijft in het rapport over de verdachte van 13 mei 2025 dat hij is aangemeld bij de woonvoorziening van Innovazorg en daar op 22 mei 2025 zal worden geplaatst. Duidelijk is geworden dat het de verdachte niet lukt om mee te werken aan de geboden behandeling en begeleiding als hij thuis woont. De trajecten vanuit Fivoor en School2Care blijven doorlopen als de verdachte bij Innovazorg gaat wonen. Dit kan worden voortgezet in het kader van de reeds lopende ondertoezichtstelling en jeugdreclasserings-maatregel. Het heeft daarom geen meerwaarde om opnieuw begeleiding door de jeugdreclassering met bijzondere voorwaarden aan de verdachte op te leggen. Daarnaast moet hij nog een werkstraf van 60 uren uitvoeren. Als aan de verdachte opnieuw een werkstraf wordt opgelegd, bestaat het risico op overvraging. JBRR adviseert daarom om aan de verdachte een geheel voorwaardelijke straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden.
Op de zitting hebben de deskundigen [persoon B] en [persoon C], werkzaam als jeugdreclasseerder en jeugdbeschermer bij JBRR het advies toegelicht en verklaard dat de zorgen over de verdachte nog onverminderd groot zijn. De verdachte zal op een nieuwe kleinschalige groep gaan verblijven dat hopelijk voor rust zorgt bij hemzelf en in de thuissituatie. De behandeling van de verdachte bij Fivoor is opgestart, maar hij is hiervoor nauwelijks gemotiveerd. Fivoor zal tijdens de behandeling aandacht hebben voor relatieherstel tussen de verdachte en de moeder en de gezondheid van de verdachte. Ook is er een jongerencoach bij de verdachte betrokken, maar omdat het anders teveel voor hem wordt is het contact op dit moment vrij minimaal.
7.4.
Conclusie
Gelet op dat wat de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Toerekeningsvatbaarheid
De conclusie van de psycholoog wordt gedragen door haar bevindingen. De rechtbank neemt die conclusie over en maakt die tot de hare. Nu bij de verdachte sprake is van een psychische stoornis die ook aanwezig was ten tijde van het tenlastegelegde feit acht de rechtbank de verdachte voor dit feit verminderd toerekeningsvatbaar.
Straf
Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie. Bij de bepaling van de duur van de jeugddetentie heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank maakt zich grote zorgen over de verdachte en zijn ontwikkeling. De verdachte vertoont zelfbepalend gedrag en heeft moeite zich te houden aan regels en afspraken. Ook tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis lukte het de verdachte niet altijd om zich aan de voorwaarden te houden. In een relatief korte tijd is de verdachte veel in aanraking gekomen met de politie in verband met het plegen van straatroven en een mishandeling. De kans op herhaling wordt ingeschat als hoog. De GZ-psycholoog, de Raad en JBRR benadrukken dat behandeling van de verdachte nodig is om het tij te keren en om de kans op herhaling te beperken. Bij de bepaling van de strafmaat heeft de rechtbank er enerzijds rekening mee gehouden dat artikel 63 van Wetboek van Strafrecht van toepassing is, maar anderzijds ook dat er fors fysiek geweld is gebruikt tegen het slachtoffer en dat het feit zich heeft afgespeeld op de openbare weg. Gelet daarop ziet de rechtbank geen aanleiding om de verdachte, zoals door de verdediging is verzocht, schuldig te verklaren zonder strafoplegging. De rechtbank zal conform de eis van de officier van justitie, en gezien het advies van JBRR en de toelichting van de jeugdreclasseerder op zitting, de persoonlijkheid van de verdachte, de noodzaak van behandeling en daarmee de kans op overvraging, een onvoorwaardelijke jeugddetentie opleggen gelijk aan de duur die de verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De rechtbank zal niet opnieuw bijzondere voorwaarden opleggen omdat de vereiste behandeling onder de lopende toezichtstelling en reclasseringsmaatregel kan worden gerealiseerd. Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.
8Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [slachtoffer] , ter zake van het tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 103,19 aan materiële schade en een bedrag van € 1.000,- aan immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente, hoofdelijk en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.1.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het gevorderde geldbedrag van € 40,- niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat de verdachte ter zitting heeft aangegeven afstand te doen van het inbeslaggenomen geldbedrag. Dit bedrag zal aan de benadeelde partij worden teruggegeven. Het overige deel van de gevorderde materiële en de immateriële schade is echter voldoende onderbouwd en voor toewijzing vatbaar. De officier van justitie verzoekt het toe te wijzen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente, hoofdelijk en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.2.
Standpunt verdediging
De verdediging verzoekt het gevorderde geldbedrag van € 40,- niet-ontvankelijk te verklaren, omdat de verdachte ter zitting afstand heeft gedaan van het geldbedrag. De verdediging heeft over de overig gevorderde (materiële) schadeposten geen opmerkingen. De verdediging verzoekt de immateriële schade af te wijzen, omdat dit onvoldoende is onderbouwd. De brief van de huisarts die bij de vordering is gevoegd, dateert van een aantal maanden na het strafbare feit. De reden daarvan is niet duidelijk geworden. Ook is in de brief onvoldoende onderbouwd dat sprake is van een causaal verband tussen het strafbare feit en de schade van de benadeelde partij. Subsidiair verzoekt de verdediging om een aanzienlijk lager bedrag van € 200,- aan immateriële schade toe te wijzen.
8.3.
Beoordeling
Materiële schade
De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat het gevorderde geldbedrag van € 40,- niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat dit bedrag aan de benadeelde partij zal worden teruggegeven. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Ten aanzien van het overige deel van de gevorderde materiële schade stelt de rechtbank vast dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Dit deel van de vordering is door de verdachte niet weersproken en is genoegzaam onderbouwd, waardoor dit zal worden toegewezen.
Immateriële schade
De rechtbank is, anders dan de verdediging, van oordeel dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De benadeelde partij heeft lichamelijk letsel opgelopen door het bewezen verklaarde strafbare feit. Ook heeft het strafbare feit grote impact op de benadeelde partij gehad en hij ondervindt hier vier maanden later nog steeds de gevolgen van. De benadeelde partij is buiten meer op zijn hoede, kijkt continu om zich heen en blijft in de avonduren binnen. Naar het oordeel van de rechtbank is de immateriële schade door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. De gevorderde schadevergoeding is gelet op de gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, billijk. De rechtbank zal daarom het gevorderde immateriële schadebedrag volledig toewijzen.
Hoofdelijkheid
Nu de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededader de benadeelde betaalt, is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.
Wettelijke rente
De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 9 september 2024.
Nu de vordering van de benadeelde partij (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
8.4.
Conclusie
De verdachte moet de benadeelde partij [slachtoffer] een schadevergoeding betalen van € 1.063,19, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.
9Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 36f, 63, 77a, 77g, 77i en 312 van het Wetboek van Strafrecht.
10Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
Dictum
De rechtbank:
verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 74 (vierenzeventig) dagen;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; de voorlopige hechtenis is bij eerdere beslissing geschorst;
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededader, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer] , te betalen een bedrag van € 1.063,19 (zegge: duizend drieënzestig euro en negentien eurocent), bestaande uit € 63,19 aan materiële schade en € 1.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 9 september 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededader van de verdachte aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;
verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [slachtoffer] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededader de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] te betalen € 1.063,19 (hoofdsom, zegge: duizend drieënzestig euro en negentien eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 september 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededader, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. S. Jordaan, voorzitter, tevens kinderrechter,
en mrs. M.A. van der Laan-Kuijt en S.C. Sassen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J.A. Batenburg, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 mei 2025.
De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
hij op of omstreeks 9 september 2024 te Pernis Rotterdam, gemeente Rotterdam, (bij metrostation Pernis), op het Schalekampplein, althans op de openbare weg, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een tas en/of geld (40 euro, althans enig geldbedrag) en/of een bankpas, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [slachtoffer]- (op dreigende toon) de woorden toe te voegen: "Hier komen" en/of "Geef je tasje af" en/of "Laat mij niet in mijn tasje grijpen" en/of "Geef je telefoon" en/of "je hebt vijf seconden, anders maak ik je dood", althans (telkens) woorden van gelijke aard en/of strekking en- (met kracht) bij de kraag van de jas vast te pakken en/of mee te trekken en/of te duwen en/of tegen een muur te gooien en/of in de zak(ken) te voelen en/of bij de broek vast te houden en- meermalen, althans eenmaal (telkens) (met kracht) met zijn tot vuist gebalde hand te slaan tegen (de linkerkant) van het gezicht, althans op het hoofd, in elk geval op het lichaam.