Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-05-16
ECLI:NL:RBROT:2025:10184
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
3,598 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/698155 / JE RK 25-784
Datum uitspraak: 16 mei 2025
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige 1]
,
geboren op [geboortedatum 1] 2009 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] ,
geboren op [geboortedatum 2] 2007 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] en [de vader] ,
hierna te noemen de moeder en de vader, tezamen de ouders, wonende in [plaats] ,
bijgestaan door advocaat mr. E. Janse, kantoorhoudende te Rotterdam,
De kinderrechter merkt als informanten aan:
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west, Zuid-Holland-Zuid,
gevestigd te Dordrecht, hierna te noemen de GI,
[de tante] en [de oom],
hierna te noemen de tante en de oom mz, wonende in [plaats] ,
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 17 april 2025;
de e-mail van de vader van 6 mei 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 mei 2025. Daarbij waren aanwezig:
de ouders met hun advocaat;
de tante en de oom mz;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [vertegenwoordiger 1] ;
- twee vertegenwoordigers van de GI, [vertegenwoordiger 2] en [vertegenwoordiger 3] .
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 2] en [minderjarige 1] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.De vader heeft ter zitting een brief voorgelezen namens [minderjarige 2] . De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
Feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] en [minderjarige 1] .
2.2.
[minderjarige 2] woont bij zijn ouders.
2.3.
[minderjarige 1] verblijft bij haar tante en oom mz.
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige 1] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de periode tot aan zijn meerderjarigheid. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening van netwerkpleegzorg van [minderjarige 1] bij de oom en tante mz te verlenen voor de duur van zes maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad heeft het verzoek ter zitting gehandhaafd en als volgt toegelicht. Het is belangrijk te benadrukken dat het gezin liefdevol is en dat de ouders zich actief inzetten voor de kinderen. De ouders bezoeken sinds enige tijd bijeenkomsten van de Anonieme Alcoholisten (AA). Desondanks vormen de alcoholverslaving van de ouders en de problemen die hieruit voortkomen een ernstige ontwikkelingsbedreiging voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1] . Er zijn zorgen over de houding van de ouders ten opzichte van de hulpverlening. Mogelijk doen de ouders een groot beroep op [minderjarige 1] . Het is belangrijk dat [minderjarige 1] geen opvoedingstaken op zich neemt, zodat ze tijd heeft voor haar eigen ontwikkeling. De kinderen gaan verschillend met de problematiek in de thuissituatie om. [minderjarige 1] heeft in het verleden EMDR-therapie en hulp vanuit het wijkteam ontvangen. Het is goed om vanuit [minderjarige 1] ’s verblijf bij de oom en de tante de komende maanden rustig te kijken naar wat nodig is voor een terugplaatsing van [minderjarige 1] bij de ouders. De jeugdbeschermer moet zich richten op het maken van afspraken tussen de ouders en de oom en tante, en het toekomstperspectief van [minderjarige 1] . Hoewel [minderjarige 2] de weg naar de hulpverlening weet te vinden, wil hij hier geen gebruik van maken. Gelet op de zeer korte tijd dat de jeugdbeschermer betrokken kan zijn bij [minderjarige 2] tot zijn meerderjarigheid, refereert de Raad zich ten aanzien van dit deel van het verzoek aan het oordeel van de kinderrechter.
4De standpunten
4.1.
De GI heeft zich tijdens de zitting bij de Raad aangesloten wat betreft het verzoek over [minderjarige 1] . Hoewel de situatie op dit moment redelijk stabiel is, kan dit snel veranderen. Er vinden nu wekelijks gesprekken plaats. De jeugdbeschermer zal in gesprek gaan over de huidige situatie en onderzoeken wat nodig is voor de terugplaatsing van [minderjarige 1] . Het verzoek om [minderjarige 2] onder toezicht te stellen, zal gelet op de relatief korte termijn die resteert tot [minderjarige 2] meerderjarig is niet het gewenste resultaat opleveren, omdat [minderjarige 2] de hulp niet accepteert en niet gemotiveerd is.
4.2.
Namens en door de ouders is ter zitting het volgende naar voren gebracht. Op dit moment gaat het goed met hen en ervaren ze positieve veranderingen in hun leven. Sinds de kerst gaan ze naar de bijeenkomsten van de AA, wat hen helpt om van de alcohol af te blijven. Het herstelproces kost tijd en er zijn enkele terugvallen geweest, maar de laatste weken boeken ze vooruitgang. Hun recente stappen bij de AA laten een duidelijke verbetering zien in de erkenning en aanpak van de ouders van hun probleem. Ook vanuit hun netwerk ontvangen de ouders steun, bijvoorbeeld van de werkgever van de vader. Hoewel de thuissituatie in het verleden problematisch was, gaat het de afgelopen periode beter. Voor [minderjarige 1] is het goed als er een jeugdbeschermer betrokken raakt als centraal aanspreekpunt voor alle betrokkenen. Voor [minderjarige 2] heeft dit geen zin, vanwege de zeer korte tijd dat de jeugdbeschermer betrokken kan zijn en het feit dat [minderjarige 2] zelf geen hulpverlening wenst. De uithuisplaatsing van [minderjarige 1] bij de tante en de oom zou een streep door zowel de wens van de ouders als de wens van [minderjarige 1] zijn. Inmiddels woont [minderjarige 1] al zes maanden niet meer thuis. Hoewel de ouders hun aandeel erkennen in de omstandigheden die hiertoe hebben geleid, valt [minderjarige 1] ’s afwezigheid hen zwaar. De terugkeer van [minderjarige 1] zou de ouders helpen in hun herstelproces en zij zijn nu beter in staat om voor haar te zorgen. Daarom verzoeken de ouders het verzoek om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] af te wijzen.
Beoordeling
Het verzoek dat ziet op [minderjarige 1]
5.1.
Op basis van de ingediende stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] noodzakelijk is in het belang van haar verzorging en opvoeding. De kinderrechter legt hieronder uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
5.2.
De vraag die de kinderrechter als eerste moet beantwoorden is of er sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging. Deze vraag beantwoordt de kinderrechter bevestigend. Uit de stukken volgt en ook tijdens de zitting is gebleken dat er veel liefde tussen de ouders en de kinderen is, en dat de ouders het beste willen voor hun kinderen. Tegelijkertijd is er op dit moment nog sprake van een ernstige dreiging voor de ontwikkeling van de kinderen vanwege de zorgelijke thuissituatie. De ouders kampen met een alcoholverslaving en zijn overbelast. Hierdoor zijn de ouders fysiek en emotioneel minder beschikbaar voor de kinderen. De kinderen worden geconfronteerd met de gevolgen van de verslaving en dit heeft geleid tot escalaties tussen de ouders en de kinderen. De kinderen lijken daarnaast de ouderrol op zich te nemen waardoor zij niet toekomen aan hun eigen ontwikkelingstaken. Bij [minderjarige 1] is daarnaast sprake van psychische klachten waarvoor zij eerder therapie heeft gehad.
5.3.
Ten tweede moet de vraag worden beantwoord of de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor [minderjarige 1] of voor haar ouders door hen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd .Deze vraag beantwoordt de kinderrechter bevestigend. Weliswaar erkennen de ouders inmiddels de zorgen en hebben zij de eerste stap gezet door naar AA-bijeenkomsten te gaan, maar dit heeft nog niet geleid tot het afnemen van de ernstige ontwikkelingsbedreiging. Volgens de betrokken hulpverlening is intensievere hulp voor de ouders nodig. De kinderrechter acht het daarom noodzakelijk dat er een jeugdbeschermer betrokken raakt bij het gezin. Het is positief dat [jeugdbeschermer] al betrokken is bij het gezin en als vaste jeugdbeschermer aan het gezin zal worden gekoppeld.
5.4
De komende periode is van belang dat er zicht komt op de thuissituatie en dat er veiligheidsafspraken worden gemaakt. Ook zal de GI moeten bezien welke hulpverlening passend is, voor zowel de ouders als [minderjarige 1] . Bovendien is van belang dat de jeugdbeschermer als neutraal persoon tussen de ouders en de oom en tante in komt te staan, zodat zij zich enkel kunnen richten op het zijn van familie.
5.4.
De kinderrechter acht daarnaast gelet op het voorgaande een machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] . Ondanks de inzet van de ouders is de huidige thuissituatie vanwege de verslavingsproblematiek van de ouders onvoldoende veilig voor [minderjarige 1] . [minderjarige 1] ’s thuisbasis zal de komende periode liggen bij de tante en de oom mz. Het is voor [minderjarige 1] belangrijk dat zij hier rust en stabiliteit ervaart, zodat zij echt kind kan zijn en toekomt aan haar ontwikkelingstaken. Vanuit daar kunnen samen met de jeugdbeschermer afspraken gemaakt worden over wat er nodig is voor een thuisplaatsing bij de ouders. Gelet op de wens van zowel de ouders als [minderjarige 1] voor een thuisplaatsing benadrukt de kinderrechter dat de machtiging tot uithuisplaatsing niet langer dient te worden gebruikt dan noodzakelijk. Dit betekent dat als de hulpverlening voldoende wordt geaccepteerd door de ouders en het thuis voldoende veilig is voor [minderjarige 1] , de GI dient te bezien of een thuisplaatsing eerder aan de orde is.
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Het verzoek over [minderjarige 2]
5.6.
Hoewel voor [minderjarige 2] eveneens geldt dat hij opgroeit in een zorgelijke thuissituatie, zal de kinderrechter het verzoek tot ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] afwijzen. Gebleken is dat [minderjarige 2] op een andere wijze met de situatie omgaat en hij zelf de weg weet te vinden naar de hulpverlening. Op dit moment staat [minderjarige 2] niet open voor hulpverlening. Bovendien zal [minderjarige 2] binnenkort meerderjarig worden. De GI heeft tijdens de zitting aangegeven dat het gelet op deze korte termijn niet zinvol is de ondertoezichtstelling over [minderjarige 2] uit te spreken. Om deze redenen zal een ondertoezichtstelling voor [minderjarige 2] niet het gewenste effect hebben.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige 1] onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west, Zuid-Holland-Zuid, met ingang van 16 mei 2025 tot 16 mei 2026;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] bij de oom en de tante mz met ingang van 16 mei 2025 tot 16 november 2025;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 mei 2025 door mr. K.T.F. Chocolaad-de Bos, kinderrechter, in aanwezigheid van L.E. Vos als griffier, en op schrift gesteld op 28 mei 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Artikel 1:255 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
Artikel 1:265b, eerste lid, BW.