Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-04-17
ECLI:NL:RBROT:2025:10014
Civiel recht; Insolventierecht
Voorlopige voorziening
2,030 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummers]
uitspraakdatum: 17 april 2025
[verzoekser]
,
wonende te [adres]
[postcode] [woonplaats],
verzoekster.
Procesverloop
Verzoekster heeft op 7 maart 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 7 maart 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 26 maart 2025. Per e-mail van 12 maart 2025 heeft schuldhulpverlening bericht dat verzoekster verhinderd was in verband met een ziekenhuisafspraak. Schulphulpverlening heeft verzocht om de zitting te verplaatsen. De rechtbank heeft een nieuwe zittingsdatum bepaald op 10 april 2025.
Ter zitting van 10 april 2025 zijn verschenen en gehoord:
verzoekster;
mevrouw C. Rodrigues, werkzaam bij Geldplein Rotterdam (hierna: schuldhulpverlening).
[naam], werkzaam bij advocatenkantoor VVH Advocaten heeft namens Spring Properties S.A.R.L. (hierna: verweerster) voorafgaand aan de zitting op 8 april 2025 aan de rechtbank een verweerschrift toegezonden.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 7 februari 2025 in kort geding tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.
Verzoekster heeft ter zitting verklaard dat de huurachterstand is ontstaan doordat zij in scheiding ligt met haar ex-partner. Haar ex-partner had toegezegd de huur tot de scheiding te betalen. Verzoekster wist niet dat de huur sinds september 2024 niet werd voldaan. Verzoekster heeft daarnaast enige tijd geen toegang gehad tot haar bankrekening. Vorig jaar januari heeft verzoekster een hersenbloeding gehad waardoor zij moeite heeft met het beheren van haar financiën. Zij ontvangt een WIA-uitkering ter hoogte van € 1.300,--. De huur bedraagt € 893,91. Verzoekster heeft ter zitting verklaard dat zij ze huur over april 2025 heeft voldaan. Er zal huurtoeslag worden aangevraagd. Daarnaast zal verzoekster zich onder bewind laten stellen. Hierdoor is het aannemelijk dat de lopende huurtermijnen tijdig zullen worden voldaan.
3Het verweer
Verweerster geeft in haar verweerschrift aan dat verzoekster na het ontruimingsvonnis de huurachterstand onbetaald heeft gelaten en ook de huur van februari 2025 en maart 2025 niet heeft voldaan. Verweerster heeft meerdere aanmaningen naar verzoekster gestuurd en daarnaast heeft verweerster verzoekster al eerder gewezen op gemeentelijke schuldhulpverlening. Verzoekster heeft hier niet op gereageerd. Tevens stelt verweerster dat, gelet op de hoogte van de achterstand en het structueel niet betalen van de huur, zij verwacht dat de huurachterstand alleen maar verder zal oplopen. Verweerster stelt dat aangenomen kan worden dat verzoekster niet de intentie heeft of heeft gehad om tot een betalingsregeling te komen. Verweerster heeft veel kosten gemaakt terwijl er vanuit verzoekster geen enkele actie is ondernomen om tot een oplossing te komen. Verweerster stelt zich op het standpunt dat er duidelijk sprake is van een gestructureerde, ernstige wanbetaling aan de zijde van verzoekster. Zij stelt dat er geen intentie is aan de zijde van verzoekster om haar financiële problemen op te lossen waardoor het verzoek dient te worden afgewezen.
Beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnis in kort geding van de rechtbank Rotterdam van 7 februari 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 19 februari 2025 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 11 maart 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis in kort geding van 7 februari 2025 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoekster heeft ter zitting verklaard dat zij op 21 maart 2025 de huur over april 2025 heeft betaald. De inkomsten van verzoekster zijn voldoende om de lopende huurtermijnen tijdig te voldoen. Tevens zal huurtoeslag worden aangevraagd. Verzoekster zal zich onder beschermingsbewind laten stellen. Op deze manier is het voldoende gewaarborgd dat de lopende huurtermijnen tijdig zullen worden voldaan. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekster zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
Dictum
De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 7 februari 2025 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis in kort geding van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekster gelegen aan [adres], voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 7 maart 2025;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekster de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aukema, rechter, en in aanwezigheid van I. van Gemerde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 17 april 2025.