Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-09-12
ECLI:NL:RBROT:2025:10997
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,784 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11454338 CV EXPL 24-32111
datum uitspraak: 12 september 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres] ,
woonplaats: [plaats] ,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
gemachtigde: mr. C.C.J. Huurman,
tegen
[gedaagde]
,
vestigingsplaats: [plaats] ,
gedaagde,
eiseres in reconventie,
gemachtigde: mr. G. Meijerink.
De partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 10 december 2024, met bijlagen;
het antwoord tevens houdende eis in reconventie, met bijlagen;
de akte vermeerdering eis van [gedaagde] , met bijlagen;
de e-mail van de gemachtigde van [eiseres] van 11 augustus 2025, met bijlage.
1.2.
Op 12 augustus 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig: [eiseres] met de heer [persoon A] en haar gemachtigde en namens [gedaagde] mevrouw [naam] met haar gemachtigde.
Beoordeling
Wat is de kern?
2.1.
[gedaagde] heeft met de heer [persoon A] (hierna: [persoon A] ) een huurovereenkomst gesloten voor de woning aan [adres] te [plaats] (hierna: het gehuurde). Tussen [persoon A] en [eiseres] heeft een affectieve relatie bestaan. Nadat [persoon A] in [overlijdensdatum] 2024 overleed, heeft [eiseres] haar verblijf in het gehuurde voortgezet en zich bij de [gemeente] ingeschreven op het adres van het gehuurde. [gedaagde] heeft het verzoek van [eiseres] om de huurovereenkomst voort te zetten afgewezen. [eiseres] vordert in deze procedure te bepalen dat zij de huurovereenkomst mag voortzetten en een verbod aan [gedaagde] om tot ontruiming over te gaan. [gedaagde] wil juist dat [eiseres] uit het gehuurde vertrekt en vordert daarnaast betaling van de huurachterstand.
Wat vindt de kantonrechter?
2.2.
De eisen van [eiseres] en de tegeneisen van [gedaagde] worden vanwege de samenhang gezamenlijk beoordeeld. De eisen van [eiseres] worden afgewezen en die van [gedaagde] toegewezen, met uitzondering van de eis van [gedaagde] om de veroordeling tot ontruiming uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Hierna wordt uitgelegd waarom.
2.3.
[gedaagde] heeft als meest vergaand verweer tegen de vordering van [eiseres] aangevoerd dat [eiseres] niet ontvankelijk moet worden verklaard, omdat er ten tijde van het overlijden van [persoon A] geen medebewoners waren. Vast staat dat [eiseres] zich pas na het overlijden van [persoon A] bij de [gemeente] heeft laten inschrijven in het gehuurde. [gedaagde] heeft echter niet betwist dat [eiseres] , zoals zij op de zitting heeft toegelicht, op het moment van overlijden van [persoon A] feitelijk al enige tijd met hem samenwoonde in het gehuurde en daarmee de medebewoner van het gehuurde is geworden. [eiseres] kan daarom ontvangen worden in haar vordering.
2.4.
Artikel 7:268 lid 2 BW biedt de persoon die geen medehuurder is, maar die zijn hoofdverblijf wel in het gehuurde heeft en die met de overleden huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd, de mogelijkheid om de huur voort te zetten gedurende zes maanden na het overlijden van de huurder. Als hij de huur ook na deze periode wil voortzetten (en de verhuurder daarmee niet instemt) kan hij binnen die periode van zes maanden een daarop gerichte vordering instellen bij de kantonrechter.
2.5.
In artikel 7:268 lid 3 BW staan de voorwaarden waaraan [eiseres] moet voldoen om de huur te mogen voortzetten, te weten:
( a) zij moet haar hoofdverblijf in de woning hebben en met de overleden huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd;
( b) zij moet voldoende waarborg bieden voor de betaling van de huur, en;
( c) als het gaat om een woning waarvoor op grond van de gemeentelijke huisvestingsverordening een huisvestingsvergunning nodig is, moet zij in de procedure bij de kantonrechter een huisvestingsvergunning overleggen.
De kantonrechter moet de vordering om voortzetting van de huur afwijzen als niet aan deze drie voorwaarden is voldaan.
2.6.
Naar het oordeel van de kantonrechter is niet voldaan aan de voorwaarde dat [eiseres] met [persoon A] een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd. Bij de beoordeling of sprake is van een gemeenschappelijke huishouding moeten volgens vaste rechtspraak alle omstandigheden van het geval in onderling verband worden gewaardeerd. Daarbij kan mede van belang zijn of de huurder en de medebewoner (i) gezamenlijk voorzien in de kosten van de huisvesting en/of de kosten van levensonderhoud (financiële verwevenheid), (ii) gezamenlijk huishoudelijke taken verrichten, (iii) gezamenlijk de maaltijden bereiden en gebruiken, (iv) gezamenlijk invulling geven aan de vrije tijd en (v) gezamenlijk deelnemen aan het sociaal verkeer. Er is een zekere wederkerigheid nodig. Het delen van de huisvestingskosten of de kosten van levensonderhoud is geen voorwaarde voor het bestaan van een gemeenschappelijke huishouding. Als hier geen sprake van is, dan kunnen de hiervoor genoemde andere omstandigheden de huishouding toch gemeenschappelijk maken. Degene die een beroep doet op een gemeenschappelijke huishouding (in dit geval [eiseres] ) heeft een verzwaarde stelplicht. Als de verhuurder betwist dat sprake was van een gemeenschappelijke huishouding, moet de medebewoner voldoende concrete feiten over de gemeenschappelijke huishouding aanvoeren.
2.7.
[eiseres] heeft aangevoerd dat er sprake was van financiële verstrengeling tussen haar en [persoon A] en dat zij ombeurten uitgaven zoals boodschappen deden. Een verdere onderbouwing waaruit de gemeenschappelijkheid van het huishouden kan blijken, heeft [eiseres] echter niet gegeven. De kantonrechter acht hetgeen [eiseres] heeft aangevoerd, gelet ook op de verzwaarde stelplicht waaraan zij moet voldoen, onvoldoende om aan te nemen dat sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Op de zitting heeft [eiseres] toegelicht dat zij in april 2024 met [persoon A] is gaan samenwonen vanwege diens slechte gezondheid en dat zij tot die tijd een andere woning huurde. Ook uit deze omstandigheden, waaruit blijkt dat de samenwoning feitelijk slechts twee maanden heeft geduurd en kennelijk was ingegeven vanuit de wens om mantelzorg aan [persoon A] te verlenen, leidt de kantonrechter af dat van een duurzame gemeenschappelijke huishouding geen sprake is geweest.
2.8.
Vast staat verder dat [eiseres] vanaf december 2024 de vergoeding voor het gehuurde niet heeft voldaan en dat de achterstand op het moment van de zitting € 5.902,15 bedroeg. De kantonrechter acht daarom ook voldoende aannemelijk dat [eiseres] onvoldoende waarborg kan bieden voor de betaling van de huur en dus evenmin voldoet aan deze in artikel 7:268 lid 3 BW gestelde voorwaarde.
2.9.
Voor zover [eiseres] met het overleggen van medische informatie over haar gezondheidstoestand nog aanspraak heeft willen maken op voortzetting van de huurovereenkomst gelet op haar persoonlijke omstandigheden, kan ook dit haar niet baten, nu artikel 7:268 BW voor een afweging van die belangen geen ruimte biedt. De conclusie moet luiden dat de eisen van [eiseres] moeten worden afgewezen, nu zij niet aan de voorwaarden voor voortzetting van de huurovereenkomst voldoet.
2.10.
Uit het voorgaande volgt dat de tegeneis van [gedaagde] om [eiseres] te veroordelen tot ontruiming van het gehuurde, toewijsbaar is. [eiseres] verblijft immers zonder recht of titel in het gehuurde. De kantonrechter bepaalt de ontruimingstermijn op veertien dagen na betekening van het vonnis.
2.10.
[eiseres] zal daarnaast worden veroordeeld om de achterstand in de gebruiksvergoeding, die tot het moment van de zitting € 5.902,15 bedroeg, aan [gedaagde] te betalen, vermeerderd met de rente als hierna vermeld. Ook de eis van [gedaagde] dat [eiseres] vanaf september 2025 tot het moment dat zij het gehuurde verlaat de gebruiksvergoeding van € 714,90 vermeerderd met rente moet voldoen, zal worden toegewezen, nu [eiseres] de verschuldigdheid en de hoogte daarvan niet heeft weersproken.
[eiseres] moet de proceskosten betalen
2.11.
De proceskosten komen voor rekening van [eiseres] , omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [eiseres] in conventie aan [gedaagde] moet betalen op € 408,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 204,00). De kantonrechter begroot de kosten die [eiseres] in reconventie aan [gedaagde] moet betalen op € 339,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 x ½ punt x € 339,00). Voor kosten die [gedaagde] maakt na deze uitspraak moet [eiseres] een bedrag betalen van € 135,00.
Dictum
De kantonrechter:
in conventie
3.1.
wijst de vorderingen af;
in reconventie
3.2.
veroordeelt [eiseres] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de woning aan [adres] te [plaats] te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [eiseres] bevinden en de woning met alle sleutels ter beschikking van [gedaagde] te stellen;
3.3.
veroordeelt [eiseres] aan [gedaagde] te betalen € 5.902,15 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de vervaldata van de termijnen tot de dag dat volledig is betaald;
3.4.
veroordeelt [eiseres] om vanaf september 2025 tot en met de dag waarop de ontruiming plaatsvindt aan [gedaagde] te betalen € 714,90 per maand met de verhoging die is toegestaan, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de vervaldata van de termijnen tot de dag dat volledig is betaald;
in conventie en in reconventie
3.5.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde] worden begroot op € 882,00;
3.6.
verklaart onderdeel 3.3. tot en met 3.5. van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.7.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. F. Aukema-Hartog en in het openbaar uitgesproken.
45830