Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-08-30
ECLI:NL:RBROT:2024:8451
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,722 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 10920620 CV EXPL 24-3131
datum uitspraak: 30 augustus 2024
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
PLANgroep budgetbeheer B.V.,
vestigingsplaats: Utrecht,
eiseres,
gemachtigde: mr. J.J.F.M Konings van Invorderingsbedrijf B.V.,
tegen
[gedaagde]
woonplaats: [woonplaats],
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘PLANgroep’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 3 januari 2024, met bijlagen;
de aantekeningen van het antwoord van 8 februari 2024;
het verzoek tot indienen van het herstelexploot van 14 februari 2024;
de akte van 7 maart 2024, met bijlagen;
de akte van 2 mei 2024, met bijlagen;
het proces-verbaal van de zitting op 7 mei 2024;
de akte van 3 juli 2024, met bijlagen.
1.2.
Op 7 mei 2024 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij [naam 1] (namens PLANgroep) en [naam 2] (namens de gemachtigde) zijn verschenen. [gedaagde] is naar behoren opgeroepen maar is niet verschenen.
1.3.
[gedaagde] heeft geen gebruik gemaakt van de geboden mogelijkheid om op de rolzitting van 1 augustus 2024 schriftelijk of mondeling te reageren op de akte van 3 juli 2024 van PLANgroep.
Geschil
2.1.
PLANgroep eist samengevat:
[gedaagde] te veroordelen aan haar te betalen € 1.371,31 met rente;
[gedaagde] te veroordelen in de proceskosten met rente;
het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Het bedrag dat wordt geëist, bestaat uit de hoofdsom van € 1.082,48, rente van € 92,36 en buitengerechtelijke kosten van € 196,47 (incl. btw).
2.2.
PLANgroep baseert de eis op het volgende.
Tussen partijen is mondeling een overeenkomst van opdracht gesloten op grond waarvan PLANgroep voorschotten verstrekt heeft aan schuldeisers van [gedaagde]. Er is een totaalbedrag van € 1.647,48 door PLANgroep voorgeschoten. Voor het terugbetalen van dit bedrag hebben partijen betalingsregelingen getroffen. [gedaagde] heeft een deel terugbetaald, maar ook een deel, te weten € 1.082,48, onbetaald gelaten. PLANgroep heeft [gedaagde] om die reden herhaaldelijk herinnerd en aangemaand om alsnog te betalen. Daarbij heeft PLANgroep kosten gemaakt. Daarom heeft zij recht op vergoeding van buitengerechtelijke kosten. [gedaagde] heeft tot op heden niet betaald en verkeert in verzuim. Om die reden is hij ook wettelijke rente verschuldigd.
2.3.
[gedaagde] is het niet eens met de eis. Op het verweer van [gedaagde] wordt hierna ingegaan.
Beoordeling
[gedaagde] moet de hoofdsom van € 1.082,48 betalen
3.1.
De hoofdsom van € 1.082,48 wordt toegewezen.
3.2.
De hoogte en de verschuldigdheid van de hoofdsom worden door PLANGROEP gesteld en door [gedaagde] op zich niet betwist. Bovendien blijkt uit de door PLANgroep overlegde correspondentie dat betalingsregelingen zijn afgesproken voor het gehele bedrag van de hoofdsom.
3.3.
[gedaagde] heeft aangevoerd dat er tegen het einde van het schuldhulptraject van alles is misgegaan door toedoen van PLANgroep. Zo heeft zij volgens [gedaagde] een deel van de schulden van [gedaagde] niet meegenomen in het traject en is een uitkering van de belastingdienst door PLANgroep niet naar de juiste rekening overgemaakt. Voor zover hij daarmee bedoelt te zeggen dat hij schade heeft geleden en dat hij die mag verrekenen, overweegt de kantonrechter dat [gedaagde] niet voldoende heeft geconcretiseerd en onderbouwd dat sprake is van schade en, voor zover er wel sprake zou zijn van schade, wat de omvang van die schade zou zijn. De gegrondheid van het verrekeningsverweer van [gedaagde] kan dus niet op eenvoudige wijze worden vastgesteld. De kantonrechter passeert daarom dit verweer (artikel 6:136 BW).
[gedaagde] moet incassokosten van € 196,47 betalen
3.4.
De incassokosten van € 196,47 (incl. btw) worden toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW).
[gedaagde] moet rente betalen
3.5.
De rente wordt toegewezen, omdat PLANgroep genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
3.6.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen, omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot deze kosten aan de kant van PLANgroep op € 113,54 aan dagvaardingskosten, € 328,00 aan griffierecht, € 510,00 aan salaris voor de gemachtigde (2,5 punten x € 204,00) en € 102,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 1.053,54. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
3.7.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat PLANgroep dat eist en [gedaagde] daar niet op heeft gereageerd (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
Dictum
De kantonrechter:
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan PLANgroep te betalen € 1.371,31 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 1.082,48 vanaf 3 januari 2024 tot de dag dat volledig is betaald;
4.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van PLANgroep worden begroot op € 1.053,54 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag nadat dit vonnis is betekend tot de dag dat volledig is betaald;
4.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.A. Vriezen en in het openbaar uitgesproken.
62574