Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-06-03
ECLI:NL:RBROT:2025:10198
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
2,018 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/699674 / JE RK 25-983
Datum uitspraak: 3 juni 2025
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht,
Locatie Rotterdam, hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige 1]
,
geboren op [geboortedatum 1] 2008 in [geboorteplaats 1] , hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2]
,
geboren op [geboortedatum 2] 2011 in [geboorteplaats 2] , hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering,
hierna te noemen de GI.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift van de Raad met bijlagen, ontvangen op 16 mei 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 3 juni 2025. Daarbij waren aanwezig:
- een vertegenwoordiger van de Raad, [vertegenwoordiger 1] ,
- een vertegenwoordiger van de GI, [vertegenwoordiger 2] .
1.3.
De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben geen mening gegeven.
Feiten
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 17 maart 2025 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld tot 17 juni 2025.
3Het verzoek van de Raad
3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van één jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad heeft het verzoek ter zitting gehandhaafd en als volgt toegelicht. De zorgen over [minderjarige 2] ’s ontwikkeling zijn recent bevestigd doordat zij op 16 mei 2025 door de politie is aangehouden. De moeder geeft aan dat [minderjarige 2] de laatste tijd ’s nachts regelmatig van huis weg is en dat zij geen grip op haar krijgt. [minderjarige 2] staat momenteel op de wachtlijst voor een psycholoog. Daarnaast is er een coach voor haar aangevraagd, al bestaat er twijfel of deze vorm van begeleiding passend is voor haar. Tot op heden is de hulpverlening binnen het vrijwillige kader onvoldoende van de grond gekomen.
4Het standpunt van de GI
4.1.
De GI stemt in met het verzoek van de Raad en heeft dit ter zitting als volgt toegelicht. Er bestaan zorgen over het gedrag van [minderjarige 2] . Vanwege de problemen die spelen komt zij op didactisch niveau niet aan leren toe. [minderjarige 2] ’s houding ten opzichte van de hulpverlening is wisselend: zij toont weerstand tegen de inzet van een coach, maar zegt wel daaraan te willen meewerken. Binnenkort vindt een kennismakingsgesprek plaats bij het KTC om te onderzoeken of daar een plek voor [minderjarige 2] beschikbaar is. De hulpverlening richt zich in eerste instantie op de kinderen, waarbij de moeder stapsgewijs zal worden betrokken. Op dit moment is zij ambivalent in haar houding ten opzichte van de hulpverlening, vermoedelijk omdat zij zich overvraagd voelt.
Beoordeling
5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
Uit de stukken en de behandeling ter zitting blijkt dat de kinderen opgroeien in een onveilige en stressvolle opvoedsituatie, gekenmerkt door structureel huiselijk geweld. Door interne en externe factoren loopt de druk binnen het gezin op, waardoor er weinig nodig is voor escalatie. Bij de geweldsincidenten zijn verschillende gezinsleden betrokken. De moeder is vanwege haar psychische problematiek onvoldoende in staat om de noodzakelijke fysieke en emotionele veiligheid van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] te waarborgen. Recente incidenten, waaronder fysiek geweld door broers en [minderjarige 2] jegens [minderjarige 1] en het terugkeren van een broer met een contactverbod, onderstrepen de onveiligheid binnen het gezin. Ook zijn er zorgen over het schoolverzuim, weglopen en mogelijk middelengebruik van [minderjarige 2] . Bij [minderjarige 1] is sprake van een achterstand in haar cognitieve ontwikkeling en het ontbreekt haar aan een stabiele leeromgeving. De moeder toont beperkt probleeminzicht en bagatelliseert de zorgen. De draagkracht van de moeder is niet in balans met haar draaglast, waardoor ze onvoldoende aansluit bij de behoeften van de kinderen. De ingezette hulpverlening in het vrijwillig kader over de afgelopen jaren heeft de bestaande ongezonde patronen in het gezin niet doorbroken, waardoor de fysieke en emotionele onveiligheid in het gezin een ernstige bedreiging blijft vormen voor de ontwikkeling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] .
5.3.
De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht voor de duur van één jaar.
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering met ingang van 3 juni 2025 tot 3 juni 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2025 door mr. A.L Pöll, kinderrechter, in aanwezigheid van L.E. Vos als griffier, en op schrift gesteld op 16 juni 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Artikel 1:255 BW.