Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-10-01
ECLI:NL:RBROT:2024:9453
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,358 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/887
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 oktober 2024 in de zaak tussen
[eiser], uit [plaatsnaam], eiser,
(gemachtigde: mr. A. Rodriguez Gonzalez),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, UWV,
(gemachtigde: [naam]).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag van een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wet Wajong).
Het UWV heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 21 juli 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 8 december 2023 op het bezwaar van eiser is het UWV bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 12 september 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV.
Totstandkoming van het besluit
1. Eiser, geboren op [geboortedatum], heeft op 14 juni 2023 een aanvraag beoordeling arbeidsvermogen op grond van de Wajong ingediend.
1.1.
Om voor een Wajong-uitkering in aanmerking te komen moet vast komen te staan dat eiser op zijn achttiende verjaardag, dus op 15 augustus 2009, of tijdens zijn studie duurzaam (dus zonder te verwachten verbetering) geen arbeidsvermogen heeft. Eiser heeft geen arbeidsvermogen als hij duurzaam:
a. geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie, of;
b. niet over basale werknemersvaardigheden beschikt, of;
c. niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur; of
d. niet ten minste vier uren per dag belastbaar is.
1.2.
Een verzekeringsarts van het UWV heeft op 20 juli 2023 onderzoek gedaan naar de medische toestand van eiser op zijn achttiende verjaardag. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat relevante gegevens over de gezondheid en ontwikkeling van eiser rond zijn achttiende jaar ontbreken en dat uit de medische informatie blijkt dat er in 2018, na zijn achttiende jaar, een diagnose is gesteld door een specialist. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat eiser op zijn achttiende jaar of tijdens zijn studie geen beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek had. Het UWV heeft de Wajong-aanvraag van eiser daarom met het primaire besluit afgewezen.
2. In de heroverweging in bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep opnieuw naar de medische toestand van eiser gekeken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep komt tot dezelfde conclusie als de eerste verzekeringsarts. In het bestreden besluit heeft het UWV het bezwaar van eiser daarom ongegrond verklaard.
Standpunt eiser
3. Eiser voert in beroep aan dat zowel uit zijn aanvraag als uit de in bezwaar ingediende stukken blijkt dat hij op zijn achttiende en in ieder geval tijdens zijn studie al beperkingen had als gevolg van een gediagnosticeerde ziekte en of gebrek. Zijn hoofdpijn, die pas ver na zijn achttiende is gediagnostiseerd als clusterhoofdpijn, is sinds zijn veertiende chronisch aanwezig. Daarna is zijn gezondheid achteruit gegaan en is de arbeidsongeschiktheid toegenomen. Eiser stelt dat het bestreden besluit in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel is genomen, omdat zijn medische en arbeidsdeskundige situatie niet juist is beoordeeld. Daarnaast is sprake van strijd met het evenredigheidsbeginsel, omdat hij onevenredig in zijn belangen wordt geschaad.
4. Eiser doet daarnaast ook een beroep op de hardheidsclausule van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat de besluitvorming in zijn geval leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.
5. Bij aanvullend beroepschrift heeft eiser nadere medische stukken overgelegd, waaronder het medisch dossier van zijn huisarts, waaruit volgens eiser blijkt dat de hoofdpijn al voor zijn achttiende levensjaar en in elk geval tijdens zijn studie aanwezig was.
Beoordeling
6. De rechtbank beoordeelt of het UWV bij het bestreden besluit de afwijzing van de aanvraag van eiser om een Wajong-uitkering terecht heeft gehandhaafd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
7. Omdat eiser pas op 13 juni 2023 een Wajong-uitkering heeft aangevraagd en zijn arbeidsvermogen moet worden beoordeeld per 15 augustus 2009 (zijn achttiende verjaardag), is er sprake van een zogeheten laattijdige aanvraag. Anders dan bij een tijdige aanvraag moet bij een laattijdige aanvraag een beoordeling worden gedaan over een tijdvak in een (ver) verleden. Dit maakt dat het met het verstrijken van de tijd steeds lastiger wordt om de mate van functioneren als gevolg van ziekte en/of gebrek te kunnen vaststellen. In ieder geval is daarvoor nodig dat voldoende informatie beschikbaar is over de medische situatie van de betrokkene in het van belang zijnde tijdvak. Als onvoldoende gegevens beschikbaar zijn, komt dit volgens vaste rechtspraak voor risico van de betrokkene.
8. Eiser heeft gesteld dat hij sinds zijn jeugd hoofdpijnklachten heeft die in 2018 zijn gediagnosticeerd als clusterhoofdpijn. Deze klachten zijn door de huisarts in de periode 2010 en 2011 ook beschreven. Met eiser ziet de rechtbank in het huisartsenjournaal in de periode van 2009 tot en met 2011, tijdens de studie van eiser, meerdere varianten van hoofdpijnklachten beschreven. Deze klachten worden niet in het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 17 november 2023 benoemd. Daarin concludeert de verzekeringsarts bezwaar en beroep: ‘Bij bestudering van het journaal van de huisarts kan ik geen gegevens terugvinden m.b.t. de hoofdpijn vóór zijn 18de verjaardag of op zijn 18de verjaardag, die door de huisarts zijn geobjectiveerd. Ook niet in de periode tijdens de studie van 2009 t/m 2011.’ Zonder nadere motivering, die ontbreekt, kan de rechtbank dit standpunt niet volgen. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom bij eiser op zijn achttiende levensjaar of tijdens zijn studie geen sprake was van een ziekte of gebrek.
Conclusie
9. Gelet op het voorgaande verklaart de rechtbank het beroep gegrond en zal zij het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank komt niet toe aan de beoordeling van de andere beroepsgronden.
10. De rechtbank ziet geen aanleiding zelf in de zaak te voorzien, omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep met inachtneming van de medische stukken en deze uitspraak de gehele medische situatie van eiser opnieuw zal moeten beoordelen. De rechtbank draagt het UWV daarom op om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken na het gezag van gewijsde krijgen van deze uitspraak.
11. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat het UWV aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.
12. De rechtbank veroordeelt het UWV ook in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.750,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt het UWV op binnen zes weken na het gezag van gewijsde krijgen van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- draagt het UWV op het betaalde griffierecht van € 51,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.750,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H.L. van Dijkman, rechter, in aanwezigheid van
mr. M. Damen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 12 juni 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1162.