Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-04-04
ECLI:NL:RBROT:2025:10113
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,545 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11344122 CV EXPL 24-25446
datum uitspraak: 4 april 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Onderlinge Waarborgmaatschappij DSW Zorgverzekeraar U.A.,
gevestigd te Schiedam,
eiseres,
gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V. te Rotterdam,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te Schiedam,
gedaagde,
die zelf procedeert, zonder bijstand van een gemachtigde.
Partijen worden hierna ‘DSW’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 30 september 2024, met bijlagen;
het mondelinge antwoord;
de repliek, met bijlagen;
de nadere mondelinge toelichting van [gedaagde] op de rolzitting van 17 december 2024;
de e-mail van [gedaagde] van 31 december 2024, met bijlagen;
de rolbeslissing van 7 februari 2025;
de akte van DSW van 4 maart 2025.
1.2.
De uitspraak van het vonnis is door de kantonrechter bepaald op vandaag.
Beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2.1.
[gedaagde] heeft met DSW een zorgverzekeringsovereenkomst gesloten. Op grond van deze overeenkomst moet [gedaagde] eigen risico aan DSW betalen voor zorg die aan hem is verleend. Volgens DSW heeft [gedaagde] een bedrag van € 2.137,28 aan eigen risico niet betaald. DSW vordert daarom in deze procedure dat [gedaagde] dit bedrag aan haar betaalt. Omdat [gedaagde] niet op tijd heeft betaald, vordert DSW tevens dat [gedaagde] ook de rente en een vergoeding voor de buitengerechtelijke incassokosten aan haar moet betalen.
2.2.
De kantonrechter wijst de vordering van DSW toe. Hieronder wordt toegelicht hoe de kantonrechter tot dit oordeel is gekomen.
[gedaagde] heeft een drietal punten naar voren gebracht die ertoe strekken dat de vordering van DSW moet worden afgewezen
2.3.
DSW vordert in deze procedure – na vermindering van eis – betaling van een bedrag van € 2.137,28. Dit bedrag heeft betrekking op het eigen risico dat over de periode van 1 oktober 2012 tot 1 april 2020 door DSW in rekening is gebracht bij [gedaagde]. [gedaagde] heeft bij antwoord aangegeven dat het gevorderde bedrag klopt. [gedaagde] is het desondanks niet eens met de vordering van DSW en heeft een drietal punten naar voren gebracht die, zo begrijpt de kantonrechter, ertoe strekken dat de vordering van DSW moet worden afgewezen. Deze drie punten worden hierna besproken.
Er is op dit moment geen sprake van een betalingsregeling tussen partijen
2.4.
Volgens [gedaagde] hebben partijen een betalingsregeling afgesproken. De kantonrechter begrijpt uit deze stelling dat [gedaagde] de opeisbaarheid van de vordering betwist, in de zin dat DSW gedurende de betalingsregeling niet het gehele bedrag in één keer kan opeisen.
2.5.
DSW erkent dat partijen voor (onder meer) de onderhavige vordering een betalingsregeling hadden afgesproken, maar volgens DSW had deze betalingsregeling een tijdelijk karakter tot 26 april 2024. Daarbij is [gedaagde] volgens DSW de betalingsregeling niet nagekomen, waardoor de betalingsregeling ook om die reden is geëindigd. Ter onderbouwing van haar stellingen heeft DSW een brief van 26 oktober 2023 overgelegd, waarin zij deze betalingsregeling aan [gedaagde] heeft bevestigd. Uit deze brief valt af te leiden dat de betalingsregeling inderdaad een tijdelijk karakter had, en wel tot 26 april 2024 en dat de betalingsregeling zou komen te vervallen indien [gedaagde] de betalingsregeling niet zou nakomen. [gedaagde] heeft bij antwoord erkend dat hij één maand de betalingsregeling niet is nagekomen.
2.6.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de betalingsregeling die partijen hebben afgesproken inmiddels is geëindigd, zowel vanwege het tijdelijke karakter van de betalingsregeling als ook (of in ieder geval) vanwege het feit dat [gedaagde] de betalingsregeling niet is nagekomen. Dit betekent dus dat de vordering van DSW opeisbaar is.
De omstandigheid dat [gedaagde] als ex-toeslagpartner gedupeerde van de toeslagenaffaire is, kan niet tot afwijzing van de vordering leiden
2.7.
[gedaagde] heeft verder aangevoerd dat hij gedupeerde van de toeslagenaffaire is. Ter onderbouwing van deze stelling heeft [gedaagde] een brief van 31 december 2024 overgelegd die hij van de staatssecretaris van Financiën – Toeslagen en Douane heeft ontvangen. De kantonrechter leidt uit deze brief af dat [gedaagde] onder de regeling voor ex-toeslagpartners valt. Voor zover [gedaagde] met zijn stelling bedoelt een beroep te doen op het wettelijk moratorium voor gedupeerden van de toeslagenaffaire, overweegt de kantonrechter het volgende.
2.8.
Het moratorium, ook wel bekend als ‘de pauzeknop’, is vastgelegd in artikel 2.20 van de Wet hersteloperatie toeslagen. Deze regeling houdt in dat, zodra de Belastingdienst een forfaitaire tegemoetkoming heeft betaald aan een gedupeerde van de toeslagenaffaire, er een afkoelingsperiode van één jaar gaat lopen. Gedurende deze periode mogen schuldeisers de gedupeerde niet dwingen om schulden af te betalen die vóór ingang van de afkoelingsperiode zijn ontstaan. Blijkens de wetsgeschiedenis geldt het wettelijk moratorium echter niet voor ex-toeslagpartners. [gedaagde] komt daarom als ex-toeslagpartner geen beroep toe op het wettelijk moratorium.
2.9.
Het voorgaande betekent dat de omstandigheid dat [gedaagde] als ex-toeslagenpartner gedupeerde is van de toeslagenaffaire – hoe vervelend ook – niet tot afwijzing van de vordering van DSW kan leiden. Hoewel de kantonrechter begrijpt dat de toeslagenaffaire voor [gedaagde] als ex-toeslagpartner grote (financiële) gevolgen heeft gehad, ontslaat deze omstandigheid [gedaagde] niet van zijn betalingsverplichting tegenover DSW.
De (handmatige) betalingen voor de zorgpremie van januari tot en met juli 2024 staan los van deze procedure
2.10.
[gedaagde] heeft verder bij dupliek nog aangevoerd dat hij de zorgpremie voor de maanden januari tot en met juli 2024 handmatig heeft overgemaakt naar DSW, welke stelling hij met betaalbewijzen heeft onderbouwd. Naar het oordeel van de kantonrechter kan ook deze stelling niet tot afwijzing van de onderhavige vordering van DSW leiden. Deze betalingen staan namelijk helemaal los van de vordering van DSW in deze procedure, nu DSW in deze procedure betaling vordert van het eigen risico over de periode van 1 oktober 2012 tot 1 april 2020.
[gedaagde] moet € 2.137,28 aan eigen risico aan DSW betalen
2.11.
Gelet op het voorgaande, wijst de kantonrechter de vordering van DSW toe. Dit betekent dat [gedaagde] € 2.137,28 aan eigen risico aan DSW moet betalen. De kantonrechter gaat er vanuit dat DSW (en haar deurwaarder) tijdens de tenuitvoerlegging van dit vonnis rekening houden met de (financiële) situatie van [gedaagde] als ex-toeslagpartner.
[gedaagde] moet € 424,21 aan incassokosten betalen
2.12.
De incassokosten van € 424,21 worden toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW).
[gedaagde] moet de rente betalen
2.13.
De rente wordt toegewezen op de wijze zoals vermeld bij de beslissing, omdat DSW genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.14.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde], omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan DSW moet betalen op € 137,38 aan dagvaardingskosten, € 496,00 aan griffierecht, € 476,00 aan salaris voor de gemachtigde (twee punten x € 238,00) en € 119,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 1.228,38. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.15.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat DSW dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan DSW te betalen € 2.137,28 aan hoofdsom, € 424,21 aan buitengerechtelijke incassokosten en € 662,84 aan vervallen rente tot 30 september 2024, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 over de hoofdsom vanaf 30 september 2024 tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van DSW worden begroot op € 1.228,38;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijs af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.J. Wetzels en in het openbaar uitgesproken.
62828
Kamerstukken II 2022/23, 36352, nr. 3, p. 14.