Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-01-14
ECLI:NL:RBROT:2025:1039
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
2,515 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/690475 / JE RK 24-2598
Datum uitspraak: 14 januari 2025
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedatum] 2008 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam 1]
,
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. H.M. Schwab, kantoorhoudende te Rotterdam,
[naam 2]
,
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. M. Nentjes, kantoorhoudende te Rotterdam.
1Het verdere verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de tussenbeschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 12 december 2024 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
- de briefrapportage van de GI, ontvangen op 9 januari 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deur heeft plaatsgevonden op 14 januari 2025. Daarbij waren aanwezig:
de moeder met haar advocaat;
de vader met zijn advocaat;
- twee vertegenwoordigers van de GI, [naam 3] en [naam 4] .
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
Feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft bij [naam opvang] .
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 22 februari 2024 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 25 februari 2025.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 12 december 2024 de machtiging verlengd om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 23 januari 2025.
3Het aangehouden verzoek
3.1.
De GI verzoekt met spoed een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van vier weken. Aansluitend verzoekt de GI een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Op een gedeelte van het verzoek is reeds beslist. Nog beslist dient te worden op het restant van het aansluitende verzoek, te weten de periode tot 22 februari 2025.
4De standpunten
4.1.
De GI handhaaft het verzoek ter zitting en licht het nader toe. De GI maakt zich nog steeds zorgen over het gezinssysteem waarbinnen [minderjarige] lange tijd opgroeide. Er vonden veel incidenten plaats tussen [minderjarige] en de vader. Daarnaast heeft de vader moeite met het sturen van [minderjarige] en gaat [minderjarige] al lange tijd niet naar school. De GI heeft [minderjarige] aangemeld bij Youz voor diagnostiek. Aan de hand van de uitkomsten hiervan moet vervolgens de juiste ondersteuning worden ingezet. Hierbij moet ook worden gelet op [minderjarige] zijn toekomst en wat hij nodig heeft om zijn volwassen leven goed van start te laten gaan. Youz heeft al meerdere keren geprobeerd op huisbezoek te gaan bij de vader, maar zonder succes. Gekeken moet worden of er al ondersteuning in de thuissituatie bij de vader kan starten voordat diagnostiek heeft plaatsgevonden. Het is belangrijk dat er op korte termijn een groot overleg plaatsvindt waarin duidelijkheid wordt gecreëerd voor alle partijen.
4.2.
Namens en door de moeder wordt ter zitting kenbaar gemaakt dat zij een verlenging van de ondertoezichtstelling ziet zitten. Geen van de gestelde doelen zijn het afgelopen jaar bereikt. Er is sprake van veel problematiek en de moeder denkt niet dat een jongerencoach volstaat. [minderjarige] is grenzeloos en doet wat hij zelf wil. Hij heeft een strikte en gestructureerde benadering nodig. De moeder staat niet achter een terugplaatsing bij de vader. Wanneer terugplaatsing aan de orde is, kan zij [minderjarige] opvangen. De moeder vindt het belangrijk dat [minderjarige] weer naar school gaat.
4.3.
Namens en door de vader wordt ter zitting kenbaar gemaakt dat er in de afgelopen elf maanden van de ondertoezichtstelling niets van de grond is gekomen. De vader wil niets liever dan dat [minderjarige] weer bij hem komt wonen, maar heeft een concreet plan en hulpverlening nodig om ervoor te zorgen dat het goed gaat. Tijdens de vorige zitting is besproken dat de GI een plan zou opstellen met concrete doelstellingen voor [minderjarige] en de vader, maar dit is niet gebeurd. De vader weet hierdoor niet wat hem te doen staat. Er wordt aan de vader gevraagd wat hij nodig heeft, maar wat hij nodig heeft is juist iemand die samen met hem kijkt welke stappen gezet moeten worden. De vader wil op korte termijn met de GI in overleg om een heel concreet plan te maken. Daarin moet de focus liggen op het afnemen van een persoonlijkheidsonderzoek bij [minderjarige] , zodat duidelijk wordt hoe [minderjarige] geholpen kan worden. De vader wil dat [minderjarige] zo snel mogelijk weer terug naar huis komt, maar dat kan niet zonder hulpverlening.
Beoordeling
5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding
5.2.
[minderjarige] is lange tijd opgegroeid in de thuissituatie bij zijn vader. Na het escaleren van een ruzie met de vader, is [minderjarige] op 4 december 2024 op de [naam opvang] geplaatst. Hier verblijft hij nog steeds. Zowel [minderjarige] als de vader zien het liefst dat [minderjarige] zo snel mogelijk terugkeert naar huis. Om dit mogelijk te maken is het van belang dat er hulpverlening wordt ingezet in de thuissituatie bij de vader. Ook moet er een persoonlijkheidsonderzoek worden afgenomen bij [minderjarige] . Hoewel dit opgepakt had moeten worden in de afgelopen elf maanden van de ondertoezichtstelling, is dit tot op heden niet gebeurd. Dit maakt dat de prioriteit de komende periode moet liggen bij het afnemen van een persoonlijkheidsonderzoek bij [minderjarige] . Zo kan duidelijk worden wat er nodig is om de situatie blijvend te veranderen. Het uitblijven van hulpverlening heeft ertoe geleid dat een thuisplaatsing van [minderjarige] op dit moment nog niet aan de orde is en [minderjarige] langer op de crisisgroep moet blijven. Dit (langere) verblijf op de crisisplek is geen wenselijke situatie. Gekeken dient te worden welke ondersteuning nu al kan worden ingezet in de thuissituatie bij de vader, zodat [minderjarige] mogelijk naar huis kan zonder dat de uitkomsten van een persoonlijkheidsonderzoek bekend zijn. Het afnemen van een persoonlijkheidsonderzoek is nog steeds van groot belang en hierbij dient de GI de regie te nemen om ervoor te zorgen dat dit zo spoedig mogelijk wordt afgenomen. Verder kan onder andere worden gedacht aan praktische ondersteuning voor [minderjarige] , zoals in de vorm van een jongerencoach.
5.3.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur de ondertoezichtstelling, te weten tot 22 februari 2025;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2025 door mr. A. Verweij, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. A.L. Bottse als griffier, en op schrift gesteld op 23 januari 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.