Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-08-07
ECLI:NL:RBROT:2024:8807
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,549 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummers]
uitspraakdatum: 7 augustus 2024
[verzoeker 1] en [verzoeker 2],
wonende te [adres]
[woonplaats] ,
verzoekers.
Procesverloop
Verzoekers hebben op 25 juni 2024, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 25 juni 2024 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 31 juli 2024.
Ter zitting van 31 juli 2024 zijn verschenen en gehoord:
de heer mr. J. Pearson, advocaat van verzoekers;
mevrouw M. Vos, werkzaam bij Zuidweg & Partners (hierna: schuldhulpverlening).
Verzoekers zijn vanwege familieomstandigheden niet ter zitting verschenen.
De heer D. de Waard, werkzaam bij Flanderijn Gerechtsdeurwaarders, heeft namens [verweerster] (hierna: verweerster) voorafgaand aan de zitting aangegeven niet ter zitting te zullen verschijnen.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 26 april 2024 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
Verzoekers willen een oplossing voor hun schuldenproblematiek. Zij hebben zich daarom gemeld bij Zuidweg & Partners voor schuldhulpverlening. Verzoekers ontvangen inkomsten uit de eigen onderneming van [verzoeker 1] Daarmee zijn er voldoende inkomsten om de lopende huurtermijnen te betalen. Verzoekers hebben de huur van juli 2024 en augustus 2024 voldaan.
3Het verweer
Verweerster heeft bij bericht van 30 juli 2024 aangegeven geen verweer te voeren tegen het verlenen van een moratorium. Zij conformeert zich aan het oordeel van de rechter.
Beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekers een kopie van het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 26 april 2024 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekers en een kopie van het exploot van 13 juni 2024 hebben overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 3 juli 2024 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekers, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekers enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekers bestaat erin dat zij in de huurwoning kunnen blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekers kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 26 april 2024 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Er zijn voldoende inkomsten om de lopende huurtermijnen te voldoen en verzoekers hebben de huurpenningen van de maanden juli 2024 en augustus 2024 voldaan. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekers zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zullen verzoekers gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kunnen verzoekers te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
Dictum
De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 26 april 2024 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekers gelegen aan [adres] , voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 25 juni 2024;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekers de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoekers niet-ontvankelijk in hun verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J. Tideman, rechter, en in aanwezigheid van mr. T.M.M. de Laat, griffier, in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2024.