Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-03-06
ECLI:NL:RBROT:2025:10290
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
6,472 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team jeugd
Parketnummer: 10/232521-24
Parketnummer vordering TUL VV: 10/214380-23
Datum uitspraak: 6 maart 2025
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 2009,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres],
raadsman mr. R.V. Paniagua, advocaat te Rotterdam.
1Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 20 februari 2025.
2Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. K. Broere heeft gevorderd:
bewezenverklaring van het ten laste gelegde;
veroordeling van de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 135 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 120 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar met de bijzondere voorwaarden, zoals geadviseerd door de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (hierna: JBRR);
met opdracht aan JBRR tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen toezicht.
4Waardering van het bewijs
4.1.
Bewijswaardering
4.1.1.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde. De gedragingen die worden genoemd in het eerste gedachtestreepje, het intimideren, zijn niet voldoende concreet. Daarnaast is uit het dossier onvoldoende gebleken dat tussen de verdachte en de medeverdachte sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking gericht op het wegnemen van de ring en de daarop betrekking hebbende gedragingen die in het twee en derde gedachtestreepje worden genoemd. Tot slot dient de verdachte ook te worden vrijgesproken van het laatste gedachtestreepje, omdat enkel de aangever hierover verklaard heeft.
4.1.2.
Beoordeling
Uit de bewijsmiddelen, zoals die in bijlage II zijn uitgewerkt, en gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van de verdachte is de rechtbank van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte - die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering - is komen vast te staan. De verdachte is degene geweest die de aangever heeft geroepen en samen met de medeverdachte op de aangever is afgestapt. Vervolgens heeft de verdachte de telefoon van de aangever gevraagd. Toen het uitloggen niet lukte, heeft de verdachte de telefoon aan de aangever teruggegeven en gevraagd om waardevolle goederen ter compensatie. Nadat de aangever van de verdachte mee moest lopen, heeft hij zijn ring moeten afstaan aan de medeverdachte. De verklaringen van de aangever, zijn vriendin en de beschrijving van de camerabeelden moeten in onderlinge samenhang worden bezien. Daaruit wordt duidelijk dat de verdachte en medeverdachten zodanig dicht bij de aangever stonden dat de verbalisant deze houding omschrijft als intimiderend. Ook is de reactie van de vriendin van de aangever, die emotioneel en verdrietig reageert op de situatie, veelzeggend. De bijdrage van de verdachte is naar het oordeel van de rechtbank gelet op dit alles wezenlijk en van zodanig gewicht dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen van de afpersing. Het verweer wordt dan ook verworpen.
4.1.3.
Conclusie
De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.
4.2.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
hij op of omstreeks 17 juli 2024 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een ring, in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan die [slachtoffer] toebehoorde(n) door
- die [slachtoffer] te intimideren, althans een gevoel van dreiging/onveiligheid bij die [slachtoffer] teweeg te brengen en/of
- aan een ring om de vinger van die [slachtoffer] te trekken en/of
- die [slachtoffer] (dreigend) de woorden toe te voegen: "Geef die ring" en/of die [slachtoffer] te dwingen/gebieden zijn ring af te staan en/of
- die [slachtoffer] te dwingen/gebieden mee te lopen en/of (daarbij) (dreigend) de woorden toe te voegen: "Loop door, want ik heb een mes bij me".
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
5Strafbaarheid feit
Het bewezen feit levert op:
afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.
6Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Motivering
7.1.
Algemene overweging
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
7.2.
Feit waarop de straf is gebaseerd
De toen vijftienjarige verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan beroving van het slachtoffer. Hierbij is geweld gebruikt door aan de vinger van de aangever te trekken om de ring weg te kunnen nemen en is er gedreigd door te zeggen dat er een mes aanwezig was. Het slachtoffer heeft zijn ring moeten afgeven. De verdachte heeft met zijn handelen geen enkel respect gehad voor andermans bezittingen en heeft voor het slachtoffer een bijzonder dreigende situatie gecreëerd. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van feiten zoals deze ook na langere tijd nog veel last kunnen hebben van wat hen is overkomen. Zoals blijkt uit de toelichting op de vordering van een van de benadeelde partij ervaart het slachtoffer nog steeds angstgevoelens, heeft hij last van slaapproblemen en gaat met moeite alleen naar buiten. Daarnaast leveren dit soort feiten, veelal gepleegd op de openbare weg, gevoelens van onveiligheid op in de maatschappij. De verdachte heeft dit met zijn handelen veroorzaakt.
7.3.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
7.3.1.
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 10 september 2024, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor mishandeling en openlijke geweldpleging. Dit weegt in strafverzwarende zin mee.
7.3.2.
Rapportages en verklaring van deskundige op de terechtzitting
De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) schrijft in het rapport over de verdachte van 4 oktober 2024 dat er binnen de verschillende domeinen vaardigheden, geestelijke gezondheid, gezin, schoolgang en de emotieregulatie risicofactoren worden gezien. De verdachte scoort hoog op de risicofactoren die zien op zijn houding en vaardigheden. Van belang is dat er met de verdachte gewerkt wordt aan zijn emotieregulatie en dat er aandacht is voor het vergroten van zijn vaardigheden. De jeugdreclassering kan hem ondersteunen bij de problemen binnen de schoolgang en op termijn mogelijk ook nog systemische hulpverlening inzetten om de gezinsrelaties verder te versterken en mogelijk terug te werken naar een thuisplaatsing. De verdachte ervaart met het hierna te noemen advies de consequenties van zijn handelen in de vorm van een zwaardere stok achter de deur. Door middel van de voorwaarden kan gemonitord worden dat de ingezette interventies ook daadwerkelijk van de grond komen.
De Raad adviseert om aan de verdachte een (deels) voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen met als bijzondere voorwaarden dat de verdachte meewerkt aan begeleid wonen bij Novaa, ter overbrugging tot het vinden van een nieuwe school onderwijs volgt bij Chapter Next, naar school gaat volgens rooster, meewerkt aan behandeling bij De Waag en zich houdt aan een avondklok met elektronische monitoring. Daarnaast adviseert de Raad ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging behorende bij de oplegde werkstraf om de proeftijd te verlengen.
JBRR schrijft in het rapport over de verdachte van 15 februari 2025 dat er vanwege een instabiele thuissituatie van de verdachte inmiddels meerdere vormen van hulpverlening zijn ingezet. Sinds de (over)plaatsing van de verdachte bij Novaa houdt hij zich wisselend aan de schorsingsvoorwaarden. De verdachte vindt het vooral lastig om op tijd thuis en op school te komen. Hiervoor heeft de jeugdreclassering in december 2024 een officiële waarschuwing gegeven. Het is nodig om de verdachte structuur en begeleiding te bieden, zodat hij op tijd thuiskomt, niet van school verzuimt en meewerkt aan behandeling. Op dit moment is de verdachte uit het contact met de behandelaar (De Waag) en komt hij afspraken niet na. De jeugdreclassering zal onderzoeken of een plaatsing van de verdachte binnen een drie-milieus-voorziening passender is.
JBRR adviseert om aan de verdachte een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen met aftrek van de in voorarrest doorgebrachte tijd met een proeftijd van twee jaar en met als bijzondere voorwaarden dat de verdachte meewerkt aan begeleiding door de jeugdreclassering, naar school gaat volgens rooster, meewerkt aan de begeleiding door Chapter Next, meewerkt aan behandeling door De Waag, meewerkt aan begeleid wonen bij Novaa of een soortgelijke instelling en zich houdt aan een contactverbod met het slachtoffer en de medeverdachte. Als sprake is van een vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde werkstraf dan adviseert JBRR de tenuitvoerlegging daarvan.
Op de zitting heeft de deskundige [naam], werkzaam als jeugdreclasseerder bij JBRR het advies toegelicht en verklaard dat de verdachte behandeling nodig heeft. Met de huidige behandelaar bij De Waag ervaart de verdachte geen goede band. Bezien zal moeten worden of behandeling bij De Waag nog mogelijk is of dat er een soortgelijke zorginstantie moet worden gezocht. De jeugdreclassering adviseert om de eerder voorwaardelijk opgelegde werkstraf ten uitvoer te leggen, omdat de verdachte moet leren wat de consequenties van zijn handelen zijn.
7.4.
Conclusie
Gelet op dat wat de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Straf
Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie. Bij de bepaling van de duur van de jeugddetentie heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank ziet hierin aanleiding om een lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie is geëist. Sinds 1 augustus 2024 loopt de verdachte in een schorsing en dat verloopt wisselend. Het lukte de verdachte niet goed om zich aan de avondklok te houden en zijn enkelband tijdig op te laden. Ook baart het de rechtbank zorgen dat de schoolgang van de verdachte moeizaam verloopt. Om de ontwikkeling van de verdachte gunstig te beïnvloeden en de kans op recidive te verkleinen, is noodzakelijk om de verdachte strakke, duidelijke kaders en behandeling te bieden. De rechtbank zal gelet daarop en gezien de adviezen van de Raad en de jeugdreclassering een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk opleggen, met de bijzondere voorwaarden die hierna worden genoemd.
Dadelijke uitvoerbaarheid
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten afpersing in vereniging. Uit de rapportages van de Raad en de jeugdreclassering komt naar voren dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Gelet op de ernst van het feit en deze rapportages, zal de rechtbank bevelen dat de hierna op grond van artikel 77z van het Wetboek van Strafrecht te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 77aa van dit wetboek uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
8Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [benadeelde partij], ter zake van het tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 600,- aan immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente, hoofdelijk en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.1.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie vordert integrale toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, vermeerderd met de wettelijke rente, hoofdelijk en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.2.
Standpunt verdediging
De verdediging verzoekt primair, vanwege de bepleite vrijspraak, om de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.
8.3.
Beoordeling
Vast is komen te staan dat aan de [benadeelde partij] door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Namens de benadeelde partij is ter zitting toegelicht dat de impact van het bewezen verklaarde strafbare feit groot is. De aard en de ernst van de normschending brengt met zich dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon wordt aangenomen. De vordering is door de verdachte niet weersproken en de gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en is daarmee voor toewijzing vatbaar.
Hoofdelijkheid
Nu de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededader de benadeelde partij betalen is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.
Wettelijke rente
De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 17 juli 2024.
Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
8.4.
Conclusie
De verdachte moet de [benadeelde partij] een schadevergoeding betalen van € 600,-, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.
9Vordering tenuitvoerlegging
9.1.
Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd
Bij vonnis van 8 februari 2024 van de meervoudige kamer in deze rechtbank is de verdachte ter zake van openlijke geweldpleging tegen personen en mishandeling veroordeeld voor zover van belang tot een taakstaf bestaande uit een voorwaardelijke werkstraf van 40 uren, met een proeftijd van 2 jaar. De proeftijd is ingegaan op 23 februari 2024.
9.2.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde werkstraf dient te worden toegewezen.
9.3.
Standpunt verdediging
De verdediging stelt zich primair op het standpunt dat, als de rechtbank de verdachte vrijspreekt van het ten laste gelegde, de vordering tot tenuitvoerlegging dient te worden afgewezen. Subsidiair verzoekt de verdediging om de gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde werkstraf, omdat de verdachte het zeer druk heeft en kan worden overvraagd.
9.4.
Beoordeling
Het hierboven bewezen verklaarde feit is na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van het bewezen feit heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.
Daarom zal de tenuitvoerlegging worden gelast van de bij dat vonnis aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke straf.
10Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 317 van het Wetboek van Strafrecht.
11Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
Dictum
De rechtbank:
verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 42 (tweeënveertig) dagen;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie groot 27 (zevenentwintig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt vastgesteld op twee jaren;
tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;
stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;
stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- zich zal melden bij de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond en zich daarna gedurende een door de jeugdreclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) zal blijven melden zolang en zo vaak als de jeugdreclassering noodzakelijk acht;
- naar school zal gaan en zich zal houden aan de regels en afspraken die daar gelden;
- zijn medewerking zal verlenen aan de begeleiding door Chapter Next;
- zal meewerken aan behandeling van De Waag of een soortgelijke instantie;
- zijn medewerking zal verlenen aan een verblijf in een voorziening voor begeleid wonen, te weten Novaa of een soortgelijke instelling;
- gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met de aangever: [aangever], geboren op [geboortedatum 2] 2009 en met de medeverdachte: [medeverdachte], geboren op [geboortedatum 3] 2008;
Van rechtswege zijn de volgende voorwaarden verbonden aan de hierboven genoemde
bijzondere voorwaarden:
- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking
verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als
bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;
- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan jeugdreclasseringstoezicht, daaronder
begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak
en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht;
geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
beveelt dat de gestelde voorwaarden en het aan genoemde jeugdreclasseringsinstelling opgedragen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; de voorlopige hechtenis is bij eerdere beslissing geschorst;
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededader, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de [benadeelde partij], te betalen een bedrag van € 600,- (zegge: zeshonderd euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 17 juli 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededader van de verdachte aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededader de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de [benadeelde partij] te betalen € 600,- (hoofdsom, zegge: zeshonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 juli 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededader, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;
gelast de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen vervangende jeugddetentie, opgelegd bij vonnis van 8 februari 2024 in de zaak met parketnummer 10/214380-23.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. S. Jordaan, voorzitter, tevens kinderrechter,
en mrs. K.T.F. Chocolaad-de Bos en L.W.M. Hendriks, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J.A. Batenburg, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 maart 2025.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
hij op of omstreeks 17 juli 2024 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een ring, in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan die [slachtoffer] toebehoorde(n) door
- die [slachtoffer] te intimideren, althans een gevoel van dreiging/onveiligheid bij die [slachtoffer] teweeg te brengen en/of
- aan een ring om de vinger van die [slachtoffer] te trekken en/of
- die [slachtoffer] (dreigend) de woorden toe te voegen: "Geef die ring" en/of die [slachtoffer] te dwingen/gebieden zijn ring af te staan en/of
- die [slachtoffer] te dwingen/gebieden mee te lopen en/of (daarbij) (dreigend) de woorden toe te voegen: "Loop door, want ik heb een mes bij me".