Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-10-07
ECLI:NL:RBROT:2024:9841
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,468 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/8601
uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 oktober 2024 in de zaak tussen
[verzoekster], uit [plaatsnaam], verzoekster
(gemachtigde: mr. K.M. van der Boor),
en
het college van burgemeester en wethouders van Voorne aan Zee
(gemachtigde: mr. M.L. Groeneveld).
Inleiding
1. Deze uitspraak gaat over de bijstandsuitkering van verzoekster. Met het besluit van 20 augustus 2024 heeft het college onder meer de bijstandsuitkering van verzoekster per 1 juli 2024 ingetrokken. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en heeft de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
1.1.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 30 september 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van het college.
Beoordeling
Achtergrondinformatie
2. Verzoekster ontving sinds 30 november 2022 een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw). Halverwege 2024 heeft het college verzoekster verzocht om (onder meer) haar bankafschriften over de periode vanaf 6 februari 2023 en een kopie van haar huurspecificatie aan te leveren. Verzoekster heeft meerdere bewijsstukken overgelegd.
2.1.
Het college heeft geconstateerd dat verzoekster bijschrijvingen van derden, waaronder haar moeder, vrienden en haar ex-partner, en stortingen op haar bankrekening ontvangt. Ook heeft het college geconstateerd dat de bijschrijvingen en stortingen door derden vanaf juli 2024 niet meer plaatsvinden.
Waar gaat het in deze zaak om?
3. Met het besluit van 20 augustus 2024 heeft het college de bijstandsuitkering van verzoekster over de periode van 10 februari 2023 tot en met 31 mei 2024 herzien en de te veel betaalde bijstandsuitkering teruggevorderd, omdat verzoekster zich niet aan de inlichtingen- en medewerkingsplicht heeft gehouden. Verzoekster heeft de bijschrijvingen van derden en stortingen niet uit eigen beweging gemeld bij het college. Deze stortingen en bijschrijvingen moeten als inkomen worden gezien en in mindering worden gebracht op de bijstandsuitkering. Verder heeft het college de bijstandsuitkering van verzoekster per 1 juli 2024 ingetrokken, omdat hij het recht op bijstand per die datum niet langer kan vaststellen. Verzoekster heeft een hoge huur en ontvangt geen woonkostentoeslag. Gelet hierop is het onduidelijk hoe verzoekster zonder de bijschrijvingen van derden en stortingen in haar levensonderhoud voorziet.
3.1.
Verzoekster is het niet met dit besluit eens en heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Ook heeft zij de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Zij wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat haar bijstandsuitkering weer wordt uitbetaald.
Heeft verzoekster een spoedeisend belang?
4. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. De voorzieningenrechter dient eerst te kijken of er voldoende spoedeisend belang is, voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld.
4.1.
Door de intrekking van verzoeksters bijstandsuitkering vanaf 1 juli 2024 ontvangt zij van het college geen geld meer om in haar levensonderhoud te kunnen voorzien. Dit gegeven levert voldoende spoedeisend belang op om deze intrekking vanaf 1 juli 2024 inhoudelijk te beoordelen.
4.2.
Ten aanzien van de herziening van het recht op bijstand en de terugvordering van de te veel ontvangen bijstand over de periode tot 1 juli 2024 is er geen sprake van spoedeisendheid, omdat er op dit moment (nog) niet wordt ingevorderd.
4.3.
De voorzieningenrechter zal de zaak dus inhoudelijk behandelen voor zover het het recht op bijstand per 1 juli 2024 betreft.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe.
5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Waarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek toe?
6. De voorzieningenrechter volgt het standpunt van het college dat het recht op bijstand vanaf 1 juli 2024 niet vast te stellen is, niet. Verzoekster heeft in de periode tot en met 1 juli 2024 weliswaar veel bijschrijvingen van derden en stortingen ontvangen om in haar levensonderhoud te voorzien, maar dit zegt niets over het recht op bijstand over de periode na 1 juli 2024. Op grond van artikel 45 eerste lid, eerste volzin, van de Pw wordt het recht op bijstand immers per kalendermaand vastgesteld en betaald. Verzoekster heeft een hoge huur en zal wellicht niet kunnen rondkomen met alleen de voor haar geldende bijstandsnorm. Dit betekent echter niet dat verzoekster helemaal geen recht op bijstand heeft. Uit het dossier blijkt ook dat er in de periode vanaf 10 februari 2023 maanden waren waarin nog wel enig recht op bijstand bestond. Het college zal daarom per kalendermaand moeten vaststellen hoeveel bijschrijvingen van derden, stortingen en andere inkomsten er zijn geweest en aan de hand van bankafschriften of andere gegevens (achteraf) het recht op bijstand moeten vaststellen. De voorzieningenrechter ziet dus aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Zij schorst daarom het primaire besluit tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar voor zover het de intrekking van de uitkering vanaf 1 juli 2024 betreft.
7. De voorzieningenrechter wijst verzoekster er wel op dat bijschrijvingen van derden en stortingen, ongeacht of dit een lening of een schenking is, worden gezien als inkomsten die in mindering moeten worden gebracht op de bijstandsuitkering in die kalendermaand. De voorzieningenrechter begrijpt dat verzoekster bijschrijvingen van derden en stortingen ontvangt vanwege de hoge huur die zij voor haar woning betaalt. Zij zal hier op korte termijn een oplossing voor moeten vinden zodat zij zonder bijschrijvingen van derden en stortingen rond kan komen terwijl zij een bijstandsuitkering ontvangt. Ook wijst de voorzieningenrechter verzoekster op de verplichting die eerder bij de toekenning van de bijstandsuitkering is opgelegd ten aanzien van het vastleggen van de kinderalimentatie.
Conclusie
8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het besluit van 20 augustus 2024 wordt geschorst voor zover het de intrekking van de bijstandsuitkering per 1 juli 2024 betreft tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
9. Omdat het verzoek wordt toegewezen, krijgt verzoekster een vergoeding van de proceskosten die zij heeft gemaakt. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 875,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.750,-.
10. De voorzieningenrechter wijst erop dat verzoekster wegens betalingsonmacht is vrijgesteld van het betalen van griffierecht, zodat het college het griffierecht niet hoeft te vergoeden.
Dictum
De voorzieningenrechter:
- schorst het besluit van 20 augustus 2024 voor zover het de intrekking van de bijstandsuitkering per 1 juli 2024 betreft tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.750,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Lunenberg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L. Zwager, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2024.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/8601
uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 oktober 2024 in de zaak tussen
[verzoekster], uit [plaatsnaam], verzoekster
(gemachtigde: mr. K.M. van der Boor),
en
het college van burgemeester en wethouders van Voorne aan Zee
(gemachtigde: mr. M.L. Groeneveld).
Inleiding
1. Deze uitspraak gaat over de bijstandsuitkering van verzoekster. Met het besluit van 20 augustus 2024 heeft het college onder meer de bijstandsuitkering van verzoekster per 1 juli 2024 ingetrokken. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en heeft de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
1.1.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 30 september 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van het college.
Beoordeling
Achtergrondinformatie
2. Verzoekster ontving sinds 30 november 2022 een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw). Halverwege 2024 heeft het college verzoekster verzocht om (onder meer) haar bankafschriften over de periode vanaf 6 februari 2023 en een kopie van haar huurspecificatie aan te leveren. Verzoekster heeft meerdere bewijsstukken overgelegd.
2.1.
Het college heeft geconstateerd dat verzoekster bijschrijvingen van derden, waaronder haar moeder, vrienden en haar ex-partner, en stortingen op haar bankrekening ontvangt. Ook heeft het college geconstateerd dat de bijschrijvingen en stortingen door derden vanaf juli 2024 niet meer plaatsvinden.
Waar gaat het in deze zaak om?
3. Met het besluit van 20 augustus 2024 heeft het college de bijstandsuitkering van verzoekster over de periode van 10 februari 2023 tot en met 31 mei 2024 herzien en de te veel betaalde bijstandsuitkering teruggevorderd, omdat verzoekster zich niet aan de inlichtingen- en medewerkingsplicht heeft gehouden. Verzoekster heeft de bijschrijvingen van derden en stortingen niet uit eigen beweging gemeld bij het college. Deze stortingen en bijschrijvingen moeten als inkomen worden gezien en in mindering worden gebracht op de bijstandsuitkering. Verder heeft het college de bijstandsuitkering van verzoekster per 1 juli 2024 ingetrokken, omdat hij het recht op bijstand per die datum niet langer kan vaststellen. Verzoekster heeft een hoge huur en ontvangt geen woonkostentoeslag. Gelet hierop is het onduidelijk hoe verzoekster zonder de bijschrijvingen van derden en stortingen in haar levensonderhoud voorziet.
3.1.
Verzoekster is het niet met dit besluit eens en heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Ook heeft zij de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Zij wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat haar bijstandsuitkering weer wordt uitbetaald.
Heeft verzoekster een spoedeisend belang?
4. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. De voorzieningenrechter dient eerst te kijken of er voldoende spoedeisend belang is, voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld.
4.1.
Door de intrekking van verzoeksters bijstandsuitkering vanaf 1 juli 2024 ontvangt zij van het college geen geld meer om in haar levensonderhoud te kunnen voorzien. Dit gegeven levert voldoende spoedeisend belang op om deze intrekking vanaf 1 juli 2024 inhoudelijk te beoordelen.
4.2.
Ten aanzien van de herziening van het recht op bijstand en de terugvordering van de te veel ontvangen bijstand over de periode tot 1 juli 2024 is er geen sprake van spoedeisendheid, omdat er op dit moment (nog) niet wordt ingevorderd.
4.3.
De voorzieningenrechter zal de zaak dus inhoudelijk behandelen voor zover het het recht op bijstand per 1 juli 2024 betreft.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe.
5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Waarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek toe?
6. De voorzieningenrechter volgt het standpunt van het college dat het recht op bijstand vanaf 1 juli 2024 niet vast te stellen is, niet. Verzoekster heeft in de periode tot en met 1 juli 2024 weliswaar veel bijschrijvingen van derden en stortingen ontvangen om in haar levensonderhoud te voorzien, maar dit zegt niets over het recht op bijstand over de periode na 1 juli 2024. Op grond van artikel 45 eerste lid, eerste volzin, van de Pw wordt het recht op bijstand immers per kalendermaand vastgesteld en betaald. Verzoekster heeft een hoge huur en zal wellicht niet kunnen rondkomen met alleen de voor haar geldende bijstandsnorm. Dit betekent echter niet dat verzoekster helemaal geen recht op bijstand heeft. Uit het dossier blijkt ook dat er in de periode vanaf 10 februari 2023 maanden waren waarin nog wel enig recht op bijstand bestond. Het college zal daarom per kalendermaand moeten vaststellen hoeveel bijschrijvingen van derden, stortingen en andere inkomsten er zijn geweest en aan de hand van bankafschriften of andere gegevens (achteraf) het recht op bijstand moeten vaststellen. De voorzieningenrechter ziet dus aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Zij schorst daarom het primaire besluit tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar voor zover het de intrekking van de uitkering vanaf 1 juli 2024 betreft.
7. De voorzieningenrechter wijst verzoekster er wel op dat bijschrijvingen van derden en stortingen, ongeacht of dit een lening of een schenking is, worden gezien als inkomsten die in mindering moeten worden gebracht op de bijstandsuitkering in die kalendermaand. De voorzieningenrechter begrijpt dat verzoekster bijschrijvingen van derden en stortingen ontvangt vanwege de hoge huur die zij voor haar woning betaalt. Zij zal hier op korte termijn een oplossing voor moeten vinden zodat zij zonder bijschrijvingen van derden en stortingen rond kan komen terwijl zij een bijstandsuitkering ontvangt. Ook wijst de voorzieningenrechter verzoekster op de verplichting die eerder bij de toekenning van de bijstandsuitkering is opgelegd ten aanzien van het vastleggen van de kinderalimentatie.
Conclusie
8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het besluit van 20 augustus 2024 wordt geschorst voor zover het de intrekking van de bijstandsuitkering per 1 juli 2024 betreft tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
9. Omdat het verzoek wordt toegewezen, krijgt verzoekster een vergoeding van de proceskosten die zij heeft gemaakt. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 875,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.750,-.
10. De voorzieningenrechter wijst erop dat verzoekster wegens betalingsonmacht is vrijgesteld van het betalen van griffierecht, zodat het college het griffierecht niet hoeft te vergoeden.
Dictum
De voorzieningenrechter:
- schorst het besluit van 20 augustus 2024 voor zover het de intrekking van de bijstandsuitkering per 1 juli 2024 betreft tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.750,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Lunenberg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L. Zwager, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2024.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.