Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-02-07
ECLI:NL:RBROT:2025:10140
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,466 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/4545
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 februari 2025 in de zaak tussen
[eiser], uit Rotterdam, eiser
(gemachtigde: mr. M. Shaaban),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: [naam]).
Waar gaat het geschil over en wat oordeelt de rechtbank?
1. In deze uitspraak geeft de rechtbank een oordeel over het beroep van eiser tegen de weigering van een uitkering op grond van de Ziektewet (Zw) met ingang van 22 oktober 2023. Die weigering heeft het UWV in het besluit van 22 april 2024 (bestreden besluit) in stand gelaten. Het UWV heeft in dat besluit uitgelegd dat de Zw-uitkering is geweigerd omdat geen medische informatie beschikbaar is om het recht op uitkering te kunnen beoordelen.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 21 januari 2025 op zitting behandeld. De gemachtigde van eiser heeft hieraan deelgenomen. De gemachtigde van het UWV heeft via videoverbinding deelgenomen.
1.2.
De rechtbank beoordeelt het beroep van eiser aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd tegen het bestreden besluit (de beroepsgronden). Eiser heeft twee argumenten aangevoerd. Ten eerste heeft hij gesteld dat de hoorplicht is geschonden. Ten tweede heeft hij gesteld dat hij niet op het spreekuur is verschenen als gevolg van zijn ziektebeeld.
1.3.
Op basis van de argumenten van eiser oordeelt de rechtbank dat het beroep van eiser ongegrond is. Dat betekent dat eiser per 22 oktober 2023 geen Zw-uitkering krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Hoe is de rechtbank tot dit oordeel gekomen?
2. In de eerste plaats beoordeelt de rechtbank het argument over de hoorplicht. Eiser vindt dat hij had moeten worden gehoord, omdat zijn gemachtigde in bezwaar heeft laten weten dat eiser gehoord wilde worden. De gemachtigde van eiser heeft het antwoordformulier voor een hoorzitting weliswaar niet aan het UWV teruggestuurd, maar het UWV moest eiser wel een uitnodiging voor een hoorzitting sturen.
2.1.
De rechtbank oordeelt dat de hoorplicht niet is geschonden en dat het UWV voldoende zorgvuldig heeft gehandeld. De rechtbank baseert zich daarbij op de volgende feiten.
2.1.1.
Eiser werkte bij Tempo Team Uitzenden B.V. (werkgever). Op 7 juni 2023 heeft hij zich ziek gemeld. De werkgever is eigenrisicodrager. Om te kunnen beoordelen of eiser recht heeft op een Zw-uitkering, moet onderzoek worden gedaan. Bij dat onderzoek moet namelijk worden vastgesteld of die ziekte betekent dat hij ongeschikt is om zijn werk te doen, en dat dat het rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg is van zijn ziekte. Daarvoor is het nodig dat eiser wordt gezien door een bedrijfsarts. In het geval van de werkgever die eigenrisicodrager is, is het namelijk de bedrijfsarts die de deskundigheid heeft om te beoordelen of eiser aan deze wettelijke eisen voldoet voor een Zw-uitkering.
2.1.2.
Nadat eiser zich heeft ziekgemeld, heeft de werkgever hem vier keer met een brief uitgenodigd voor het spreekuur van de bedrijfsarts. In deze brieven heeft de werkgever er op gewezen dat eiser verplicht is om naar het spreekuur te komen. Ook heeft de werkgever eiser er op gewezen dat als hij niet verschijnt op het spreekuur, dit (negatieve) gevolgen heeft voor zijn recht op een Zw-uitkering. Eiser heeft niet van zich laten horen en is die vier keer niet op het spreekuur verschenen. De werkgever heeft het UWV daarna gevraagd een beschikking te nemen over de Zw-uitkering.
2.1.3.
Met het besluit van 15 december 2023 (primaire besluit) heeft het UWV eiser laten weten dat hij vanaf 22 oktober 2023 geen Zw-uitkering krijgt, omdat niet kan worden vastgesteld of hij nog arbeidsongeschikt is.
2.1.4.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. In de bezwaarprocedure heeft de werkgever nogmaals met een brief (van 15 februari 2024) opgeroepen om op het spreekuur (van 26 maart 2024) te verschijnen. Eiser heeft niet van zich laten horen en is niet op het spreekuur verschenen. Het UWV heeft nadat eiser niet verschenen was op het spreekuur de gemachtigde van eiser met de brief van 4 april 2024 gevraagd om met het antwoordformulier te laten weten of eiser van een telefonische hoorzitting gebruik wilde maken. Het UWV heeft het antwoordformulier niet retour ontvangen.
2.1.5.
Daarna heeft het UWV het bestreden besluit van 22 april 2024 genomen.
2.2.
De rechtbank vindt dat eiser voldoende gelegenheid heeft gekregen om te verschijnen op het (fysieke) spreekuur. Het is onder deze omstandigheden niet onzorgvuldig dat het UWV eiser heeft gevraagd via een antwoordformulier kenbaar te maken of hij alsnog telefonisch wilde worden gehoord. Het is onweersproken dat het UWV dit antwoordformulier niet retour heeft ontvangen. Het is daarom niet onzorgvuldig dat het bestreden besluit is genomen zonder dat het UWV aan eiser een uitnodiging voor een (fysieke) hoorzitting heeft verstuurd.
3. In de tweede plaats beoordeelt de rechtbank het argument van eiser dat hij niet verschenen is op de spreekuren als gevolg van zijn ziektebeeld. Hij was buiten beeld van zijn familie en hulpverleners zodat hij niet op het hoogte kon worden gesteld van de afspraken. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiser toegelicht dat eiser nog steeds niet in beeld is bij zijn familie of zijn gemachtigde.
3.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Het gaat in dit beroep om het vaststellen van het recht op een Zw-uitkering. In dat kader is eiser verplicht om mee te werken aan onderzoek dat nodig is om zijn arbeidsongeschiktheid vast te stellen. Eiser is vier keer niet verschenen op het spreekuur van de bedrijfsarts, hoewel hij vier keer is uitgenodigd daarvoor. Over eiser zit geen medische informatie in het dossier. Dat eiser niet in beeld was bij zijn familie en hulpverleners maakt het oordeel van de rechtbank niet anders, omdat deze omstandigheid, hoe vervelend ook voor eiser en zijn familie, niet maakt dat aan eiser een Zw-uitkering moet worden toegekend zonder dat zijn recht daarop objectief kan worden vastgesteld. In bezwaar heeft eiser nog een keer de kans gekregen om de benodigde informatie aan te leveren. Dat had hij in ieder geval kunnen doen door op het spreekuur van de bedrijfsarts te verschijnen. Het gevolg van het niet verschijnen op het spreekuur is, dat de bedrijfsarts geen medische informatie over eiser heeft. Zonder zulke informatie kan niet worden vastgesteld of eisers ziekte betekent dat hij ongeschikt is om zijn werk te doen, en dat die ongeschiktheid het rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg is van zijn ziekte. Eiser heeft gesteld dat zijn niet verschijnen het gevolg is van zijn ziektebeeld, maar dat kan het UWV, en daarmee ook de rechtbank, niet op juistheid beoordelen doordat er geen medische informatie is ingebracht. Dat over eiser geen informatie beschikbaar is, moet voor risico van eiser blijven. De werkgever heeft eiser in de uitnodigingen gewezen op de gevolgen van het (zonder bericht) niet verschijnen op het spreekuur.
4. Pas op de zitting heeft de gemachtigde laten weten dat zij inmiddels een paar medische stukken in bezit heeft. Dat gaat om een niet gedateerde brief van de ambulante begeleider van eiser bij zorgorganisatie Antes en om een stuk van 28 juni 2023 met een aanmelding van eiser bij de crisisdienst (waarbij ongediagnostiseerde schizofrene kenmerken bij eiser zijn benoemd). De stukken zijn kort besproken op de zitting maar zijn niet toegevoegd aan het dossier. De rechtbank bespreekt die stukken verder niet.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.R. Lautenbach, rechter, in aanwezigheid van
G.I. Heijblom, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 februari 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Van artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
In de zin van artikel 63a en verder van de Zw.
Dat staat in artikel 29, eerste lid, van de Zw.
In de zin van artikel 7:2 van de Awb.