Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-04-04
ECLI:NL:RBROT:2025:10396
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
3,375 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Team familie
Zaak-/rekestnummer: C/10/697116 / FA RK 25-2537
Schriftelijke uitwerking van de mondelinge beslissing van 4 april 2025 betreffende de beslissing op het verzoek tot schorsing van de beslissing waartegen de klacht is gericht als bedoeld in artikel 10:9 lid 1 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz)
op verzoek van:
[verzoekster] ,
geboren op [geboortedatum] 1997, [geboorteplaats] ,
hierna: verzoekster,
wonende te [plaats 1] ,
op dit moment verblijvende in [zorgaanbieder] , [locatie] , in [plaats 2] ,
advocaat mr. J.I. Echteld te Gouda.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
[zorgaanbieder] (hierna: zorgaanbieder);
de zorgverantwoordelijke van verzoekster (hierna: zorgverantwoordelijke).
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift van verzoekster met bijlagen, ingekomen op 2 april 2025;
het bericht van de rechtbank aan de zorgaanbieder van 2 april 2025;
het bericht van de zorgaanbieder aan de rechtbank van 3 april 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 4 april 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen:
verzoekster met haar hiervoor genoemde advocaat;
[persoon A] , arts in opleiding tot psychiater, verbonden aan de zorgaanbieder.
Tijdens de mondelinge behandeling zegt verzoekster op een bepaald moment dat zij niet meer bij de mondelinge behandeling wil zijn en loopt weg. De mondelinge behandeling is buiten aanwezigheid van verzoekster voortgezet.
Feiten
2.1.
Bij beschikking van 24 januari 2025 heeft de burgemeester van de [gemeente] ten aanzien van verzoekster een crisismaatregel genomen. Bij beschikking van 29 januari 2025 heeft deze rechtbank ten aanzien van verzoekster een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel verleend, waarin onder meer ‘het beperken van de bewegingsvrijheid’ (hierna: beperking bewegingsvrijheid) en ‘het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, inhoudende de beperking van het gebruik van communicatiemiddelen en het accepteren en nakomen van ambulante behandelafspraken’ (hierna: aanbrengen beperkingen) als vormen van verplichte zorg zijn opgenomen.
2.2.
Op 23 januari 2025 is middels een artikel 8:9 Wvggz-beslissing (hierna: een 8:9-beslissing) door de zorgverantwoordelijke besloten om onder meer beperking bewegingsvrijheid als vorm van verplichte zorg toe te passen. Op 29 januari 2025 is middels een 8:9-beslissing door de zorgverantwoordelijke besloten om onder meer beperking bewegingsvrijheid en aanbrengen beperkingen als vormen van verplichte zorg toe te passen.
2.3.
Bij beschikking van 24 februari 2025 heeft deze rechtbank ten aanzien van
verzoekster tot en met 24 augustus 2025 een zorgmachtiging verleend, waarin beperking bewegingsvrijheid en aanbrengen beperkingen als vormen van verplichte zorg zijn opgenomen.
2.4.
Op 24 februari 2025 is in verband met het verlenen van de zorgmachtiging middels een nieuwe 8:9-beslissing door de zorgverantwoordelijke besloten om onder meer beperking bewegingsvrijheid en aanbrengen beperkingen als vormen van verplichte zorg toe te passen.
2.5.
Verzoekster heeft op 6 maart 2025 klachten ingediend bij de [klachtencommissie] (hierna: de klachtencommissie) tegen de beslissing van de zorgverantwoordelijke om verplichte zorg te gaan verlenen. Deze klachten zagen op de beperking van de bewegingsvrijheid en het aanbrengen beperkingen, deze laatste inhoudende de beperking van het gebruik van communicatiemiddelen.
2.6.
De klachtencommissie heeft op 20 maart 2025 de beslissing op de klachten van verzoekster gegeven en deze op 25 maart 2025 vastgesteld en naar partijen verstuurd. De klachtencommissie heeft de klacht ongegrond verklaard, de klachten op formele eisen gegrond verklaard en het schadevergoedingsverzoek afgewezen.
2.7.
Op 2 april 2025 heeft verzoekster de rechtbank verzocht om een beslissing over de klachten te nemen en om de beslissing waartegen de klachten zich richt, te schorsen.
2.8.
De verplichte zorg die verzoekster op dit moment ontvangt, wordt toegepast op grond van de 8:9-beslissing van 24 februari 2025.
2.9.
Op 2 april 2025 heeft de rechtbank het volgende bericht naar de zorgaanbieder gestuurd: ‘Graag vernemen wij of jullie akkoord gaan met het verzoek om de verplichte zorg te schorsen tot aan de zitting’.
2.10.
Op 3 april 2025 heeft de zorgaanbieder het volgende bericht naar de rechtbank gestuurd: ‘Graag willen we laten weten dat de verplichte zorg niet geschorst kan worden, gelet op het risico voor de fysieke veiligheid van zowel het personeel als de patiënte zelf, afkomstig van haar partner’.
3Verzoek en verweer
3.1.
Kort en zakelijk weergegeven verzoekt verzoekster om de beslissingen waartegen de klachten zijn gericht op grond van artikel 10:9 eerste lid Wvggz te schorsen en de door haar ingediende klachten tegen de beslissingen tot het verlenen van verplichte zorg in de vormen van beperking bewegingsvrijheid en aanbrengen van beperkingen alsnog gegrond te verklaren en aan haar een in goede justitie te bepalen schadevergoeding ten laste van de zorgaanbieder toe te kennen. Zij licht haar verzoek als volgt toe.
3.1.1.
Artikel 8:9 Wvggz onderstreept dat iedere vorm van verplichte zorg met terughoudendheid toegepast moet worden en altijd getoetst moet worden aan de algemene beginselen van proportionaliteit, subsidiariteit, veiligheid en effectiviteit (artikel 2:1 Wvggz). Daarbij zijn de 8:9-beslissingen niet allemaal ondertekend en niet (tijdig) aan verzoekster en de advocaat uitgereikt.
3.1.2.
De zorgverantwoordelijke moet de keuze voor verplichte zorg verantwoorden en duidelijk maken dat met een lichtere interventie niet worden volstaan. De motivering van het ernstig nadeel is in de bestreden beslissingen echter beperkt en gebaseerd op vermoedens. Er wordt geen informatie over veroordelingen overlegd. Om die reden is het moeilijk om de door de zorgverantwoordelijke gemaakte weging te toetsen.
3.1.3.
Verzoekster wil graag af en toe wandelen of een boodschap doen. Er wordt niet duidelijk gemaakt wat het ernstig nadeel is en waarom dit niet zou kunnen. Er bestaat geen risico dat verzoekster weg zal lopen. De inname van de telefoon is niet proportioneel en voldoet niet aan het subsidiariteitsvereiste. Louter het vermoeden dat dit niet goed gaat, mag niet voldoende zijn om haar zo te beperken. Zij heeft haar telefoon nodig voor het contact met haar maatschappelijk werker, bewindvoerder en moeder. Verzoekster mag wel met de afdelingstelefoon bellen, maar stelt dat zij vaak geen gehoor krijgt, de tijd is beperkt en ze hiermee niet kan videobellen. Het belang van verzoekster weegt zo zwaar dat ze op korte termijn gebruik wil maken van haar telefoon en van vrijheden. Verzoekster wordt namelijk wanhopig van deze beperkingen.
3.2.
De zorgaanbieder bepleit gemotiveerd afwijzing van het schorsingsverzoek.
Beoordeling
4.1.
Op grond van artikel 10:7 Wvggz kan een betrokkene, binnen zes weken na de dag waarop de beslissing van de klachtencommissie aan de verzoekster is meegedeeld, een schriftelijk en gemotiveerd verzoekschrift indienen bij de rechter ter verkrijging van een beslissing over de klachten.
4.2.
Op grond van het bepaalde in artikel 10:9 lid 1 Wvggz kan de rechtbank de beslissing waartegen de klacht is gericht, schorsen.
4.3.
Aangezien het verzoekschrift op 2 april 2025 door de rechtbank is ontvangen, is het verzoekschrift tijdig gediend en komt de rechtbank toe aan de inhoudelijke behandeling. Na de indiening heeft de rechtbank bepaald dat het schorsingsverzoek, gelet op de spoedeisendheid, op 4 april 2025 wordt behandeld. Het overige deel wordt op 15 april 2025 op een nader te bepalen locatie en tijdstip behandeld en in zoverre wordt de behandeling dan ook aangehouden,
4.4.
Er worden verschillende 8:9-beslissingen in deze procedure bestreden, maar het schorsingsverzoek kan, naar zijn aard, alleen zien op de laatste. Immers: die laatste beslissing heeft de eerdere vervangen, dus er is geen belang meer bij schorsing van een van de eerdere. De rechtbank beoordeelt in het kader van de schorsing dus alleen de 8:9-beslissing van 24 februari 2025 (hierna: de bestreden beslissing).
4.5.
Bij het beoordelen van het schorsingsverzoek hanteert de rechtbank een terughoudende toets. Schorsing is aan de orde als sprake is van een beslissing die op basis van een voorlopige beoordeling zodanig onredelijk of onbillijk is, dat dit een schorsing rechtvaardigt, of wanneer dat er op het moment van beoordelen een zwaarwegend spoedeisend belang speelt.
4.6.
De rechtbank verwerpt het betoog dat de bestreden beslissing niet voldoet aan de wettelijke uitgangspunten en criteria.
4.6.1.
Uit de bestreden beslissing blijkt dat de zorgaanbieder van de Veiligheidsregio het advies heeft gekregen dat de partner van verzoekster potentieel agressief gedrag kan vertonen. De arts verklaart dat verzoekster in het verleden is misbruikt. Verzoekster heeft volgens de arts gezegd dat zij wil terug wil keren naar haar partner en moet volgens de arts voor haar eigen veiligheid beschermd moet worden. Om te voorkomen dat zij met haar partner kan communiceren, wordt zij beperkt in het gebruik van haar telefoon.
4.6.2.
Tijdens de mondelinge behandeling blijkt dat verzoekster ondanks deze beperking contact weet te krijgen met haar partner. Verzoekster weet dit contact te leggen via de telefoon van medepatiënten, die zelf ook erg kwetsbaar zijn. Verzoekster brengt hen hiermee ook in gevaar. Om die reden neemt begeleiding haar onaangekondigd mee naar buiten voor een wandeling, zodat verzoekster niet met haar partner kan coördineren dat hij naar de kliniek komt. Dit zou de veiligheid van verzoekster en medepatiënten in gevaar brengen.
Tijdens de mondelinge behandeling verklaart de arts ook dat verzoekster gisteren tegen de regels in over de schutting is geklommen en naar haar ex-schoonouders is gegaan. Deze actie was voor de arts onverwacht. Op dit moment heeft de arts er geen vertrouwen in dat met verzoekster afspraken gemaakt kunnen worden over de opgelegde beperkingen.
4.7.
Het ernstig nadeel is in de bestreden beslissing weliswaar beperkt gemotiveerd, maar de rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen dat de beperking van bewegingsvrijheid en de beperking in het gebruik van communicatiemiddelen proportioneel zijn vanwege informatie die door de politie en opsporingsdiensten is verstrekt aan de zorgaanbieder. Gelet op de toelichting van de arts tijdens de mondelinge behandeling is de rechtbank ook van oordeel dat voldoende onderbouwd is dat er op dit moment geen minder ingrijpende mogelijkheden zijn.
4.8.
Al met al is de rechtbank van oordeel dat de bestreden beslissing de terughoudende toets die de rechtbank moet aanleggen, kan doorstaan. Zij wijst het schorsingsverzoek daarom af.
Dictum
De rechtbank:
5.1.
wijst af het verzoek tot schorsing van de bestreden beslissing;
5.2.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot de mondelinge behandeling te houden op 15 april 2025 op een nader te bepalen locatie en een nader te bepalen tijdstip.
Deze beschikking is op 4 april 2025 mondeling gegeven door mr. drs. J. van den Bos, rechter, in tegenwoordigheid van A. Versluis, griffier, en op 18 april 2025 schriftelijk uitgewerkt en getekend.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.