Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-06-05
ECLI:NL:RBROT:2025:10604
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
2,882 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Team familie
Zaak-/rekestnummer: C/10/698095 / FA RK 25-3003
Beschikking van 5 juni 2025 betreffende een schadevergoeding als bedoeld in artikel 44 van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten (hierna: Wzd)
op verzoek van:
[verzoeker]
,
geboren op [geboortedatum] 1981, [geboorteplaats] ,
hierna: verzoeker,
wonende te [plaats 1] ,
op dit moment verblijvende in [zorgaanbieder 1] te [plaats 2] ,
advocaat mr. S.E.M. Hooijman te Rotterdam.
tegen:
de [gemeente],
hierna: verweerder.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift van verzoeker met bijlagen, ontvangen op 16 april 2025;
het verweerschrift van verweerder, ontvangen op 2 mei 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 15 mei 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen:
verzoeker met zijn hiervoor genoemde advocaat;
mr. R. Duivenvoorde, vertegenwoordiger van verweerder.
Feiten
2.1.
Op 9 april 2025 is door [persoon A] een medische verklaring als bedoeld in artikel 30 Wzd over verzoeker opgesteld. Daarbij is de naam, geboortedatum en het BSN-nummer van verzoeker gebruikt. De onderliggende informatie en de verblijfplaats vermeld in de medische verklaring betreffen echter een geheel andere persoon. De persoonsgegevens van verzoeker zijn onbedoeld in de medische verklaring gebruikt.
2.2.
De burgemeester van verweerder (hierna: burgemeester) heeft op 9 april 2025 op basis van deze medische verklaring een inbewaringstelling gelast ten aanzien van verzoeker op grond van artikel 29 Wzd.
3Verzoek en verweer
3.1.
Verzoeker stelt dat de burgemeester de wet niet in acht heeft genomen bij het gelasten van een inbewaringstelling en hij verzoekt de rechtbank een schadevergoeding toe te kennen op grond van artikel 44 lid 1 Wzd. Verzoeker voert daartoe aan dat zijn persoonsgegevens ten onrechte in de medische verklaring en daarmee in de inbewaringstelling zijn gebruikt. Door het onjuiste gebruik van zijn persoonsgegevens stelt verzoeker immateriële schade wegens privacyschending, bestaande uit spanning en frustratie, te hebben geleden. De inbewaringstelling bevat niet alleen zijn privégegevens, inclusief BSN-nummer, maar ook een medische verklaring waarin vermeld staat dat bij hem sprake was van parkinson en forse agressie. Deze gegevens zijn ook verstrekt aan de zorgaanbieder en de accommodatie en daarmee ook de verzorgenden op de [afdeling] van [zorgaanbieder 2] . Het is voor verzoeker niet duidelijk of al zijn gegevens inmiddels zijn verwijderd, waardoor de onzekerheid blijft. Verzoeker begroot deze immateriële schade op € 500.
3.2.
Verweerder voert gemotiveerd verweer en stelt dat er geen sprake is geweest van een gedwongen opname of verblijf van verzoeker. Daarnaast stelt verweerder dat uit het systeem van de Wzd niet volgt dat een enkele naamsverwarring leidt tot het oordeel dat de Wzd niet in acht is genomen. Tot slot stelt verweerder dat de administratieve vergissing die heeft geleid tot de naamsverwarring is hersteld door de gegevens van verzoeker te verwijderen.
Beoordeling
Gelasten inbewaringstelling
4.1.
Allereerst moet worden vastgesteld of bij het gelasten van de inbewaringstelling de wet niet in acht is genomen, zoals artikel 44 lid 1 Wzd vereist. De rechtbank volgt niet het standpunt van verweerder dat de door het gebruik van de verkeerde persoonsgegevens ontstane verwarring zeer ongelukkig is, maar dat dit er niet toe leidt dat de wet niet in acht is genomen zoals bedoeld in artikel 44 lid 1 Wzd. De rechtbank overweegt het volgende. Voor het gelasten van een inbewaringstelling moet worden voldaan aan de eisen zoals gesteld in artikel 29 lid 2 Wzd. Nu vast staat dat bij verzoeker geen sprake was van de in de medische verklaring gestelde psychogeriatrische aandoening of het ernstig nadeel dat daaruit voortkomt, is naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan aan de eisen van dit artikel. Dit betekent dat de inbewaringstelling is gelast zonder te voldoen aan de formele eisen die de Wzd voorschrijft. De rechtbank is om die reden van oordeel dat bij het gelasten van de inbewaringstelling de wet niet in acht is genomen.
4.2.
De rechtbank is daarbij van oordeel dat deze fout kan worden toegerekend aan de burgemeester. Gebleken is dat de medische verklaring de naam, de geboortedatum en het BSN-nummer van verzoeker bevatte. De verblijfplaats op de medische verklaring was echter niet de verblijfplaats van verzoeker. Dat de burgemeester niet degene is die de gegevens heeft aangedragen, zoals verweerder betoogt, betekent niet dat aan de onafhankelijk psychiater die de medische verklaring heeft opgesteld, kan worden toegerekend dat dezelfde gegevens in de inbewaringstelling zijn opgenomen. Naar het oordeel van de rechtbank is het aan de burgemeester om deze gegevens te controleren. De controle hierop ligt naar het oordeel van de rechtbank in de verantwoordelijkheidssfeer van de burgemeester.
Hoogte van de schadevergoeding
4.3.
Op grond van artikel 44 lid 1 Wzd kent de rechter een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding toe. De rechtbank houdt bij de vaststelling van de hoogte van de schadevergoeding rekening met de ernst van de normschending en vooral met de gevolgen hiervan voor verzoeker.
4.4.
In beginsel is het reguliere aansprakelijkheidsrecht van toepassing. Verzoeker moet stellen dat hij schade heeft geleden en dat er een causaal verband bestaat tussen zijn schade en de normschending. De wetgever heeft met artikel 44 Wzd een laagdrempelige regeling in de wet opgenomen ten aanzien van een verzoek om schadevergoeding door een belanghebbende. Om die reden stelt de rechtbank geen al te hoge eisen aan het bewijs van schade, zolang er maar enige onderbouwing is en voldoende aannemelijk is dat er schade is.
4.5.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verzoeker voldoende onderbouwd dat hij door de onzekerheid over het wel of niet verwijderen van de gegevens immateriële schade heeft geleden. Tegen deze achtergrond kan worden overgegaan tot het toekennen van een schadevergoeding.
4.6.
De rechtbank weegt het ontbreken van initiatief aan de kant van de gemeente mee. De burgemeester heeft – na het ontdekken van de administratieve fout – de gegevens van verzoeker verwijderd uit de systemen van de gemeente. Ook zijn de gegevens volgens verweerder uit Khonraad verwijderd. De persoonsgegevens van verzoeker zijn echter ook in de systemen van de zorgaanbieder en de accommodatie beland. Tijdens de mondelinge behandeling zegt verweerder dat hierover wel met de zorgaanbieder is gesproken, maar dat verweerder niet kan bevestigen dat de gegevens ook uit deze systemen verwijderd zijn. Uit de aard van de Wzd en de Wvggz volgt dat hoge eisen worden gesteld aan de rechtsbescherming van deze kwetsbare doelgroep. Ook bij administratieve vergissingen acht de rechtbank het onjuist om de verantwoordelijkheid voor het benaderen van de zorgaanbieder en de accommodatie bij verzoeker (of zijn advocaat) neer te leggen, zoals door verweerder is betoogd. De burgemeester had zich naar het oordeel van de rechtbank ervoor in moeten spannen om een bevestiging van de zorgaanbieder te verkrijgen dat de gegevens van verzoeker bij de zorgaanbieder en de accommodatie zijn verwijderd en hiervan verslag te doen aan verzoeker.
4.7.
Onlangs zijn de Oriëntatiepunten voor schadevergoeding in verplichte zorgzaken (hierna: de oriëntatiepunten) van het Landelijk Overleg Vakinhoud Familierecht (LOVF) op www.rechtspraak.nl gepubliceerd. De oriëntatiepunten bieden een handvat, waarvan kan worden afgeweken als omstandigheden van de zaak daartoe aanleiding geven.
4.8.
In het voorliggende geval is de inbewaringstelling niet ten uitvoer gelegd en is er dus geen sprake geweest van een gedwongen opname of verblijf. Een schadevergoeding van € 500,- acht de rechtbank dan ook niet billijk. Wel heeft de burgemeester in dit geval naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende zorgvuldig gehandeld bij het uitvoeren van zijn taak. Daarbij heeft de burgemeester zich na de ontdekking van de fout onvoldoende kenbaar ingespannen om de gevolgen van de fout te herstellen.
4.9.
De rechtbank ziet dan ook aanleiding om aan te sluiten bij de situatie in de oriëntatiepunten waarin de zorgvuldigheidseisen bij het nemen van een beslissing tot verplichte zorg zijn geschonden, In de oriëntatiepunten wordt voor deze situatie een bedrag van € 15,- tot € 20,- per keer genoemd. Vanwege het eerder genoemde oordeel dat sprake is van een gebrek in de zorgvuldigheidseisen is de rechtbank van oordeel dat een bedrag van € 20,- per keer redelijk en billijk is.
Proceskosten
4.10.
Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.
Dictum
De rechtbank:
5.1.
veroordeelt verweerder tot betaling van een bedrag van € 20,- aan verzoeker;
5.2.
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.4.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. L. Berghuis-Knijff, rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. Z.P. van der Knaap, griffier op 5 juni 2025.
Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden voor het instellen van hoger beroep.