Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-05-22
ECLI:NL:RBROT:2025:10591
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Kort geding
4,984 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11654162 VV EXPL 25-214
datum uitspraak: 22 mei 2025
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres]
, die handelt onder de naam [handelsnaam] ,
woonplaats: [plaats] ,
eiseres,
gemachtigde: mr. W. Suttorp,
tegen
[gedaagde]
,
woonplaats: [plaats] ,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘ [handelsnaam] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
[handelsnaam] heeft op 24 april 2025 [gedaagde] gedagvaard.
1.2.
Op 8 mei 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken met [persoon A] en mr. Suttorp en met [gedaagde] .
Beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2.1.
[handelsnaam] eist in kort geding, na eiswijziging ter zitting, dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot ontruiming van de woning aan [adres] te [plaats] en tot betaling van € 1.095,- per maand tot het tijdstip van de ontruiming, met rente.
Wat vindt de kantonrechter hiervan?
Inleiding
2.2.
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat [handelsnaam] heeft bij toewijzing van de eis worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor [gedaagde] als deze uitspraak later wordt teruggedraaid.
Ontruiming woning
2.3.
De kantonrechter wijst de eis toe en veroordeelt [gedaagde] tot ontruiming van de woning, want [handelsnaam] heeft hierbij een spoedeisend belang en aannemelijk is dat de eis ook in een gewone procedure wordt toegewezen. De kantonrechter vindt ook dat [handelsnaam] aannemelijk heeft gemaakt dat haar belang bij toewijzing van de eis, zwaarder weegt dan het belang van [gedaagde] bij afwijzing ervan. De ontruimingstermijn wordt gesteld op veertien dagen na betekening van dit vonnis.
2.4.
De reden voor dit oordeel is dat [gedaagde] sinds 14 februari 2025 zonder recht of titel verblijft in de woning aan [adres] te [plaats] . Op die datum is zijn tijdelijke huurovereenkomst namelijk geëindigd. De overeenkomst is aangegaan voor de periode van 18 maart 2024 tot 14 februari 2025 en vermeld is dat de overeenkomst na afloop niet zou worden voortgezet. Dat laatste heeft [handelsnaam] ook tijdig aan [gedaagde] meegedeeld bij brief van 2 januari 2025. [gedaagde] heeft bevestigd die brief te hebben ontvangen. Zodoende heeft [handelsnaam] bijna anderhalve maand vóór het verstrijken van de tijd waarvoor de huurovereenkomst is aangegaan [gedaagde] hierover geïnformeerd. Daarmee heeft [handelsnaam] voldaan aan de op de huurovereenkomst toepasselijke wetgeving over tijdelijke huur, namelijk het bepaalde in artikel 7:228 lid 1 BW gelezen in samenhang met artikel 7:271 lid 1, aanhef en onder b, BW zoals laatstgenoemd artikel luidde vóór 1 juli 2024, zodat de huurovereenkomst op 14 februari 2025 is geëindigd. Dat [gedaagde] er desondanks rekening mee hield dat de huurovereenkomst wel zou worden voortgezet leidt niet tot een ander oordeel.
2.5.
Zowel in de brief van 2 januari 2025 als nadien via WhatsApp heeft [handelsnaam] aan [gedaagde] te kennen gegeven dat hij de woning dient op te leveren. Dat is hem ook nog na 14 februari 2025 meegedeeld. Vervolgens heeft [handelsnaam] bij brief van 10 april 2025 gesommeerd om de woning uiterlijk op 18 april te ontruimen en op te leveren, maar [gedaagde] heeft dat niet gedaan. Daarmee is het spoedeisend belang gegeven voor de eis om een einde te maken aan het verblijf van [gedaagde] in de woning.
2.6.
[handelsnaam] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat haar belang bij ontruiming van de woning zwaarder weegt dan het belang van [gedaagde] om de woning niet te hoeven ontruimen gelet op hetgeen in 2.4 en 2.5 is overwogen. [handelsnaam] heeft nu geen huurovereenkomst met [gedaagde] , maar voortdurend feitelijk verblijf in een woning na het eindigen van een huurovereenkomst kan op den duur weer leiden tot rechtmatig verblijf, met het ongewilde gevolg voor [handelsnaam] van beperking van haar beschikkingsrecht over de woning, wat zij uitdrukkelijk niet wil. [gedaagde] heeft ook verklaard dat hij wist dat hij de woning op de overeengekomen datum moest verlaten bij aanvang huurovereenkomst en na de aanzegging. Onderkend wordt dat het door schaarste op de (huur)woningmarkt niet gemakkelijk kan zijn om passende woonruimte te vinden, maar dat geldt voor velen en levert tegenover [handelsnaam] geen goede reden op om, in weerwil van wat partijen zijn overeengekomen en waar [handelsnaam] [gedaagde] aan wil houden, het verblijf van [gedaagde] in de woning te laten voortduren. Niet wordt onderschreven het standpunt van [gedaagde] dat [handelsnaam] hem eerder had moeten informeren over het eindigen van de huurtermijn zodat hij meer tijd zou hebben gehad een andere woning te vinden. Zoals vermeld is dit tijdig conform de geldende wetgeving gebeurd. Daarbij komt dat [handelsnaam] niet meteen na 14 februari 2025 tot dagvaarden is overgegaan, maar [gedaagde] nog enige tijd heeft gegund om andere woonruimte te vinden. Sinds 2 januari 2025 zijn inmiddels ruim vier maanden verstreken, maar [gedaagde] is nog steeds niet uit de woning vertrokken.
2.7.
[gedaagde] heeft nog aangevoerd dat zijn twee kinderen bij hem in de woning verblijven, maar dit maakt voormeld oordeel niet anders. Een gedwongen vertrek uit de woning zou weliswaar invloed hebben op het (gezins)leven van [gedaagde] en zijn kinderen, zeker als er nog geen vervangende huisvesting is, maar [gedaagde] wist al bij aanvang van de huur dat dit moment zou kunnen gaan komen. Dat de kinderen naar school gaan maakt niet dat dit uitsluitend kan vanuit de onderhavige woning. Er rustte en rust op [handelsnaam] geen (positieve) verplichting om de bewoning te blijven faciliteren door verlenging van de huurovereenkomst of door een nieuwe huurovereenkomst aan te gaan met [gedaagde] . Verder is van belang dat de zorg voor het verblijf en het welzijn van de kinderen primair rust op [gedaagde] als ouder en dat [handelsnaam] als privaatrechtelijke rechtspersoon zich dit niet hoeft aan te trekken op een wijze die zij niet zelf wil. De vordering tot ontruiming van de woning wordt daarom toegewezen. De ontruimingstermijn wordt gesteld op veertien dagen na betekening van dit vonnis.
2.8.
De gevraagde machtiging om de ontruiming zelf uit te laten voeren, zo nodig met hulp van de politie, wordt afgewezen. De deurwaarder heeft die niet nodig (artikel 556 en 557 Rv).
Betaling
2.9.
De kantonrechter wijst ook de eis toe om [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan [handelsnaam] van € 1.095,- per maand tot het tijdstip van de ontruiming, met de rente zoals gevorderd. De eis is niet betwist en [handelsnaam] heeft ter zitting naar voren gebracht dat [gedaagde] de huur niet telkens ineens maar in delen betaalt en dat de huur voor de maand mei 2025 nog niet volledig is voldaan.
Proceskosten
2.10.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter stelt die kosten vast op € 120,21 aan dagvaardingskosten, € 135,- aan griffierecht, € 543,- aan salaris voor de gemachtigde en € 135,- aan nakosten. Dat is in totaal € 933,21. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Uitvoerbaar bij voorraad
2.11.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [handelsnaam] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na de datum waarop dit vonnis is betekend de woning aan [adres] te [plaats] te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege hem bevinden en het gehuurde met alle sleutels ter beschikking van [handelsnaam] te stellen;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] om vanaf de maand mei 2025 tot en met de dag waarop de ontruiming plaatsvindt aan [handelsnaam] te betalen € 1.095,- per maand, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag steeds vanaf de eerste van iedere maand tot de dag dat volledig is betaald;
3.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [handelsnaam] worden vastgesteld op € 933,21;
3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.K. Rapmund en in het openbaar uitgesproken.
465
Bij inwerkingtreding van de Wet vaste huurcontracten is ook artikel 208ha van de Overgangswet NBW gewijzigd. Art. 7:271 lid 1 zoals dat luidde voor 1 juli 2024, blijft op grond van het gewijzigde artikel van toepassing op huurovereenkomsten die voor 1 juli 2024 zijn gesloten.
Art. 8 EVRM
Art. 3 IVRK
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11654162 VV EXPL 25-214
datum uitspraak: 22 mei 2025
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres]
, die handelt onder de naam [handelsnaam] ,
woonplaats: [plaats] ,
eiseres,
gemachtigde: mr. W. Suttorp,
tegen
[gedaagde]
,
woonplaats: [plaats] ,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘ [handelsnaam] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
[handelsnaam] heeft op 24 april 2025 [gedaagde] gedagvaard.
1.2.
Op 8 mei 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken met [persoon A] en mr. Suttorp en met [gedaagde] .
Beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2.1.
[handelsnaam] eist in kort geding, na eiswijziging ter zitting, dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot ontruiming van de woning aan [adres] te [plaats] en tot betaling van € 1.095,- per maand tot het tijdstip van de ontruiming, met rente.
Wat vindt de kantonrechter hiervan?
Inleiding
2.2.
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat [handelsnaam] heeft bij toewijzing van de eis worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor [gedaagde] als deze uitspraak later wordt teruggedraaid.
Ontruiming woning
2.3.
De kantonrechter wijst de eis toe en veroordeelt [gedaagde] tot ontruiming van de woning, want [handelsnaam] heeft hierbij een spoedeisend belang en aannemelijk is dat de eis ook in een gewone procedure wordt toegewezen. De kantonrechter vindt ook dat [handelsnaam] aannemelijk heeft gemaakt dat haar belang bij toewijzing van de eis, zwaarder weegt dan het belang van [gedaagde] bij afwijzing ervan. De ontruimingstermijn wordt gesteld op veertien dagen na betekening van dit vonnis.
2.4.
De reden voor dit oordeel is dat [gedaagde] sinds 14 februari 2025 zonder recht of titel verblijft in de woning aan [adres] te [plaats] . Op die datum is zijn tijdelijke huurovereenkomst namelijk geëindigd. De overeenkomst is aangegaan voor de periode van 18 maart 2024 tot 14 februari 2025 en vermeld is dat de overeenkomst na afloop niet zou worden voortgezet. Dat laatste heeft [handelsnaam] ook tijdig aan [gedaagde] meegedeeld bij brief van 2 januari 2025. [gedaagde] heeft bevestigd die brief te hebben ontvangen. Zodoende heeft [handelsnaam] bijna anderhalve maand vóór het verstrijken van de tijd waarvoor de huurovereenkomst is aangegaan [gedaagde] hierover geïnformeerd. Daarmee heeft [handelsnaam] voldaan aan de op de huurovereenkomst toepasselijke wetgeving over tijdelijke huur, namelijk het bepaalde in artikel 7:228 lid 1 BW gelezen in samenhang met artikel 7:271 lid 1, aanhef en onder b, BW zoals laatstgenoemd artikel luidde vóór 1 juli 2024, zodat de huurovereenkomst op 14 februari 2025 is geëindigd. Dat [gedaagde] er desondanks rekening mee hield dat de huurovereenkomst wel zou worden voortgezet leidt niet tot een ander oordeel.
2.5.
Zowel in de brief van 2 januari 2025 als nadien via WhatsApp heeft [handelsnaam] aan [gedaagde] te kennen gegeven dat hij de woning dient op te leveren. Dat is hem ook nog na 14 februari 2025 meegedeeld. Vervolgens heeft [handelsnaam] bij brief van 10 april 2025 gesommeerd om de woning uiterlijk op 18 april te ontruimen en op te leveren, maar [gedaagde] heeft dat niet gedaan. Daarmee is het spoedeisend belang gegeven voor de eis om een einde te maken aan het verblijf van [gedaagde] in de woning.
2.6.
[handelsnaam] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat haar belang bij ontruiming van de woning zwaarder weegt dan het belang van [gedaagde] om de woning niet te hoeven ontruimen gelet op hetgeen in 2.4 en 2.5 is overwogen. [handelsnaam] heeft nu geen huurovereenkomst met [gedaagde] , maar voortdurend feitelijk verblijf in een woning na het eindigen van een huurovereenkomst kan op den duur weer leiden tot rechtmatig verblijf, met het ongewilde gevolg voor [handelsnaam] van beperking van haar beschikkingsrecht over de woning, wat zij uitdrukkelijk niet wil. [gedaagde] heeft ook verklaard dat hij wist dat hij de woning op de overeengekomen datum moest verlaten bij aanvang huurovereenkomst en na de aanzegging. Onderkend wordt dat het door schaarste op de (huur)woningmarkt niet gemakkelijk kan zijn om passende woonruimte te vinden, maar dat geldt voor velen en levert tegenover [handelsnaam] geen goede reden op om, in weerwil van wat partijen zijn overeengekomen en waar [handelsnaam] [gedaagde] aan wil houden, het verblijf van [gedaagde] in de woning te laten voortduren. Niet wordt onderschreven het standpunt van [gedaagde] dat [handelsnaam] hem eerder had moeten informeren over het eindigen van de huurtermijn zodat hij meer tijd zou hebben gehad een andere woning te vinden. Zoals vermeld is dit tijdig conform de geldende wetgeving gebeurd. Daarbij komt dat [handelsnaam] niet meteen na 14 februari 2025 tot dagvaarden is overgegaan, maar [gedaagde] nog enige tijd heeft gegund om andere woonruimte te vinden. Sinds 2 januari 2025 zijn inmiddels ruim vier maanden verstreken, maar [gedaagde] is nog steeds niet uit de woning vertrokken.
2.7.
[gedaagde] heeft nog aangevoerd dat zijn twee kinderen bij hem in de woning verblijven, maar dit maakt voormeld oordeel niet anders. Een gedwongen vertrek uit de woning zou weliswaar invloed hebben op het (gezins)leven van [gedaagde] en zijn kinderen, zeker als er nog geen vervangende huisvesting is, maar [gedaagde] wist al bij aanvang van de huur dat dit moment zou kunnen gaan komen. Dat de kinderen naar school gaan maakt niet dat dit uitsluitend kan vanuit de onderhavige woning. Er rustte en rust op [handelsnaam] geen (positieve) verplichting om de bewoning te blijven faciliteren door verlenging van de huurovereenkomst of door een nieuwe huurovereenkomst aan te gaan met [gedaagde] . Verder is van belang dat de zorg voor het verblijf en het welzijn van de kinderen primair rust op [gedaagde] als ouder en dat [handelsnaam] als privaatrechtelijke rechtspersoon zich dit niet hoeft aan te trekken op een wijze die zij niet zelf wil. De vordering tot ontruiming van de woning wordt daarom toegewezen. De ontruimingstermijn wordt gesteld op veertien dagen na betekening van dit vonnis.
2.8.
De gevraagde machtiging om de ontruiming zelf uit te laten voeren, zo nodig met hulp van de politie, wordt afgewezen. De deurwaarder heeft die niet nodig (artikel 556 en 557 Rv).
Betaling
2.9.
De kantonrechter wijst ook de eis toe om [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan [handelsnaam] van € 1.095,- per maand tot het tijdstip van de ontruiming, met de rente zoals gevorderd. De eis is niet betwist en [handelsnaam] heeft ter zitting naar voren gebracht dat [gedaagde] de huur niet telkens ineens maar in delen betaalt en dat de huur voor de maand mei 2025 nog niet volledig is voldaan.
Proceskosten
2.10.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter stelt die kosten vast op € 120,21 aan dagvaardingskosten, € 135,- aan griffierecht, € 543,- aan salaris voor de gemachtigde en € 135,- aan nakosten. Dat is in totaal € 933,21. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Uitvoerbaar bij voorraad
2.11.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [handelsnaam] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na de datum waarop dit vonnis is betekend de woning aan [adres] te [plaats] te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege hem bevinden en het gehuurde met alle sleutels ter beschikking van [handelsnaam] te stellen;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] om vanaf de maand mei 2025 tot en met de dag waarop de ontruiming plaatsvindt aan [handelsnaam] te betalen € 1.095,- per maand, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag steeds vanaf de eerste van iedere maand tot de dag dat volledig is betaald;
3.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [handelsnaam] worden vastgesteld op € 933,21;
3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.K. Rapmund en in het openbaar uitgesproken.
465
Bij inwerkingtreding van de Wet vaste huurcontracten is ook artikel 208ha van de Overgangswet NBW gewijzigd. Art. 7:271 lid 1 zoals dat luidde voor 1 juli 2024, blijft op grond van het gewijzigde artikel van toepassing op huurovereenkomsten die voor 1 juli 2024 zijn gesloten.
Art. 8 EVRM
Art. 3 IVRK