Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-01-14
ECLI:NL:RBROT:2025:1015
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
10,270 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team straf 3
Parketnummer: 10/286558-24
Datum uitspraak: 14 januari 2025
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedatum] 1997,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:[adres] , [postcode] [woonplaats] ,
preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [naam PI] ,
raadsvrouw mr. W. van der Voet, advocaat te Rotterdam.
1Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 18 december 2024.
2Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.
De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. A. Ekiz heeft gevorderd:
bewezenverklaring van het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde;
veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van voorarrest.
4Waardering van het bewijs
4.1.
Bewezenverklaring zonder nadere motivering van het onder 3 ten laste gelegde
De verdachte heeft het onder 3 ten laste gelegde bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking worden bewezen verklaard.
4.2.
Bewijswaardering met betrekking tot het onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde
4.2.1.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte van het onder 2 en 4 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. De verdachte had geen wetenschap van, en geen beschikkingsmacht over, het in de woning aangetroffen vuurwapen. Evenmin had de verdachte wetenschap van de in de woning aangetroffen contante geldbedragen.
4.2.2.
Beoordeling
Inleiding
Op 6 september 2024 werd in Rotterdam het voertuig van de verdachte gecontroleerd. In een blauwe schoudertas van de verdachte werd een geldbedrag van € 8.786,90 aangetroffen. Terwijl de verdachte werd aangehouden, gaf hij volgens een van de aanwezige agenten aan zijn bijrijder opdracht iemand – van wie de agent de naam niet goed kon verstaan – te bellen. Korte tijd later zagen agenten die de woning van de verdachte aan de [adres] in Rotterdam onder observatie hadden genomen, medeverdachten [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) en [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) die woning binnengaan. Zij droegen geen tassen bij zich. Toen [medeverdachte 1] enkele minuten later de woning weer wilde verlaten, droeg hij een rugzak. In die rugzak werd een groot contant geldbedrag aangetroffen en ruim 3,5 kilogram van wat later cocaïne bleek te zijn. In de gang van de woning lag een zwarte sporttas, met daarin een vuurwapen, een groot contant geldbedrag en ruim een kilogram van wat later cocaïne bleek te zijn. In de woonkamer op een dressoir lag een metalen boksbeugel.
Het onder 1 ten laste gelegde
Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij voor iemand cocaïne bewaarde in zijn woning en dat hij daar € 7.000,- voor had ontvangen. De verdachte heeft over de afspraken met deze derde verder niets willen zeggen, zodat de verklaring van de verdachte dat hij niet zou hebben geweten dat het om bijna vijf kilogram ging (maar dat hij ervan uit was gegaan dat het een veel kleinere hoeveelheid betrof) alleen al daardoor niet aannemelijk is geworden. Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de cocaïne opzettelijk aanwezig heeft gehad.
Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat voor het impliciet primair ten laste gelegde bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van de in de woning van de verdachte en de rugzak aangetroffen cocaïne. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
Uit het feit dat de verdachte de cocaïne voor een ander bewaarde, concludeert de rechtbank dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking met deze derde. Voor een hoeveelheid van ruim 3,5 kilogram van de aangetroffen cocaïne geldt bovendien dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Dat leidt de rechtbank af uit het feit dat de verdachte tijdens zijn aanhouding zijn bijrijder opdracht gaf iemand te bellen, dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] kort daarop de woning van de verdachte betraden, en dat [medeverdachte 1] even later met die ruim 3,5 kilogram cocaïne in een rugzak de woning weer wilde verlaten. Op grond van het voorgaande acht de rechtbank het ten laste gelegde medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van de cocaïne wettig en overtuigend bewezen.
Het onder 2 ten laste gelegde
In de zwarte sporttas die in de gang van de woning lag, zat een plastic tas, waarin het vuurwapen (met daarin een patroonmagazijn met meerdere kogelpatronen) werd aangetroffen. In de bemonsteringen van de ruwe delen en de trekker van het vuurwapen is DNA aangetroffen. Op basis van onderzoek uitgevoerd door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) stelt de rechtbank vast dat het om DNA van de verdachte gaat. De verdediging heeft bepleit dat dit DNA op een andere manier op het wapen terecht zou kunnen zijn gekomen dan als gevolg van directe aanraking door de verdachte, bijvoorbeeld via de binnenkant van de plastic tas waar het wapen in zat. Dit is naar het oordeel van de rechtbank echter niet aannemelijk geworden.
Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de verdachte wetenschap had van, en beschikkingsmacht had over, het vuurwapen en de kogelpatronen. Het feit dat de verdachte ten tijde van zijn aanhouding pas enkele dagen terug was van een vakantie in Turkije, doet aan dat oordeel niet af. Dat betekent dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het vuurwapen en de kogelpatronen voorhanden heeft gehad.
Het onder 4 ten laste gelegde
Vast staat dat de verdachte ten tijde van zijn aanhouding een contant geldbedrag van € 8.786,90 bij zich droeg. Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat van dit bedrag € 7.000,- uit eigen misdrijf afkomstig is. Wat het resterende bedrag van € 1.786,90 betreft, is de rechtbank met de verdediging van oordeel dat er onvoldoende aanwijzingen zijn voor de conclusie dat dit geldbedrag uit enig (eigen) misdrijf afkomstig is. De verdachte zal van het witwassen van dit bedrag partieel worden vrijgesproken.
Vast staat verder dat in de zwarte sporttas die in de gang van de woning lag en in de rugzak waarmee [medeverdachte 1] de woning wilde verlaten, opgeteld een contant geldbedrag van € 103.480,- is aangetroffen. Het bewaren van een dergelijk contant geldbedrag in een woning is op zichzelf al ongebruikelijk, maar de omstandigheden waaronder dat geld is aangetroffen (te weten dat de verdachte in zijn woning ook bijna vijf kilogram cocaïne en een vuurwapen voorhanden had), rechtvaardigen het vermoeden dat dit geld middellijk of onmiddellijk afkomstig is uit enig misdrijf. De rechtbank acht de verklaring van de verdachte dat hij niet zou hebben geweten dat er geld in de woning lag ongeloofwaardig. Zij is van oordeel dat het vermoeden van witwassen niet is weerlegd en concludeert dat het niet anders kan zijn dan dat het op 6 september 2024 in de woning van de verdachte aangetroffen geldbedrag van € 103.480,- middellijk of onmiddellijk afkomstig is uit enig (eigen) misdrijf.
Het voorgaande brengt mee dat het onder 4 ten laste gelegde witwassen kan worden bewezen tot een bedrag van € 110.480,-.
4.2.3.
Conclusie
Het onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde is wettig en overtuigend bewezen.
4.3.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde heeft begaan.
In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en geen verweer is gevoerd dat strekt tot vrijspraak. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan.
De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten begaan op die wijze dat:
1
hij op 6 september 2024 te Rotterdam tezamen en in vereniging opzettelijk aanwezig heeft gehad,
- ongeveer 4829 gram van een materiaal
bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwetbehorende lijst I
2
hij op 6 september 2024 te Rotterdameen wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, teweten een pistool, van het merk Beretta, type 84/85, kaliber 9 mmzijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool
en
zeven kogelpatronen welke geschikt zijn om met voornoemdvuurwapen te worden verschotenvoorhanden heeft gehad.
3
hij op 6 september 2024 te Rotterdameen wapen van categorie I, onder 3° van de Wet wapens en munitie, te weteneen boksbeugel voorhanden heeft gehad;
4
hij op 6 september 2024, te Rotterdameen geldbedrag van ongeveer 110.480,- eurovoorhanden heeft gehadterwijl hij, verdachte, wist dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk -afkomstig was uit enig (eigen) misdrijf.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
5Strafbaarheid feiten
De bewezen feiten leveren op:
1.
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
2.
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
3.
handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
4.
witwassen.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.
6Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Motivering
7.1.
Algemene overweging
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
7.2.
Feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan overtreding van de Opiumwet door samen met anderen opzettelijk bijna vijf kilogram cocaïne aanwezig te hebben. Het is algemeen bekend dat de handel in harddrugs gepaard gaat met vele andere vormen van (zware) criminaliteit, waaronder geweld en ondermijning. Daarnaast zijn drugs slecht voor de volksgezondheid en is de productie ervan slecht voor het milieu. De verdachte heeft met zijn handelen bijgedragen aan het in stand houden van die negatieve effecten.
Daarnaast heeft de verdachte in zijn woning opzettelijk een vuurwapen met bijbehorende munitie en een boksbeugel voorhanden gehad. Het onbevoegde bezit van wapens en munitie vormt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen. Vuurwapenbezit leidt meer dan eens tot vuurwapengebruik met alle gevolgen van dien. De combinatie van drugshandel en wapenbezit is extra zorgelijk.
Ten slotte heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan witwassen. Het witwassen van criminele gelden vormt een bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan, ook vanwege de corrumperende invloed ervan op het reguliere handelsverkeer, en is daarmee een bedreiging voor de samenleving.
7.3.
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 21 november 2024, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
7.4.
Conclusie
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. Anders dan de verdediging heeft bepleit, ziet de rechtbank geen aanleiding tot het opleggen van een voorwaardelijk strafdeel.
Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv.
8In beslag genomen voorwerpen
8.1.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft de verbeurdverklaring gevorderd van het in beslag genomen geldbedrag van € 112.266,90.
8.2.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft verzocht om teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen geldbedrag van € 1.786,90.
8.3.
Beoordeling
Het in beslag genomen geldbedrag van € 110.480,- zal worden verbeurd verklaard, omdat daarmee het bewezen verklaarde feit 4 is gepleegd. Omdat de verdachte is vrijgesproken van het witwassen van het geldbedrag van € 1.786,90, gelast de rechtbank teruggave daarvan aan de verdachte.
De volgende in beslag genomen goederen zullen worden onttrokken aan het verkeer: het vuurwapen en patroonmagazijn met munitie, de boksbeugel en alle verdovende middelen en versnijdingsmiddelen.
De rechtbank gelast teruggave van alle overige inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen die de verdachte toebehoren en waarvan hij geen afstand heeft gedaan.
9Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 36d, 47, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
10Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
Dictum
De rechtbank:
verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 26 (zesentwintig) maanden;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
verklaart verbeurd als bijkomende straf voor het bewezen verklaarde feit 4: het in beslag genomen geldbedrag van € 110.480,-;
verklaart onttrokken aan het verkeer: het vuurwapen en patroonmagazijn met munitie, de boksbeugel en alle verdovende middelen en versnijdingsmiddelen;
gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen geldbedrag van € 1.786,90;
gelast de teruggave aan de verdachte van alle overige inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen die de verdachte toebehoren en waarvan hij geen afstand heeft gedaan.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. Joele, voorzitter,
en mrs. F.P.J. Schoonen en L. den Teuling, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.P. de Jong, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
Bijlage I
Tekst gewijzigde tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
1
hij op of omstreeks 6 september 2024 te Rotterdam tezamen en in vereniging althans alleenopzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/ofverstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
- ongeveer 4829 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal
bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwetbehorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van diewet
2
hij op of omstreeks 6 september 2024 te Rotterdameen wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, teweten een pistool, van het merk beretta, type 84/85, kaliber 9 mmzijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool
en/of
zeven, althans een of meer kogelpatronen welke geschikt zijn om met voornoemdvuurwapen te worden verschotenvoorhanden heeft gehad
3
hij op of omstreeks 6 september 2024 te Rotterdameen wapen van categorie I, onder 3° van de Wet wapens en munitie, te weteneen een boksbeuge voorhanden heeft gehad;
4
hij op of omstreeks 6 september 2024, te Rotterdam(van) een geldbedrag van ongeveer 112.266,90 euro, althans een of meer voorwerpen
Sub a- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of deverplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat /dievoorwerp(en) was/waren, en/of- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhandenhad(den)Sub b- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet,en/of- gebruik heeft gemaaktterwijl hij, verdachte, wist dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk -afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf.
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team straf 3
Parketnummer: 10/286558-24
Datum uitspraak: 14 januari 2025
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedatum] 1997,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:[adres] , [postcode] [woonplaats] ,
preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [naam PI] ,
raadsvrouw mr. W. van der Voet, advocaat te Rotterdam.
1Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 18 december 2024.
2Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.
De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. A. Ekiz heeft gevorderd:
bewezenverklaring van het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde;
veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van voorarrest.
4Waardering van het bewijs
4.1.
Bewezenverklaring zonder nadere motivering van het onder 3 ten laste gelegde
De verdachte heeft het onder 3 ten laste gelegde bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking worden bewezen verklaard.
4.2.
Bewijswaardering met betrekking tot het onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde
4.2.1.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte van het onder 2 en 4 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. De verdachte had geen wetenschap van, en geen beschikkingsmacht over, het in de woning aangetroffen vuurwapen. Evenmin had de verdachte wetenschap van de in de woning aangetroffen contante geldbedragen.
4.2.2.
Beoordeling
Inleiding
Op 6 september 2024 werd in Rotterdam het voertuig van de verdachte gecontroleerd. In een blauwe schoudertas van de verdachte werd een geldbedrag van € 8.786,90 aangetroffen. Terwijl de verdachte werd aangehouden, gaf hij volgens een van de aanwezige agenten aan zijn bijrijder opdracht iemand – van wie de agent de naam niet goed kon verstaan – te bellen. Korte tijd later zagen agenten die de woning van de verdachte aan de [adres] in Rotterdam onder observatie hadden genomen, medeverdachten [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) en [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) die woning binnengaan. Zij droegen geen tassen bij zich. Toen [medeverdachte 1] enkele minuten later de woning weer wilde verlaten, droeg hij een rugzak. In die rugzak werd een groot contant geldbedrag aangetroffen en ruim 3,5 kilogram van wat later cocaïne bleek te zijn. In de gang van de woning lag een zwarte sporttas, met daarin een vuurwapen, een groot contant geldbedrag en ruim een kilogram van wat later cocaïne bleek te zijn. In de woonkamer op een dressoir lag een metalen boksbeugel.
Het onder 1 ten laste gelegde
Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij voor iemand cocaïne bewaarde in zijn woning en dat hij daar € 7.000,- voor had ontvangen. De verdachte heeft over de afspraken met deze derde verder niets willen zeggen, zodat de verklaring van de verdachte dat hij niet zou hebben geweten dat het om bijna vijf kilogram ging (maar dat hij ervan uit was gegaan dat het een veel kleinere hoeveelheid betrof) alleen al daardoor niet aannemelijk is geworden. Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de cocaïne opzettelijk aanwezig heeft gehad.
Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat voor het impliciet primair ten laste gelegde bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van de in de woning van de verdachte en de rugzak aangetroffen cocaïne. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
Uit het feit dat de verdachte de cocaïne voor een ander bewaarde, concludeert de rechtbank dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking met deze derde. Voor een hoeveelheid van ruim 3,5 kilogram van de aangetroffen cocaïne geldt bovendien dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Dat leidt de rechtbank af uit het feit dat de verdachte tijdens zijn aanhouding zijn bijrijder opdracht gaf iemand te bellen, dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] kort daarop de woning van de verdachte betraden, en dat [medeverdachte 1] even later met die ruim 3,5 kilogram cocaïne in een rugzak de woning weer wilde verlaten. Op grond van het voorgaande acht de rechtbank het ten laste gelegde medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van de cocaïne wettig en overtuigend bewezen.
Het onder 2 ten laste gelegde
In de zwarte sporttas die in de gang van de woning lag, zat een plastic tas, waarin het vuurwapen (met daarin een patroonmagazijn met meerdere kogelpatronen) werd aangetroffen. In de bemonsteringen van de ruwe delen en de trekker van het vuurwapen is DNA aangetroffen. Op basis van onderzoek uitgevoerd door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) stelt de rechtbank vast dat het om DNA van de verdachte gaat. De verdediging heeft bepleit dat dit DNA op een andere manier op het wapen terecht zou kunnen zijn gekomen dan als gevolg van directe aanraking door de verdachte, bijvoorbeeld via de binnenkant van de plastic tas waar het wapen in zat. Dit is naar het oordeel van de rechtbank echter niet aannemelijk geworden.
Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de verdachte wetenschap had van, en beschikkingsmacht had over, het vuurwapen en de kogelpatronen. Het feit dat de verdachte ten tijde van zijn aanhouding pas enkele dagen terug was van een vakantie in Turkije, doet aan dat oordeel niet af. Dat betekent dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het vuurwapen en de kogelpatronen voorhanden heeft gehad.
Het onder 4 ten laste gelegde
Vast staat dat de verdachte ten tijde van zijn aanhouding een contant geldbedrag van € 8.786,90 bij zich droeg. Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat van dit bedrag € 7.000,- uit eigen misdrijf afkomstig is. Wat het resterende bedrag van € 1.786,90 betreft, is de rechtbank met de verdediging van oordeel dat er onvoldoende aanwijzingen zijn voor de conclusie dat dit geldbedrag uit enig (eigen) misdrijf afkomstig is. De verdachte zal van het witwassen van dit bedrag partieel worden vrijgesproken.
Vast staat verder dat in de zwarte sporttas die in de gang van de woning lag en in de rugzak waarmee [medeverdachte 1] de woning wilde verlaten, opgeteld een contant geldbedrag van € 103.480,- is aangetroffen. Het bewaren van een dergelijk contant geldbedrag in een woning is op zichzelf al ongebruikelijk, maar de omstandigheden waaronder dat geld is aangetroffen (te weten dat de verdachte in zijn woning ook bijna vijf kilogram cocaïne en een vuurwapen voorhanden had), rechtvaardigen het vermoeden dat dit geld middellijk of onmiddellijk afkomstig is uit enig misdrijf. De rechtbank acht de verklaring van de verdachte dat hij niet zou hebben geweten dat er geld in de woning lag ongeloofwaardig. Zij is van oordeel dat het vermoeden van witwassen niet is weerlegd en concludeert dat het niet anders kan zijn dan dat het op 6 september 2024 in de woning van de verdachte aangetroffen geldbedrag van € 103.480,- middellijk of onmiddellijk afkomstig is uit enig (eigen) misdrijf.
Het voorgaande brengt mee dat het onder 4 ten laste gelegde witwassen kan worden bewezen tot een bedrag van € 110.480,-.
4.2.3.
Conclusie
Het onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde is wettig en overtuigend bewezen.
4.3.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde heeft begaan.
In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en geen verweer is gevoerd dat strekt tot vrijspraak. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan.
De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten begaan op die wijze dat:
1
hij op 6 september 2024 te Rotterdam tezamen en in vereniging opzettelijk aanwezig heeft gehad,
- ongeveer 4829 gram van een materiaal
bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwetbehorende lijst I
2
hij op 6 september 2024 te Rotterdameen wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, teweten een pistool, van het merk Beretta, type 84/85, kaliber 9 mmzijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool
en
zeven kogelpatronen welke geschikt zijn om met voornoemdvuurwapen te worden verschotenvoorhanden heeft gehad.
3
hij op 6 september 2024 te Rotterdameen wapen van categorie I, onder 3° van de Wet wapens en munitie, te weteneen boksbeugel voorhanden heeft gehad;
4
hij op 6 september 2024, te Rotterdameen geldbedrag van ongeveer 110.480,- eurovoorhanden heeft gehadterwijl hij, verdachte, wist dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk -afkomstig was uit enig (eigen) misdrijf.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
5Strafbaarheid feiten
De bewezen feiten leveren op:
1.
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
2.
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
3.
handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
4.
witwassen.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.
6Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Motivering
7.1.
Algemene overweging
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
7.2.
Feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan overtreding van de Opiumwet door samen met anderen opzettelijk bijna vijf kilogram cocaïne aanwezig te hebben. Het is algemeen bekend dat de handel in harddrugs gepaard gaat met vele andere vormen van (zware) criminaliteit, waaronder geweld en ondermijning. Daarnaast zijn drugs slecht voor de volksgezondheid en is de productie ervan slecht voor het milieu. De verdachte heeft met zijn handelen bijgedragen aan het in stand houden van die negatieve effecten.
Daarnaast heeft de verdachte in zijn woning opzettelijk een vuurwapen met bijbehorende munitie en een boksbeugel voorhanden gehad. Het onbevoegde bezit van wapens en munitie vormt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen. Vuurwapenbezit leidt meer dan eens tot vuurwapengebruik met alle gevolgen van dien. De combinatie van drugshandel en wapenbezit is extra zorgelijk.
Ten slotte heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan witwassen. Het witwassen van criminele gelden vormt een bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan, ook vanwege de corrumperende invloed ervan op het reguliere handelsverkeer, en is daarmee een bedreiging voor de samenleving.
7.3.
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 21 november 2024, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
7.4.
Conclusie
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. Anders dan de verdediging heeft bepleit, ziet de rechtbank geen aanleiding tot het opleggen van een voorwaardelijk strafdeel.
Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv.
8In beslag genomen voorwerpen
8.1.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft de verbeurdverklaring gevorderd van het in beslag genomen geldbedrag van € 112.266,90.
8.2.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft verzocht om teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen geldbedrag van € 1.786,90.
8.3.
Beoordeling
Het in beslag genomen geldbedrag van € 110.480,- zal worden verbeurd verklaard, omdat daarmee het bewezen verklaarde feit 4 is gepleegd. Omdat de verdachte is vrijgesproken van het witwassen van het geldbedrag van € 1.786,90, gelast de rechtbank teruggave daarvan aan de verdachte.
De volgende in beslag genomen goederen zullen worden onttrokken aan het verkeer: het vuurwapen en patroonmagazijn met munitie, de boksbeugel en alle verdovende middelen en versnijdingsmiddelen.
De rechtbank gelast teruggave van alle overige inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen die de verdachte toebehoren en waarvan hij geen afstand heeft gedaan.
9Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 36d, 47, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
10Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
Dictum
De rechtbank:
verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 26 (zesentwintig) maanden;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
verklaart verbeurd als bijkomende straf voor het bewezen verklaarde feit 4: het in beslag genomen geldbedrag van € 110.480,-;
verklaart onttrokken aan het verkeer: het vuurwapen en patroonmagazijn met munitie, de boksbeugel en alle verdovende middelen en versnijdingsmiddelen;
gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen geldbedrag van € 1.786,90;
gelast de teruggave aan de verdachte van alle overige inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen die de verdachte toebehoren en waarvan hij geen afstand heeft gedaan.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. Joele, voorzitter,
en mrs. F.P.J. Schoonen en L. den Teuling, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.P. de Jong, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
Bijlage I
Tekst gewijzigde tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
1
hij op of omstreeks 6 september 2024 te Rotterdam tezamen en in vereniging althans alleenopzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/ofverstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
- ongeveer 4829 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal
bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwetbehorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van diewet
2
hij op of omstreeks 6 september 2024 te Rotterdameen wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, teweten een pistool, van het merk beretta, type 84/85, kaliber 9 mmzijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool
en/of
zeven, althans een of meer kogelpatronen welke geschikt zijn om met voornoemdvuurwapen te worden verschotenvoorhanden heeft gehad
3
hij op of omstreeks 6 september 2024 te Rotterdameen wapen van categorie I, onder 3° van de Wet wapens en munitie, te weteneen een boksbeuge voorhanden heeft gehad;
4
hij op of omstreeks 6 september 2024, te Rotterdam(van) een geldbedrag van ongeveer 112.266,90 euro, althans een of meer voorwerpen
Sub a- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of deverplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat /dievoorwerp(en) was/waren, en/of- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhandenhad(den)Sub b- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet,en/of- gebruik heeft gemaaktterwijl hij, verdachte, wist dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk -afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf.