Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-07-26
ECLI:NL:RBROT:2024:8253
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
2,043 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Jeugdrecht
Zaaknummer: C/10/683478 / JE RK 24-1689
Datum uitspraak: 26 juli 2024
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en spoedmachtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming Rotterdam Dordrecht,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedatum] 2007 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] ,
advocaat: mr. G.R. Stolk te Schiedam.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam 1]
,
hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats 1] ,
[naam 2]
,
de oma moederszijde, hierna te noemen de oma, wonende in [woonplaats 2] .
1Het verloop van de procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit het mondelinge verzoek van de Raad van 26 juli 2024, gevolgd door het verzoekschrift met bijlagen van 29 juli 2024.
1.2.
Aan [minderjarige] is als advocaat toegevoegd mr. G.R. Stolk, advocaat te Schiedam.
Feiten
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft bij de oma.
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van drie maanden, met de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (hierna te noemen de GI), tot uitvoerder.
3.2.
Tevens heeft de Raad een spoedmachtiging verzocht om [minderjarige] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp te doen opnemen en te doen verblijven voor de duur van vier weken.
3.3.
Daarnaast is verzocht om aansluitend een machtiging te verlenen voor verblijf in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling.
Beoordeling
4.1.
Op grond van de informatie, zoals is gebleken uit het mondelinge verzoek, komt de kinderrechter tot het oordeel dat een ernstig vermoeden bestaat dat de grond voor een ondertoezichtstelling is vervuld (artikel 1:255 Burgerlijk Wetboek (BW)). [minderjarige] is al langere tijd bekend met risicovol seksueel wervend gedrag. Zij zou tegen haar zin seks hebben met meerderjarige mannen tegen betaling of in ruil voor drank of drugs, waarbij het voor komt dat [minderjarige] zelf ook onder invloed is. [minderjarige] zou hierbij ook letsel hebben opgelopen. Moeder en oma, bij wie zij woont, hebben al langere tijd geen grip op haar. Er is veel vrijwillige hulpverlening ingezet (Humanitas/MST/wijkteam), maar dit heeft niet het gewenste effect gehad. Een voorlopige ondertoezichtstelling is daarom noodzakelijk om een acute en ernstige bedreiging voor [minderjarige] weg te nemen. [minderjarige] zal voorlopig onder toezicht worden gesteld voor een termijn van drie maanden (artikel 1:257 BW).
4.2.
Ook is de kinderrechter van oordeel dat onmiddellijke verlening van jeugdhulp noodzakelijk is. Nadat [minderjarige] was weg gelopen na een (zoveelste) ruzie met oma en moeder, is zij door het wijkteam meegenomen naar kantoor. Het wijkteam is met [minderjarige] naar de woning van oma gegaan. Daar is de situatie dusdanig geëscaleerd tussen diverse aanwezige familieleden onderling en [minderjarige] , dat politie ter plekke is gekomen. [minderjarige] is vanwege de dreiging vanuit de familie in haar richting meegenomen naar het politiebureau, waar stiefvader uiteindelijk rond het bureau blijkt te lopen.
4.3.
De kinderrechter heeft, gezien het risicovolle gedrag van [minderjarige] én van haar familie jegens haar, een ernstig vermoeden dat er ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen zijn die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten instelling noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die zij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen (artikel 6.1.3, tweede lid, Jeugdwet).
4.4.
De kinderrechter is van oordeel dat een mondelinge behandeling tijdens een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige] . [minderjarige] moet onmiddellijk in bescherming worden genomen tegen zichzelf door haar op een veilige plek te laten verblijven van waaruit zij niet kan afspreken met jongens of mannen. Ook moet [minderjarige] per direct beschermd worden tegen de dreiging vanuit haar familie.
4.5.
De Raad, de GI, [minderjarige] en haar advocaat, de moeder en de oma worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven op de hierna genoemde zitting. In afwachting van deze zitting zal de spoedmachtiging voor een gesloten accommodatie voor jeugdhulp worden verleend voor de duur van vier weken. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
Dictum
De kinderrechter:
5.1.
stelt [minderjarige] voorlopig onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, gevestigd te Rotterdam, met ingang van 26 juli 2024 tot 26 oktober 2024;
5.2.
verleent een spoedmachtiging om [minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 26 juli 2024 tot uiterlijk 23 augustus 2024;
5.3.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan en roept de Raad, de GI, [minderjarige] en haar advocaat, de moeder en de oma op te verschijnen tijdens de mondelinge behandeling van de rechtbank Rotterdam, locatie Rotterdam, in het gerechtsgebouw aan Wilhelminaplein 100 / 125 te Rotterdam, op 1 augustus 2024 om 13:30 uur, om nader op het verzoek te worden gehoord;
5.4.
de zaak zal op laatstgenoemde datum, behoudens onvoorziene omstandigheden, worden behandeld door mr. A. Verweij, kinderrechter;
5.5.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping van de Raad, de GI, [minderjarige] en haar advocaat, de moeder en de oma.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 26 juli 2024 door
mr. A.A.J. de Nijs, kinderrechter, en schriftelijk vastgesteld op 29 juli 2024 in tegenwoordigheid van mr. W.A. Graven als griffier.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.