Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-04-17
ECLI:NL:RBROT:2025:10015
Civiel recht; Insolventierecht
Voorlopige voorziening
2,344 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummers]
uitspraakdatum: 17 april 2025
[verzoekster]
,
wonende te [adres]
[postcode] [woonplaats],
verzoekster.
Procesverloop
Verzoekster heeft op 21 maart 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 24 maart 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 10 april 2025.
Ter zitting van 10 april 2025 zijn verschenen en gehoord:
verzoekster;
de heer mr. A. Karacelik, werkzaam bij Staal & Steen Advocaten (hierna: advocaat verzoekster);
[naam 1], verhuurder (hierna: verweerder);
de heer mr. M.D. Winter, werkzaam bij Winter Advocaat, (hierna: advocaat verweerder);
[naam 2], tolk.
Verzoekster heeft voorafgaand aan de zitting meerdere e-mails met bijlagen aan de rechtbank toegezonden.
De heer mr. M.D. Winter, heeft namens verweerder voorafgaand aan de zitting op 9 april 2025 aan de rechtbank een verweerschrift toegezonden.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerder te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 30 augustus 2024 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.
De huurachterstand is ontstaan doordat verzoekster een geschil had met de verhuurder over reparatie van gebreken in de woning van verzoekster. Zij heeft de reparatiekosten van de gebreken aan de woning verrekend met de huur. Verzoekster heeft ter zitting verklaard dat zij een PW-uitkering op basis van kostendelersnorm ontvangt omdat haar dochter en kleinzoon inwonend zijn. Haar dochter betaalt kostgeld. Dit is ook zo afgesproken met de gemeente. De huur bedraagt € 400,--. Daarnaast ontvangt verzoekster huurtoeslag ter hoogte van € 231,--. De huurbetalingen vanaf augustus 2024 tot en met april 2025 zijn tijdig voldaan. Verzoekster beheert haar eigen financiën en heeft ter zitting verklaard dit ook zelfstandig te kunnen doen. Daarnaast heeft verzoekster ter zitting verklaard dat zij in staat is om de huurachterstand te voldoen.
De advocaat van verzoekster heeft ter zitting verklaard dat verzoekster wordt begeleid door een maatschappelijk consulent die haar heeft aangemeld voor budgetbeheer.
3Het verweer
Verweerder stelt zich op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen. Verweerder stelt dat zijn belangen boven die van verzoekster dienen te worden gesteld omdat hij op grond van dringend eigen gebruik recht en belang heeft om de woning op korte termijn beschikbaar te krijgen. Verweerder heeft de wonig nodig voor zijn twee kinderen die zich hebben ingeschreven voor hoger onderwijs in Nederland voor aankomend studiejaar. Verweerder stelt dat hij de woning destijds heeft aangekocht teneinde op termijn zijn studerende kinderen onderdak te kunnen bieden zodat zij in alle rust de voorgenomen studies kunnen volgen en afronden. Verweerder stelt dat er in de woning een grondige binnenrenovatie vereist is waarbij – gelet op de personeelstekort in de bouw – verweerder enkele maanden nodig zal moeten hebben om deze binnenrenovatie te realiseren. Verweerder stelt daarnaast dat er op dit moment enig inzicht ontbreekt binnen welk termijn de huurachterstand – met daarbij door de rechtbank opgelegde proceskosten – door verzoekster zal zijn voldaan waardoor het belang van de verhuurder boven dat van verzoekster zou moeten uitvallen. Ter zitting heeft de advocaat van verweerder verklaard dat verweerder bereid is om verzoekster een termijn te geven voor het vinden van een andere woning maar stelt dat zes maanden hiervoor te lang is gelet op het dringend eigen gebruik van verweerder. Daarnaast heeft verweerder ter zitting beaamd dat verzoekster vanaf augustus 2024 tot en met april 2025 de huurbetalingen tijdig heeft voldaan.
Beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 30 augustus 2024 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 18 maart 2025 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerder op 25 maart 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerder, anderzijds.
Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.
Het belang van verweerder bestaat erin dat hij het vonnis van 30 augusts 2024 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoekster ontvangt een PW-uitkering op basis van kostendelersnorm. De dochter van verzoekster betaalt kostgeld en daarnaast ontvangt verzoekster huurtoeslag. Het inkomen van verzoekster is voldoende om de lopende huurbetalingen tijdig te voldoen. De huurbetalingen vanaf augustus 2024 tot en met april 2025 zijn tijdig voldaan. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekster zwaarder te wegen dan het belang van verweerder. Gelet op de schuldenlast van verzoekster en het aantal schuldeisers (drie schuldeisers) zou het in principe voor haar mogelijk moeten zijn om op korte termijn een aanbod aan haar schuldeisers te doen. De rechtbank ziet daarom aanleiding om af te wijken van de verzochte termijn van zes maanden. De rechtbank zal het moratorium toewijzen voor drie maanden.
De rechtbank merkt op dat in het verweerschrift verweerder een beroep doet op dringend eigen gebruik van de woning. De inhoudelijke beoordeling van het beroep op eigen gebruik van de woning is niet opgenomen in het ontruimingsvonnis en ligt overigens buiten het toetsingskader van de rechtbank in deze procedure. De rechtbank oordeelt uitsluitend over het financiële gedeelte van het geschil.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerder in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
Dictum
De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 30 augustus 2024 op verzoek van verweerder uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekster gelegen aan [adres], voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van drie maanden vanaf 24 maart 2025;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekster de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aukema, rechter, en in aanwezigheid van I. van Gemerde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 17 april 2025.