Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-04-17
ECLI:NL:RBROT:2025:10012
Civiel recht; Insolventierecht
Voorlopige voorziening
2,120 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummers]
uitspraakdatum: 17 april 2025
[verzoeker]
,
wonende te [adres]
[postcode] [woonplaats],
verzoeker.
Procesverloop
Verzoeker heeft op 17 maart 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 18 maart 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 10 april 2025.
Ter zitting van 10 april 2025 zijn verschenen en gehoord:
verzoeker;
mevrouw mr. A.F.I. Derby, werkzaam bij Derby Advocatuur, advocaat van verzoeker (hierna: advocaat);
[naam], werkzaam bij Stichting Woonstad (hierna: verweerster).
De advocaat heeft voorafgaand aan de zitting op 4 april 2025 nadere stukken aan de rechtbank toegezonden.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 24 december 2024 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat de schulden zijn ontstaan door verslavings-problematiek. Deze verslavingsproblematiek zorgde voor zowel mentale als financiële problemen. Verzoeker heeft ter zitting verklaard een oplossing te willen voor zijn schuldenproblematiek en heeft hiervoor hulp gezocht. Verzoeker verklaart dat hij in november 2024 een stabilisatieovereenkomst heeft getekend met Geldplein Rotterdam. Hij heeft aangegeven dat het van belang is dat hij hulp krijgt omdat hij niet zelf zijn financiën kan beheren. Verzoeker heeft twee weken in hechtenis gezeten waardoor hij de huur over april 2025 niet tijdig heeft kunnen voldoen. Verzoeker ontvangt een PW-uitkering ter hoogte van € 1.278,18. Er ligt beslag op het inkomen van verzoeker maar hij weet niet precies waar deze beslaglegging betrekking op heeft. De huur bedraagt € 602,34. Daarnaast ontvangt verzoeker huurtoeslag ter hoogte van € 271,--. Deze inkomsten zijn voldoende om de lopende huurbetalingen tijdig te voldoen.
De advocaat van verzoeker heeft ter zitting verklaard dat verzoeker graag zijn financiën uit handen geeft aan schuldhulpverlening. Zij verklaart dat verzoeker meermaals contact heeft opgenomen met de gemeente over het opstarten van de schulddienstverlening maar dat door de lange wachttijden verzoeker nog in afwachting is van het opstarten van het schulddienst-verleningstraject. Daarnaast verklaart zij dat de laatste huurbetaling mis is gegaan vanwege de hechtenis van verzoeker.
3Het verweer
Verweerster stelt zich op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen. Ter zitting heeft verweerster verklaard dat verzoeker de huur niet althans niet tijdig betaald. Verweerster verklaart dat zij al eerder hulp van Geldplein heeft ingeroepen voor verzoeker. In juni 2024 heeft zij verzoeker aangemeld bij de gemeente en in juli 2024 is er een gesprek geweest met het wijkteam. In september 2024 heeft zij verzoeker aangemeld bij het Expertise Team Financiën (ETF) van de gemeente Rotterdam en in november 2024 is hij aangemeld bij Kredietbank Rotterdam, nu Geldplein Rotterdam. In voornoemde periode is de huur niet door verzoeker voldaan. Ter zitting heeft verweerster verklaard dat de huur over december 2024 en februari 2025 niet is voldaan. De huur over april 2025 is voldaan, zij het te laat, op 7 april 2025. Daarnaast verklaart verweerster dat zij twijfelt of verzoeker – ondanks dat hij voldoende inkomen heeft om de huurbetalingen tijdig te kunnen voldoen – de huurbetalingen ook daadwerkelijk tijdig zal voldoen vanwege zijn verslavingsproblematiek.
Beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 24 december 2024 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 4 maart 2025 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 20 maart 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 24 december 2024 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat hij een oplossing wil voor zijn schuldenproblematiek. Hij heeft al een stabilisatieovereenkomst getekend met Geldplein Rotterdam en is in afwachting tot het opstarten van het schulddienstverleningstraject. Het inkomen van verzoeker is voldoende om de lopende huurbetalingen tijdig te voldoen. De huur over april 2025 is voldaan, zij het te laat, op 7 april 2025. Verzoeker is zich ervan bewust dat hij de lopende huurbetalingen tijdig, dus voor de eerste van de opvolgende maand, dient te voldoen. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
Dictum
De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 24 december 2024 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker gelegen aan [adres], voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 18 maart 2025;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aukema, rechter, en in aanwezigheid van I. van Gemerde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 17 april 2025.