Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-08-28
ECLI:NL:RBROT:2024:9811
Civiel recht
Eerste aanleg - meervoudig
8,920 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/649796 / HA ZA 22-1025
Vonnis in incident van 28 augustus 2024
in de zaak van
[naam curator]
in hoedanigheid van curator in het faillissement van Petroplus International B.V.,
kantoorhoudende te Rotterdam,
eiser in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
advocaat mr. J.P.M. Borsboom te Rotterdam,
tegen
1 [gedaagde sub 1] ,
wonende te Zürich, Zwitserland,
gedaagde,
advocaat mr. D.J.F.F.M. Duynstee te Amsterdam,
2. [gedaagde sub 2],
wonende te Rotterdam,
gedaagde,
advocaat mr. D.J.F.F.M. Duynstee te Amsterdam,
3. [gedaagde sub 3],
wonende te Houten,
gedaagde,
advocaat mr. D.J.F.F.M. Duynstee te Amsterdam,
4. [gedaagde sub 4],
wonende te Bussum,
gedaagde,
advocaat mr. D.J.F.F.M. Duynstee te Amsterdam,
5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
TMF NETHERLANDS B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde,
advocaat mr. R.G.J. de Haan te Amsterdam,
6. [gedaagde sub 6],
wonende te Palm Springs, Californië, Verenigde Staten van Amerika,
gedaagde,
advocaat mr. D.J.F.F.M. Duynstee te Amsterdam,
7. [gedaagde sub 7],
wonende te Atlanta, Georgia, Verenigde Staten van Amerika,
gedaagde,
advocaat mr. D.J.F.F.M. Duynstee te Amsterdam,
8. [gedaagde sub 8],
wonende te Fort Lauderdale, Florida, Verenigde Staten van Amerika,
gedaagde,
advocaat mr. D.J.F.F.M. Duynstee te Amsterdam,
9. THOMAS DANIEL [gedaagde sub 9],
wonende te Palm Beach County, West Palm Beach, Florida, Verenigde Staten van Amerika,
gedaagde,
eiser in het incident,
advocaat mr. M.W.E. Evers te Amsterdam,
10. [gedaagde sub 10],
wonende te Palm Beach County, Florida, Verenigde Staten van Amerika,
gedaagde,
eiser in het incident,
advocaat mr. M.W.E. Evers te Amsterdam.
Eiser in de hoofdzaak wordt hierna de curator genoemd. Gedaagden 1 tot en met 4 en 6 tot en met 8 worden afzonderlijk [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] , [gedaagde sub 4] , [gedaagde sub 6] , [gedaagde sub 7] en [gedaagde sub 8] genoemd en gezamenlijk [gedaagde sub 1] c.s. Gedaagde 5 wordt TMF genoemd en gedaagden 9 en 10 worden [gedaagde sub 9] en [gedaagde sub 10] genoemd. [gedaagde sub 1] c.s., [gedaagde sub 9] en [gedaagde sub 10] worden gezamenlijk aangeduid als de bestuurders.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 18 augustus 2022, met bijlagen 1 tot en met 28 (betekeningsstukken),
de akte houdende overlegging producties, met producties 1 tot en met 71,
de conclusie van antwoord van TMF, met producties 1 tot en met 11,
de conclusie van antwoord van [gedaagde sub 1] c.s., met producties B1 tot en met B81,
de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid tevens (voorwaardelijke) conclusie van antwoord van [gedaagde sub 9] en [gedaagde sub 10] , met producties 1 tot en met 20,
de incidentele conclusie van antwoord van de curator, met producties 72 tot en met 78,
de brief van de rechtbank van 30 januari 2024, waarbij partijen zijn opgeroepen voor een mondelinge behandeling,
de brief van de rechtbank van 8 mei 2024, waarin een zittingsagenda aan partijen is verstuurd,
de akte overlegging producties van [gedaagde sub 9] en [gedaagde sub 10] , met productie 21,
de mondeling behandeling in het incident van 3 juni 2024, en de daarbij overgelegde spreekaantekeningen van de curator en van [gedaagde sub 9] en [gedaagde sub 10] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
Feiten
2.1.
De bestuurders zijn gedurende verschillende, deels overlappende periodes statutair bestuurder geweest van Petroplus International B.V. (hierna: PPI). [gedaagde sub 9] en [gedaagde sub 10] waren beiden bestuurder van 30 mei 2006 tot 25 augustus 2009.
2.2.
PPI maakte deel uit van een groep vennootschappen in de olieraffinage-industrie met aan het hoofd het in Zwitserland gevestigde Petroplus Holdings AG.
2.3.
Bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 6 augustus 2012 is PPI op eigen aangifte in staat van faillissement verklaard met aanstelling van de curator tot curator.
Geschil
3.1.
De curator vordert – samengevat – de bestuurders en TMF, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan de curator van het boedeltekort in het faillissement van PPI, nader op te maken bij staat en te vermeerderen met rente en kosten.
3.2.
De curator baseert zijn vorderingen op de bestuurders primair op artikel 2:248 BW. Hij stelt dat het faillissement van PPI is veroorzaakt door formeel en materieel kennelijk onbehoorlijk bestuur. Subsidiair baseert de curator zijn vorderingen op artikel 2:9 BW (onbehoorlijke taakvervulling waarvan de bestuurders persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt) en meer subsidiair op artikel 6:162 BW (onrechtmatig handelen jegens de gezamenlijke crediteuren van PPI).
De curator verwijt de bestuurders – kort samengevat – dat zij de administratieplicht hebben geschonden en dat zij betrokken zijn geweest bij het opzetten, uitvoeren en handhaven van een onverantwoorde financieringsstructuur en risicovol financieel beleid van PPI. De bestuurders hebben PPI volgeladen en vol gehouden met extreem hoge schulden en verplichtingen, terwijl van meet af aan duidelijk was (en bleef) dat PPI die nooit zou kunnen nakomen, tenzij de zeer riskante concernstrategie zou slagen. Duidelijk was dat, als die strategie niet zou slagen, PPI zou failleren met achterlating van zeer hoge schulden. De bestuurders hadden de voorzienbare risico’s voor PPI en de (gezamenlijke) crediteuren van PPI moeten afdekken, maar dat hebben zij niet gedaan.
De curator baseert de vordering op TMF op artikel 6:170 althans 6:171 BW.
3.3.
De conclusie van zowel [gedaagde sub 1] c.s. als TMF en [gedaagde sub 9] en [gedaagde sub 10] strekt tot afwijzing van het gevorderde, met veroordeling van de curator, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten (en de nakosten), te vermeerderen met rente.
Geschil
4.1.
[gedaagde sub 9] en [gedaagde sub 10] vorderen dat de rechtbank zich ten aanzien van hen onbevoegd verklaart, met veroordeling van de curator, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met rente.
4.2.
[gedaagde sub 9] en [gedaagde sub 10] leggen hieraan – kort gezegd – ten grondslag dat 1) zij met PPI arbitrage in New York zijn overeengekomen, 2) artikel 25 van de Insolventieverordening van 29 mei 2000 (hierna: de Insolventieverordening) niet van toepassing is, 3) volgens de hoofdregel “woonplaats gedaagde” (artikel 2 Rv) er geen rechtsmacht in Nederland is, 4) zij een exclusieve forumkeuze hebben gemaakt voor de rechtbank van Zug, Zwitserland, en 5) alternatieve bevoegdheidsgronden evenmin rechtsmacht in Nederland creëren.
4.3.
De conclusie van de curator strekt tot afwijzing van het gevorderde, met veroordeling van [gedaagde sub 9] en [gedaagde sub 10] , bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten.
Beoordeling
In het incident
5.1.
Hier is sprake van een internationale zaak, omdat [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 6] , [gedaagde sub 7] , [gedaagde sub 8] , [gedaagde sub 9] en [gedaagde sub 10] buiten Nederland woonplaats hebben. Met het incident stellen [gedaagde sub 9] en [gedaagde sub 10] aan de orde of de Nederlandse rechter ten aanzien van hen rechtsmacht heeft. Daarom (en ook ambtshalve) moet de internationale bevoegdheid van de rechtbank worden beoordeeld.
5.2.
[gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] , [gedaagde sub 4] en TMF hebben hun woonplaats respectievelijk vestigingsplaats in Nederland. Ten aanzien van hen is de Nederlandse rechter dus bevoegd (artikel 2 Rv). [gedaagde sub 2] heeft woonplaats in Rotterdam, zodat de rechtbank Rotterdam ten aanzien van hem relatief bevoegd is (artikel 99 Rv). Op grond van artikel 107 Rv is deze rechtbank ook ten aanzien van [gedaagde sub 3] , [gedaagde sub 4] en TMF relatief bevoegd.
Artikel 2:248 BW
5.3.
Bij verzoekschrift van 3 augustus 2012 heeft PPI de rechtbank Rotterdam verzocht haar op eigen aangifte in staat van faillissement te verklaren. Ten aanzien van de bevoegdheid van de rechtbank Rotterdam wordt in dit verzoekschrift opgemerkt dat PPI in Rotterdam is gevestigd en dat daarom wordt vermoed dat het centrum van voornaamste belangen van PPI in Nederland is gelegen. In het verzoekschrift wordt daaraan toegevoegd dat geen reden is om van dit vermoeden af te wijken, omdat het bestuur van PPI in de praktijk daadwerkelijk opereert in en vanuit Nederland en haar bestuursbesluiten in de regel ook in Nederland worden genomen en vastgesteld.
In het vonnis waarbij PPI failliet is verklaard (zie 2.3), heeft de rechtbank overwogen dat zij op grond van artikel 3 lid 1 van de Insolventieverordening bevoegd was om de insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen, omdat het centrum van voornaamste belangen van PPI in Nederland lag. Naar vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van (thans) de Europese Unie zijn de rechterlijke instanties in het land waar de insolventieprocedure is geopend op grond van artikel 3 lid 1 van de Insolventieverordening ook bevoegd uitspraak te doen in geschillen die rechtstreeks uit die insolventieprocedure voortvloeien en daarmee nauw samenhangen.
5.4.
In deze procedure houdt de curator de bestuurders, waaronder [gedaagde sub 9] en [gedaagde sub 10] , primair op grond van artikel 2:248 BW aansprakelijk voor het boedeltekort (zie 3.1 en 3.2). Een vordering op grond van artikel 2:248 BW kan exclusief worden ingesteld door de curator ten behoeve van de gezamenlijke crediteuren in een in Nederland geopende faillissementsprocedure. De (gezamenlijke) crediteuren komt een dergelijke vordering niet toe. Deze vordering vloeit dus rechtstreeks voort uit de betreffende insolventieprocedure en houdt daar nauw verband mee.
5.5.
Dat wordt niet anders door de door [gedaagde sub 9] en [gedaagde sub 10] aangevoerde omstandigheden – kort samengevat – dat zij in de relevante periode van 3 jaar voorafgaand aan het faillissement (2:248 lid 6 BW) slechts 19 dagen bestuurder zijn geweest en dat de curator niet heeft onderbouwd welke bestuurshandelingen in deze 19 dagen kennelijk onbehoorlijk bestuur opleveren. De curator heeft over het materieel onbehoorlijk bestuur waarvan in zijn visie sprake is geweest nader gesteld dat het gaat over het tot stand brengen en in stand houden van een financieringsstructuur die kennelijk onbehoorlijk bestuur oplevert. [gedaagde sub 9] en [gedaagde sub 10] zijn daarvoor in zijn visie mede verantwoordelijk, ook al zijn zij in de relevante periode slechts gedurende 19 dagen bestuurder geweest. De door [gedaagde sub 9] en [gedaagde sub 10] aangevoerde omstandigheden betreffen een inhoudelijk verweer van [gedaagde sub 9] en [gedaagde sub 10] tegen de primaire vordering van de curator. Dat verweer en wat de curator daar tegenin heeft gebracht dient in de hoofdzaak (verder) te worden beoordeeld en niet in het kader van dit incident.
5.6.
Uit het voorgaande volgt dat de Nederlandse rechter bevoegd is om van de primaire vorderingen kennis te nemen.
Artikel 2:9 BW en artikel 6:162 BW
5.7.
De curator heeft zijn vorderingen subsidiair gebaseerd op artikel 2:9 BW (onbehoorlijke taakvervulling) en meer subsidiair op artikel 6:162 BW (onrechtmatige daad).
5.8.
De internationale bevoegdheid van de rechtbank voor de (meer) subsidiaire vorderingen kan niet worden bepaald aan de hand van Brussel I bis, omdat [gedaagde sub 9] en [gedaagde sub 10] geen woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat van de Europese Unie. Ook andere internationale regelingen op het gebied van de rechterlijke bevoegdheid zijn niet van toepassing. Dat betekent dat de internationale bevoegdheid van de rechtbank voor de (meer) subsidiaire vorderingen beoordeeld moet worden aan de hand van de regels van Nederlands commuun internationaal bevoegdheidsrecht, zoals bepaald in de artikelen 1-13 Rv.
5.9.
Omdat er in deze zaak meerdere gedaagden zijn, is de bevoegdheidsbepaling van artikel 7 lid 1 Rv van belang. Artikel 7 lid 1 Rv bepaalt dat, indien in zaken waarbij een vordering is ingesteld de Nederlandse rechter ten aanzien van een van de gedaagden rechtsmacht heeft, hem deze ook toekomt ten aanzien van in hetzelfde geding betrokken andere gedaagden, mits tussen de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden een zodanige samenhang bestaat, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen.
5.10.
Zoals hiervoor al is overwogen is de rechtbank bevoegd ten aanzien van bestuurders [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] , [gedaagde sub 4] en TMF(zie 5.2). Anders dan [gedaagde sub 9] en [gedaagde sub 10] betogen, kunnen [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] de rol van ankergedaagden voor [gedaagde sub 9] en [gedaagde sub 10] vervullen. Omdat de vorderingen en de feitelijke en juridische grondslagen daarvan voor alle bestuurders (grotendeels) gelijkluidend zijn, bestaat er namelijk zodanige samenhang tussen de vorderingen tegen alle bestuurders, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijk behandeling rechtvaardigen. De omstandigheid dat [gedaagde sub 9] en [gedaagde sub 10] niet in dezelfde periode bestuurders van PPI waren als [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] , maakt dat niet anders. De curator verwijt alle bestuurders gezamenlijk immers dat zij een rol hebben gehad in het opzetten, uitvoeren en in stand houden van de financieringsstructuur en het financieel beleid, dat uiteindelijk heeft geleid tot het faillissement van PPI (zie 3.2). Anders dan zij hebben aangevoerd, was het voor [gedaagde sub 9] en [gedaagde sub 10] bovendien voorzienbaar dat zij mogelijk voor de Nederlandse rechter zouden worden gedagvaard toen zij bestuurder werden van een Nederlandse vennootschap.
5.11.
De overeenkomsten tussen PPI enerzijds en [gedaagde sub 9] en [gedaagde sub 10] anderzijds met daarin opgenomen de arbitragebedingen zijn per 10 december 2007 beëindigd, terwijl [gedaagde sub 9] en [gedaagde sub 10] bestuurder van PPI zijn gebleven. [gedaagde sub 9] en [gedaagde sub 10] zijn (uiteindelijk) met een dochtervennootschap van PPI arbitragebedingen overeengekomen en (later) een forumkeuze voor de rechtbank te Zug, Zwitserland. PPI en/of de curator zijn daar niet aan gebonden. Zij waren bij de betreffende overeenkomsten geen partij. De stelling van [gedaagde sub 9] en [gedaagde sub 10] dat hoewel de arbeidsovereenkomst is beëindigd op 10 december 2007, een arbitrageovereenkomst met PPI in stand is gebleven, acht de rechtbank onjuist. Evident is dat werd beoogd de oude overeenkomsten met PPI te beëindigen en nieuwe overeenkomsten te sluiten met een dochtervennootschap van PPI.
Dictum
De rechtbank
in het incident
6.1.
wijst de vorderingen van [gedaagde sub 9] en [gedaagde sub 10] af,
6.2.
houdt de beslissing omtrent de proceskosten van dit incident aan tot de einduitspraak in de hoofdzaak,
6.3.
staat toe dat [gedaagde sub 9] en [gedaagde sub 10] tussentijds hoger beroep instellen tegen dit vonnis,
in de hoofdzaak
6.4.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 4 december 2024 voor beraad omtrent het bepalen van een mondelinge behandeling,
6.5.
verstaat dat, indien tegen dit vonnis door een of meer partijen hoger beroep wordt aangetekend de hoofdzaak wordt geschorst en naar de parkeerrol zal worden verwezen in afwachting van de uitkomst van het hoger beroep,
6.6.
draagt partijen op alle overige partijen en de rechtbank te informeren, zoals vermeld in 5.17,
6.7.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman, mr. B.J.M.P. Cremers en mr. S.V. Hardonk en in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2024.
[2083/1729/1918/3407]
Verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures
HvJ EG 12 februari 2009, ECLI:EU:C:2009:83.
Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken
Inleiding
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/649796 / HA ZA 22-1025
Vonnis in incident van 28 augustus 2024
in de zaak van
[naam curator]
in hoedanigheid van curator in het faillissement van Petroplus International B.V.,
kantoorhoudende te Rotterdam,
eiser in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
advocaat mr. J.P.M. Borsboom te Rotterdam,
tegen
1 [gedaagde sub 1] ,
wonende te Zürich, Zwitserland,
gedaagde,
advocaat mr. D.J.F.F.M. Duynstee te Amsterdam,
2. [gedaagde sub 2],
wonende te Rotterdam,
gedaagde,
advocaat mr. D.J.F.F.M. Duynstee te Amsterdam,
3. [gedaagde sub 3],
wonende te Houten,
gedaagde,
advocaat mr. D.J.F.F.M. Duynstee te Amsterdam,
4. [gedaagde sub 4],
wonende te Bussum,
gedaagde,
advocaat mr. D.J.F.F.M. Duynstee te Amsterdam,
5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
TMF NETHERLANDS B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde,
advocaat mr. R.G.J. de Haan te Amsterdam,
6. [gedaagde sub 6],
wonende te Palm Springs, Californië, Verenigde Staten van Amerika,
gedaagde,
advocaat mr. D.J.F.F.M. Duynstee te Amsterdam,
7. [gedaagde sub 7],
wonende te Atlanta, Georgia, Verenigde Staten van Amerika,
gedaagde,
advocaat mr. D.J.F.F.M. Duynstee te Amsterdam,
8. [gedaagde sub 8],
wonende te Fort Lauderdale, Florida, Verenigde Staten van Amerika,
gedaagde,
advocaat mr. D.J.F.F.M. Duynstee te Amsterdam,
9. THOMAS DANIEL [gedaagde sub 9],
wonende te Palm Beach County, West Palm Beach, Florida, Verenigde Staten van Amerika,
gedaagde,
eiser in het incident,
advocaat mr. M.W.E. Evers te Amsterdam,
10. [gedaagde sub 10],
wonende te Palm Beach County, Florida, Verenigde Staten van Amerika,
gedaagde,
eiser in het incident,
advocaat mr. M.W.E. Evers te Amsterdam.
Eiser in de hoofdzaak wordt hierna de curator genoemd. Gedaagden 1 tot en met 4 en 6 tot en met 8 worden afzonderlijk [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] , [gedaagde sub 4] , [gedaagde sub 6] , [gedaagde sub 7] en [gedaagde sub 8] genoemd en gezamenlijk [gedaagde sub 1] c.s. Gedaagde 5 wordt TMF genoemd en gedaagden 9 en 10 worden [gedaagde sub 9] en [gedaagde sub 10] genoemd. [gedaagde sub 1] c.s., [gedaagde sub 9] en [gedaagde sub 10] worden gezamenlijk aangeduid als de bestuurders.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 18 augustus 2022, met bijlagen 1 tot en met 28 (betekeningsstukken),
de akte houdende overlegging producties, met producties 1 tot en met 71,
de conclusie van antwoord van TMF, met producties 1 tot en met 11,
de conclusie van antwoord van [gedaagde sub 1] c.s., met producties B1 tot en met B81,
de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid tevens (voorwaardelijke) conclusie van antwoord van [gedaagde sub 9] en [gedaagde sub 10] , met producties 1 tot en met 20,
de incidentele conclusie van antwoord van de curator, met producties 72 tot en met 78,
de brief van de rechtbank van 30 januari 2024, waarbij partijen zijn opgeroepen voor een mondelinge behandeling,
de brief van de rechtbank van 8 mei 2024, waarin een zittingsagenda aan partijen is verstuurd,
de akte overlegging producties van [gedaagde sub 9] en [gedaagde sub 10] , met productie 21,
de mondeling behandeling in het incident van 3 juni 2024, en de daarbij overgelegde spreekaantekeningen van de curator en van [gedaagde sub 9] en [gedaagde sub 10] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
Feiten
2.1.
De bestuurders zijn gedurende verschillende, deels overlappende periodes statutair bestuurder geweest van Petroplus International B.V. (hierna: PPI). [gedaagde sub 9] en [gedaagde sub 10] waren beiden bestuurder van 30 mei 2006 tot 25 augustus 2009.
2.2.
PPI maakte deel uit van een groep vennootschappen in de olieraffinage-industrie met aan het hoofd het in Zwitserland gevestigde Petroplus Holdings AG.
2.3.
Bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 6 augustus 2012 is PPI op eigen aangifte in staat van faillissement verklaard met aanstelling van de curator tot curator.
Geschil
3.1.
De curator vordert – samengevat – de bestuurders en TMF, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan de curator van het boedeltekort in het faillissement van PPI, nader op te maken bij staat en te vermeerderen met rente en kosten.
3.2.
De curator baseert zijn vorderingen op de bestuurders primair op artikel 2:248 BW. Hij stelt dat het faillissement van PPI is veroorzaakt door formeel en materieel kennelijk onbehoorlijk bestuur. Subsidiair baseert de curator zijn vorderingen op artikel 2:9 BW (onbehoorlijke taakvervulling waarvan de bestuurders persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt) en meer subsidiair op artikel 6:162 BW (onrechtmatig handelen jegens de gezamenlijke crediteuren van PPI).
De curator verwijt de bestuurders – kort samengevat – dat zij de administratieplicht hebben geschonden en dat zij betrokken zijn geweest bij het opzetten, uitvoeren en handhaven van een onverantwoorde financieringsstructuur en risicovol financieel beleid van PPI. De bestuurders hebben PPI volgeladen en vol gehouden met extreem hoge schulden en verplichtingen, terwijl van meet af aan duidelijk was (en bleef) dat PPI die nooit zou kunnen nakomen, tenzij de zeer riskante concernstrategie zou slagen. Duidelijk was dat, als die strategie niet zou slagen, PPI zou failleren met achterlating van zeer hoge schulden. De bestuurders hadden de voorzienbare risico’s voor PPI en de (gezamenlijke) crediteuren van PPI moeten afdekken, maar dat hebben zij niet gedaan.
De curator baseert de vordering op TMF op artikel 6:170 althans 6:171 BW.
3.3.
De conclusie van zowel [gedaagde sub 1] c.s. als TMF en [gedaagde sub 9] en [gedaagde sub 10] strekt tot afwijzing van het gevorderde, met veroordeling van de curator, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten (en de nakosten), te vermeerderen met rente.
Geschil
4.1.
[gedaagde sub 9] en [gedaagde sub 10] vorderen dat de rechtbank zich ten aanzien van hen onbevoegd verklaart, met veroordeling van de curator, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met rente.
4.2.
[gedaagde sub 9] en [gedaagde sub 10] leggen hieraan – kort gezegd – ten grondslag dat 1) zij met PPI arbitrage in New York zijn overeengekomen, 2) artikel 25 van de Insolventieverordening van 29 mei 2000 (hierna: de Insolventieverordening) niet van toepassing is, 3) volgens de hoofdregel “woonplaats gedaagde” (artikel 2 Rv) er geen rechtsmacht in Nederland is, 4) zij een exclusieve forumkeuze hebben gemaakt voor de rechtbank van Zug, Zwitserland, en 5) alternatieve bevoegdheidsgronden evenmin rechtsmacht in Nederland creëren.
4.3.
De conclusie van de curator strekt tot afwijzing van het gevorderde, met veroordeling van [gedaagde sub 9] en [gedaagde sub 10] , bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten.
Beoordeling
In het incident
5.1.
Hier is sprake van een internationale zaak, omdat [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 6] , [gedaagde sub 7] , [gedaagde sub 8] , [gedaagde sub 9] en [gedaagde sub 10] buiten Nederland woonplaats hebben. Met het incident stellen [gedaagde sub 9] en [gedaagde sub 10] aan de orde of de Nederlandse rechter ten aanzien van hen rechtsmacht heeft. Daarom (en ook ambtshalve) moet de internationale bevoegdheid van de rechtbank worden beoordeeld.
5.2.
[gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] , [gedaagde sub 4] en TMF hebben hun woonplaats respectievelijk vestigingsplaats in Nederland. Ten aanzien van hen is de Nederlandse rechter dus bevoegd (artikel 2 Rv). [gedaagde sub 2] heeft woonplaats in Rotterdam, zodat de rechtbank Rotterdam ten aanzien van hem relatief bevoegd is (artikel 99 Rv). Op grond van artikel 107 Rv is deze rechtbank ook ten aanzien van [gedaagde sub 3] , [gedaagde sub 4] en TMF relatief bevoegd.
Artikel 2:248 BW
5.3.
Bij verzoekschrift van 3 augustus 2012 heeft PPI de rechtbank Rotterdam verzocht haar op eigen aangifte in staat van faillissement te verklaren. Ten aanzien van de bevoegdheid van de rechtbank Rotterdam wordt in dit verzoekschrift opgemerkt dat PPI in Rotterdam is gevestigd en dat daarom wordt vermoed dat het centrum van voornaamste belangen van PPI in Nederland is gelegen. In het verzoekschrift wordt daaraan toegevoegd dat geen reden is om van dit vermoeden af te wijken, omdat het bestuur van PPI in de praktijk daadwerkelijk opereert in en vanuit Nederland en haar bestuursbesluiten in de regel ook in Nederland worden genomen en vastgesteld.
In het vonnis waarbij PPI failliet is verklaard (zie 2.3), heeft de rechtbank overwogen dat zij op grond van artikel 3 lid 1 van de Insolventieverordening bevoegd was om de insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen, omdat het centrum van voornaamste belangen van PPI in Nederland lag. Naar vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van (thans) de Europese Unie zijn de rechterlijke instanties in het land waar de insolventieprocedure is geopend op grond van artikel 3 lid 1 van de Insolventieverordening ook bevoegd uitspraak te doen in geschillen die rechtstreeks uit die insolventieprocedure voortvloeien en daarmee nauw samenhangen.
5.4.
In deze procedure houdt de curator de bestuurders, waaronder [gedaagde sub 9] en [gedaagde sub 10] , primair op grond van artikel 2:248 BW aansprakelijk voor het boedeltekort (zie 3.1 en 3.2). Een vordering op grond van artikel 2:248 BW kan exclusief worden ingesteld door de curator ten behoeve van de gezamenlijke crediteuren in een in Nederland geopende faillissementsprocedure. De (gezamenlijke) crediteuren komt een dergelijke vordering niet toe. Deze vordering vloeit dus rechtstreeks voort uit de betreffende insolventieprocedure en houdt daar nauw verband mee.
5.5.
Dat wordt niet anders door de door [gedaagde sub 9] en [gedaagde sub 10] aangevoerde omstandigheden – kort samengevat – dat zij in de relevante periode van 3 jaar voorafgaand aan het faillissement (2:248 lid 6 BW) slechts 19 dagen bestuurder zijn geweest en dat de curator niet heeft onderbouwd welke bestuurshandelingen in deze 19 dagen kennelijk onbehoorlijk bestuur opleveren. De curator heeft over het materieel onbehoorlijk bestuur waarvan in zijn visie sprake is geweest nader gesteld dat het gaat over het tot stand brengen en in stand houden van een financieringsstructuur die kennelijk onbehoorlijk bestuur oplevert. [gedaagde sub 9] en [gedaagde sub 10] zijn daarvoor in zijn visie mede verantwoordelijk, ook al zijn zij in de relevante periode slechts gedurende 19 dagen bestuurder geweest. De door [gedaagde sub 9] en [gedaagde sub 10] aangevoerde omstandigheden betreffen een inhoudelijk verweer van [gedaagde sub 9] en [gedaagde sub 10] tegen de primaire vordering van de curator. Dat verweer en wat de curator daar tegenin heeft gebracht dient in de hoofdzaak (verder) te worden beoordeeld en niet in het kader van dit incident.
5.6.
Uit het voorgaande volgt dat de Nederlandse rechter bevoegd is om van de primaire vorderingen kennis te nemen.
Artikel 2:9 BW en artikel 6:162 BW
5.7.
De curator heeft zijn vorderingen subsidiair gebaseerd op artikel 2:9 BW (onbehoorlijke taakvervulling) en meer subsidiair op artikel 6:162 BW (onrechtmatige daad).
5.8.
De internationale bevoegdheid van de rechtbank voor de (meer) subsidiaire vorderingen kan niet worden bepaald aan de hand van Brussel I bis, omdat [gedaagde sub 9] en [gedaagde sub 10] geen woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat van de Europese Unie. Ook andere internationale regelingen op het gebied van de rechterlijke bevoegdheid zijn niet van toepassing. Dat betekent dat de internationale bevoegdheid van de rechtbank voor de (meer) subsidiaire vorderingen beoordeeld moet worden aan de hand van de regels van Nederlands commuun internationaal bevoegdheidsrecht, zoals bepaald in de artikelen 1-13 Rv.
5.9.
Omdat er in deze zaak meerdere gedaagden zijn, is de bevoegdheidsbepaling van artikel 7 lid 1 Rv van belang. Artikel 7 lid 1 Rv bepaalt dat, indien in zaken waarbij een vordering is ingesteld de Nederlandse rechter ten aanzien van een van de gedaagden rechtsmacht heeft, hem deze ook toekomt ten aanzien van in hetzelfde geding betrokken andere gedaagden, mits tussen de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden een zodanige samenhang bestaat, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen.
5.10.
Zoals hiervoor al is overwogen is de rechtbank bevoegd ten aanzien van bestuurders [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] , [gedaagde sub 4] en TMF(zie 5.2). Anders dan [gedaagde sub 9] en [gedaagde sub 10] betogen, kunnen [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] de rol van ankergedaagden voor [gedaagde sub 9] en [gedaagde sub 10] vervullen. Omdat de vorderingen en de feitelijke en juridische grondslagen daarvan voor alle bestuurders (grotendeels) gelijkluidend zijn, bestaat er namelijk zodanige samenhang tussen de vorderingen tegen alle bestuurders, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijk behandeling rechtvaardigen. De omstandigheid dat [gedaagde sub 9] en [gedaagde sub 10] niet in dezelfde periode bestuurders van PPI waren als [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] , maakt dat niet anders. De curator verwijt alle bestuurders gezamenlijk immers dat zij een rol hebben gehad in het opzetten, uitvoeren en in stand houden van de financieringsstructuur en het financieel beleid, dat uiteindelijk heeft geleid tot het faillissement van PPI (zie 3.2). Anders dan zij hebben aangevoerd, was het voor [gedaagde sub 9] en [gedaagde sub 10] bovendien voorzienbaar dat zij mogelijk voor de Nederlandse rechter zouden worden gedagvaard toen zij bestuurder werden van een Nederlandse vennootschap.
5.11.
De overeenkomsten tussen PPI enerzijds en [gedaagde sub 9] en [gedaagde sub 10] anderzijds met daarin opgenomen de arbitragebedingen zijn per 10 december 2007 beëindigd, terwijl [gedaagde sub 9] en [gedaagde sub 10] bestuurder van PPI zijn gebleven. [gedaagde sub 9] en [gedaagde sub 10] zijn (uiteindelijk) met een dochtervennootschap van PPI arbitragebedingen overeengekomen en (later) een forumkeuze voor de rechtbank te Zug, Zwitserland. PPI en/of de curator zijn daar niet aan gebonden. Zij waren bij de betreffende overeenkomsten geen partij. De stelling van [gedaagde sub 9] en [gedaagde sub 10] dat hoewel de arbeidsovereenkomst is beëindigd op 10 december 2007, een arbitrageovereenkomst met PPI in stand is gebleven, acht de rechtbank onjuist. Evident is dat werd beoogd de oude overeenkomsten met PPI te beëindigen en nieuwe overeenkomsten te sluiten met een dochtervennootschap van PPI.
Dictum
De rechtbank
in het incident
6.1.
wijst de vorderingen van [gedaagde sub 9] en [gedaagde sub 10] af,
6.2.
houdt de beslissing omtrent de proceskosten van dit incident aan tot de einduitspraak in de hoofdzaak,
6.3.
staat toe dat [gedaagde sub 9] en [gedaagde sub 10] tussentijds hoger beroep instellen tegen dit vonnis,
in de hoofdzaak
6.4.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 4 december 2024 voor beraad omtrent het bepalen van een mondelinge behandeling,
6.5.
verstaat dat, indien tegen dit vonnis door een of meer partijen hoger beroep wordt aangetekend de hoofdzaak wordt geschorst en naar de parkeerrol zal worden verwezen in afwachting van de uitkomst van het hoger beroep,
6.6.
draagt partijen op alle overige partijen en de rechtbank te informeren, zoals vermeld in 5.17,
6.7.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman, mr. B.J.M.P. Cremers en mr. S.V. Hardonk en in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2024.
[2083/1729/1918/3407]
Verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures
HvJ EG 12 februari 2009, ECLI:EU:C:2009:83.
Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken