Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-10-10
ECLI:NL:RBROT:2024:9869
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
1,236 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/6985
uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 oktober 2024 in de zaak tussen
[naam verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. O.F.X. Roozemond),
en
het Dagelijks Bestuur van GR Sociaal.
Inleiding
1. Met het primaire besluit van 4 september 2023 heeft het college de bijstandsuitkering van verzoekster herzien over de periode van 22 juni 2021 tot en met 14 december 2022 en een bedrag teruggevorderd van € 24.009,20.
2. Hiertegen heeft verzoekster bezwaar gemaakt. Ook heeft zij de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
3. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Beoordeling
4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist.
5. De griffier van de rechtbank heeft op 16 juli 2024 aan de gemachtigde van verzoekster gevraagd om het spoedeisend belang nader toe te lichten. Er is namelijk sprake van een herziening en terugvordering van de uitkering over een afgesloten periode uit het verleden. Daarnaast dient het college bij de invordering rekening te houden met de beslagvrije voet. De griffier heeft daarom ook gevraagd om een overzicht van verzoeksters inkomsten en vaste lasten.
6. Bij e-mail van 20 augustus 2024 heeft de gemachtigde van verzoekster toegelicht dat zij deelneemt aan het traject Samenwonen op proef. Als de herziening en terugvordering stand zouden houden en verzoekster daadwerkelijk ruim € 23.000,00 verschuldigd wordt, zal zij de samenwoning beëindigen omdat deze schuld onvermijdelijk zijn weerslag zal hebben op haar partner. Verzoekster is het traject Samenwonen op proef onbevangen
ingegaan en was zich van geen intrekking of herziening en terugvordering bewust. Als zij hiervan op de hoogte was geweest, was zij het traject Samenwonen op proef nimmer ingestapt. Verzoekster heeft daarom belang bij een voorlopige voorziening.
7. De voorzieningenrechter ziet in de toelichting die gemachtigde van verzoekster heeft gegeven onvoldoende spoedeisend belang om tot inhoudelijke beoordeling van het verzoek over te gaan. Verzoekster ontvangt op dit moment inkomen in de vorm van bijstand, waarbij € 60,83 per maand wordt ingehouden voor de verrekening van het terug te vorderen bedrag. Bij de invordering is volgens de voorzieningenrechter rekening gehouden met de beslagvrije voet. Op het door de griffier opgevraagde overzicht van verzoeksters inkomsten en vaste lasten is niet gereageerd. Verzoekster heeft daarom niet aannemelijk gemaakt dat zij door het primaire besluit in een financiële noodsituatie verkeert. Dat verzoekster de periode van proef samenwonen wil beëindigen als blijkt dat ze daadwerkelijk een schuld heeft van € 23.000,- levert naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen onverwijlde spoed op. Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat een schorsing van het primaire besluit bij een voorlopige voorziening naar zijn aard niet kan leiden tot de door verzoekster blijkens de toelichting van 20 augustus 2024 gewenste duidelijkheid over het al dan niet standhouden van de herziening en terugvordering in bezwaar en/of (hoger) beroep. Het gaat daarbij immers om een tijdelijke maatregel.
8. Weliswaar kan er ook sprake zijn van een spoedeisend belang indien sprake is van een apert onjuist besluit, maar daarvan is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake. Het college heeft een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de uitkering, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapportage. Uit de bevindingen blijkt niet dat de grondslag van het bestreden besluit onmiskenbaar onjuist dan wel onvolledig is.
Conclusie
9. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt wegens het ontbreken van spoedeisend belang afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Goossens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L. Zwager, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 10 oktober 2024.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.