Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-06-03
ECLI:NL:RBROT:2025:10201
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
4,144 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummers: C/10/684327 / JE RK 24-1806 en C/10/681396 / JE RK 24-1269
Datum uitspraak: 3 juni 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing en omgang
in de zaken van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen de GI,
en
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder, wonende in [plaats 1] ,
bijgestaan door advocaat mr. G.E. van der Pols, kantoorhoudende te Rotterdam,
over
[minderjarige 1]
,
geboren op [geboortedatum 1] 2018 in [geboorteplaats 1] , hierna te noemen [minderjarige 1] ,
en
[minderjarige 2]
,
geboren op [geboortedatum 2] 2019 in [geboorteplaats 2] , hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de vader]
,
hierna te noemen de vader, wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
De kinderrechter merkt de moeder aan als belanghebbende ten aanzien van het verzoek van de GI en de GI als belanghebbende ten aanzien van het verzoek van de moeder.
In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:
De Raad voor de Kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen de Raad.
1Het verdere verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
de beschikking van deze rechtbank van 10 december 2024 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
de briefrapportage van de GI van 21 april 2025, ingekomen bij de rechtbank op 26 mei 2025;
het mailbericht van mr. G.E. van der Pols met bijlagen van 30 mei 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren is voortgezet op 3 juni 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [vertegenwoordiger 1] ;
- een vertegenwoordiger van de GI, [vertegenwoordiger 2] .
1.3.
Aangezien de moeder de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig is, maar wel de Syrische taal, heeft de kinderrechter het verhoor doen plaatsvinden met bijstand van L. Murad, tolk in de hiervoor genoemde taal.
1.4.
De kinderrechter heeft bijzondere toegang verleend aan [persoon A] , de wijkagent
die bij de moeder betrokken is, en [persoon B] , de begeleider van de moeder vanuit Concentrix.
1.5.
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.
Feiten
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven in [gezinshuis] .
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 22 oktober 2024 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 15 juli 2025.
2.4.
De rechtbank heeft bij beschikking van 10 december 2024 de machtiging verlengd [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 15 juni 2025. De beslissing op het verzoek voor het overige is aangehouden tot 1 mei 2025 pro forma.
2.5.
De rechtbank heeft bij diezelfde beschikking van 10 december 2024 een voorlopige omgangsregeling vastgesteld, waarbij de moeder één keer in de twee weken twee uur begeleide omgang zal hebben met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de GI de regie heeft als het gaat om de vormgeving en invulling van die regeling. De beslissing op het verzoek voor het overige is aangehouden tot 1 mei 2025 pro forma.
3De aangehouden verzoeken
Ten aanzien van het verzoek van de GI met zaaknummer: C/10/681396
3.1.
De GI verzoekt een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1]
en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van één jaar. Thans dient nog te
worden beslist op het resterende deel van het verzoek, te weten de periode tot 15 juli 2025.
De GI verzoekt de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI heeft bij voormelde briefrapportage van 21 april 2025 aanvullend verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] om te zetten in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, te weten een gezinshuis.
Ten aanzien van het verzoek van de moeder met zaaknummer: C/10/684327
3.3.
De moeder verzoekt om de regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang vast te stellen of de bestaande regeling te wijzigen, in die zin dat moeder éénmaal per drie weken gedurende vier uur onbegeleid contact heeft met de minderjarige kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
4De standpunten
4.1.
De GI handhaaft het verzoek ter zitting en licht dit als volgt nader toe. Het verwachte KSCD-onderzoek heeft vertraging opgelopen doordat de kinderen onverhoopt overgeplaatst zijn van het pleeggezin naar een gezinshuis. Zolang het advies dat uit dit onderzoek volgt nog niet klaar is, kan het perspectief van de kinderen nog niet bepaald worden. Op dit moment staat er nog één afspraak met de moeder gepland ten behoeve van het onderzoek, waarna een conceptrapport opgesteld zal worden. Dit conceptrapport zal dan besproken worden met de ouders, waarna een conceptadvies volgt dat aan de GI wordt verstrekt. De verwachting is dat dit proces nog zeker twee maanden duurt. Zolang het perspectief van de kinderen nog niet bepaald is, is een verlenging van de machtiging uithuisplaatsing van de kinderen in het belang van de verzorging en opvoeding noodzakelijk. In dit kader maakt de GI de opmerking dat er spoedig een verzoek tot verlenging van de maatregelen ingediend zal worden, nu het voorliggende verlengingsverzoek slechts één maand bedraagt. Ten aanzien van het verzoek van de moeder geeft de GI aan dat de voorlopige omgangsregeling logistiek en financieel erg belastend is voor de moeder, de kinderen, het gezinshuis en de GI. Er zal worden gekeken of een andere partij in het halen en brengen van de kinderen voor de omgang kan voorzien. Ook zal samen met moeder worden gekeken naar of zij tegemoetgekomen kan worden in de reiskosten. Ten slotte brengt de GI - in reactie op de zorgen die de moeder uit over de verzorging van de kinderen - naar voren dat zij in gesprek gaan met de gezinshuisouder, indien er een vermoeden is dat de kinderen niet goed verzorgd worden. De GI geeft echter aan dat de gezinshuisouder de zorg voor de 13 kinderen niet alleen draagt; zij wordt hierin ondersteund door pedagogisch medewerkers. De GI heeft geen zorgen over hoe de kinderen worden verzorgd.
4.2.
De moeder vindt het vervelend dat haar kinderen niet meer bij de pleegmoeder wonen en zijn overgeplaatst naar het gezinshuis in [plaats 2] . Dit is een grote afstand voor de moeder en hierdoor vergen de omgangsmomenten veel van haar en de kinderen, zowel logistiek als financieel. Daarbij zijn de kinderen volgens de moeder tijdens de omgangsmomenten regelmatig onverzorgd. Dit komt doordat er 13 kinderen wonen bij één vrouw en zij de zorg niet aankan. De moeder kan zelf het best haar kinderen opvoeden en hen verzorgen. Verder zijn de gesprekken voor het KSCD-onderzoek erg belastend voor de kinderen. Ondanks dat de omgangsmomenten veel inspanningen eisen, moeten deze inspanningen worden doorgezet, zodat de moeder de band met dee kinderen behoudt. Om deze reden wordt door en namens de moeder verzocht om de voorlopige omgangsregeling door te laten lopen en het verzoek ten aanzien van de omgangsregeling voor het overige aan te houden voor de duur van vier maanden. Er zou dan meer duidelijk moeten zijn over het perspectief van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Ten aanzien van het verzoek tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing wordt door en namens de moeder het volgende naar voren gebracht. Ondanks dat de moeder haar kinderen het liefst thuis zou willen hebben, benoemt de advocaat van de moeder dat zij de noodzaak van het KSCD-onderzoek inziet. De uitkomst van het onderzoek, en daarmee de perspectiefbepaling, heeft prioriteit. De moeder heeft de afgelopen periode hard meegewerkt aan het onderzoek en heeft een goed gevoel over de observaties. In dit kader stemt de moeder in met de verzochte verlenging van de machtiging uithuisplaatsing, tot er meer duidelijk is over het perspectief van de kinderen en ondanks dat zij de kinderen het liefst bij haar thuis wil hebben. De advocaat van de moeder benadrukt dat de moeder sinds de betrokkenheid van de GI enorm is gegroeid. Ook de omgang met de kinderen gaat een stuk beter.
5Het advies van de Raad
5.1.
De Raad ondersteunt het beleid van de GI. Het is van belang dat er een beslissing genomen wordt over de toekomst van de kinderen. In dit kader is het cruciaal dat de uitkomst van het KSCD-onderzoek wordt afgewacht, dat een onafhankelijk en deskundig advies heeft voor de perspectiefbepaling. Het is prettig dat de moeder goed meewerkt aan dit onderzoek.
Beoordeling
Ten aanzien van het verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing (zaaknummer: C/10/681396)
6.1.
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting blijkt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een belast verleden kennen, waarin zij veel instabiliteit en onveiligheid hebben meegemaakt. Zij zijn al twee maal eerder thuisgeplaatst en deze thuisplaatsingen zijn mislukt, waardoor de kinderen weer uit huis moesten worden geplaatst. Er zijn grote zorgen over de opvoedvaardigheden van de ouders en hun mogelijkheden om aan te sluiten bij de opvoedbehoeften van de kinderen. De kinderrechter verwijst in dit verband naar de zorgen zoals deze zijn omschreven in de tussenbeschikking van de rechtbank van 10 december 2024. De uitkomst van het KSCD-onderzoek moet duidelijkheid geven over het perspectief van de kinderen. Het onderzoek heeft door de onverwachte overplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vertraging opgelopen, waardoor er meer tijd nodig is totdat het gereed is. Naar aanleiding van de uitkomsten van het KSCD-onderzoek zal worden bezien wat de vervolgstappen zijn voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Het is positief dat de plaatsing van de kinderen in het gezinshuis goed is verlopen en dat zij daar stabiliteit ervaren. Het is in hun belang dat zij daar de komende tijd blijven, in ieder geval totdat hun perspectief duidelijk is. Gelet op het vorenstaande is de kinderrechter van oordeel dat een verlenging van de machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. Gelet op de omstandigheid dat de kinderen nu in een gezinshuis verblijven zal de kinderrechter de machtiging verlengen als een machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.
Ten aanzien van het verzoek van de moeder tot het vaststellen van een omgangsregeling dan wel de bestaande regeling te wijzigen (zaaknummer: C/10/684327)
6.2.
De huidige, voorlopig bepaalde omgangregeling houdt in dat de kinderen één keer in de twee weken twee uur begeleide omgang hebben met de moeder. Voor er definitief beslist kan worden op het verzoek van de moeder, moet er duidelijkheid zijn over het perspectief van de kinderen en daarmee de uitkomst van het KSCD-onderzoek. Gezien de doelstelling van het KSCD-onderzoek, het onderzoeken van de mogelijkheden van de ouders en in het bijzonder de moeder, om al dan niet aan te kunnen sluiten bij de (opvoed)behoeften van de kinderen, is het van belang dat de omgang plaats blijft vinden. Hoewel partijen het met elkaar erover eens zijn dat de huidige voorlopige omgangsregeling intensieve inspanning vergt van betrokkenen, is de kinderrechter van oordeel dat het voorlopig voortzetten van deze regeling passend en in het belang van de kinderen is.
6.3.
De kinderrechter handhaaft de voorlopige regeling zoals deze is opgenomen in de tussenbeschikking van 10 december 2024 en zal de behandeling van het verzoek voor het overige pro forma aanhouden tot 1 oktober 2025. De moeder wordt verzocht om twee weken vóór de hierna vermelde pro forma datum aan te geven hoe de omgangsregeling verloopt en of het verzoek voor het overige verzochte wordt gehandhaafd.
6.4.
De kinderrechter verklaart de beslissingen uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Dictum
De kinderrechter:
T.a.v. het verzoek met het zaaknummer: C/10/681396:
7.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 15 juli 2025;
T.a.v. het verzoek met zaaknummer: C/10/684327:
7.4.
handhaaft de voorlopige omgangsregeling zoals deze is opgenomen in de tussenbeschikking van de rechtbank van 10 december 2024;
7.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
en alvorens verder te beslissen:
7.3.
houdt ten aanzien van het verzoek met zaaknummer C/10/684327 de beslissing voor het overig verzochte aan en bepaalt dat de behandeling van de zaak wordt aangehouden tot 1 oktober 2025 pro forma;
7.4.
bepaalt dat de GI, de Raad en de belanghebbenden en mr. G.E. van der Pols op de genoemde pro forma datum niet ter zitting behoeven te verschijnen;
7.5.
verzoekt de moeder uiterlijk twee weken voor de genoemde pro forma datum de kinderrechter (met afschrift aan de GI, de Raad, de vader en mr. G.E. van der Pols) de verzochte informatie te doen toekomen.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2025 door mr. A.L Pöll, kinderrechter, in aanwezigheid van L.E. Vos als griffier, en op schrift gesteld op 16 juni 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.