Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-09-11
ECLI:NL:RBROT:2025:10993
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
893 tokens
=== VOLLEDIG ===
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/10649
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 september 2025 in de zaak tussen
[eiser], uit Rotterdam, eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam
(gemachtigde: mr. S. Ercan).
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen een afwijzing van zijn verzoek om het toekennen van een bestuurlijke dwangsom.
2. De rechtbank heeft het beroep van eiser op 11 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van het college. Eiser is zonder kennisgeving vooraf niet verschenen. Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
3. De rechtbank is van oordeel dat het verzoek terecht is afgewezen. De brief van eiser aan verweerder van 29 april 2024 is geen aanvraag in de zin van de Algemene wet bestuursrecht waar het college op had moeten beslissen. Het verzoek om ‘dienstverlening’ wat eiser heeft gedaan, is onvoldoende bepaald en daarin is geen verzoek te lezen om een besluit te nemen. Het college heeft eiser nog de kans geboden om duidelijk te maken wat hij precies verwacht van het college, maar eiser heeft nagelaten daarop te reageren. Omdat er geen sprake is van een aanvraag, is er geen dwangsom verbeurd.
4. Eiser heeft inmiddels een aantal keer beroep ingesteld tegen het niet toekennen van een dwangsom waarbij zijn verzoek aan verweerder onduidelijk was en geoordeeld is dat er geen sprake was van een aanvraag. Door niet op de zitting te verschijnen, heeft de rechtbank niet met eiser kunnen bespreken wat hij met dit soort verzoeken beoogt te bereiken. De rechtbank zal bij eventuele volgende soortgelijke zaken misbruik van recht aannemen en het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser de bestuurlijke dwangsom niet krijgt. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
6. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Dit proces-verbaal is vastgesteld door mr. A.C. Rop, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Blokhuis, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met de uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 28 februari 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:2639, van 16 april 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:4483 en van 16 juli 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:8380.