Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-08-21
ECLI:NL:RBROT:2024:8128
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
9,080 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/671936 / HA ZA 24-52
Vonnis van 21 augustus 2024
in de zaak van
1 [persoon A] ,
2. [persoon B],
beiden wonend in Haarlem,
eisers in conventie,
verweerders in voorwaardelijke reconventie,
advocaat mr. M.W. Kok te Tegelen,
tegen
1 [persoon C] ,
wonend in Rotterdam,
gedaagde in conventie,
niet verschenen,
en
2 [persoon D] ,
wonend in Schiedam,
gedaagde in conventie,
eiseres in voorwaardelijke reconventie,
advocaat mr. M.Z.D. [persoon C] te Den Haag.
Partijen zullen hierna [persoon A] , [persoon B] , [persoon C] en [persoon D] worden genoemd. [persoon A] en [persoon B] worden samen [persoon A] c.s. genoemd. [persoon C] en [persoon D] worden samen [persoon C] c.s. genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 18 december 2023, met producties 1 tot en met 11;
de conclusie van antwoord tevens (voorwaardelijke) eis in reconventie van [persoon D] , met producties 1 tot en met 11;
de oproepingsbrief van de rechtbank van 11 maart 2024;
de conclusie van antwoord in reconventie;
de mondelinge behandeling gehouden op 2 juli 2024 en de daarbij door [persoon A] c.s. overgelegde spreekaantekeningen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
Blijkens akte van een Duitse notaris van 13 augustus 2021 is op 28 juli 2021 ten overstaan van die notaris een koopovereenkomst tot stand gekomen tussen [persoon A] c.s. als “Verkäufer” enerzijds en [persoon D] als “Käufer” anderzijds, waarbij [persoon D] werd vertegenwoordigd door (de voor de notaris in persoon verschenen) [persoon C] , met betrekking tot de onroerende zaak gelegen aan de [adres] te Falkenstein, Duitsland (hierna ook: de onroerende zaak) voor een koopsom van € 35.000,-.
2.2.
Uit de notariële akte volgt dat de koopsom moest worden betaald op de bankrekening van [persoon A] c.s. binnen veertien dagen nadat de notaris de in die akte genoemde mededeling naar een koper heeft gestuurd. De notaris heeft dit laatste bij brief van 30 maart 2022 aan [persoon D] gedaan.
2.3.
Naast de onroerende zaak heeft [persoon D] nog twee andere onroerende zaken in Falkenstein gekocht, aan de Schillerstrasse en aan de Plauchenstrasse. De verkoper daarvan was [persoon E] (hierna: [persoon E] ).
2.4.
Op 14 april 2021 hebben [persoon A] c.s. en [persoon E] een verklaring ondertekend met de volgende inhoud:
“Partijen zijn een koopovereenkomst aangegaan met mevrouw [persoon D] met betrekking tot de onroerende zaken te Falkenstein (Duitsland), gelegen aan de Plauchenstrasse, Schillerstrasse en Gartenstrasse.
De ondergetekenden verklaren hierbij dat koper mevrouw [persoon D] (gedeeltelijke) betalingen kan verrichten op de overeengekomen koopsom aan de heer [persoon F] .
De betalingen die [persoon D] verricht aan [persoon F] hebben te gelden als bevrijdende betalingen op de koopsom en worden op de koopsom in mindering gebracht.”
2.5.
[persoon D] hebben in april 2021 en juli 2021 in totaal € 60.000,- aan [persoon F] (hierna: [persoon F] ) betaald.
2.6.
Bij brief van 18 april 2023 hebben [persoon A] c.s. [persoon C] c.s. verzocht de koopprijs van € 35.000,- en € 1.606,08 aan schadevergoeding te betalen. Bij brief van 24 oktober 2023 hebben [persoon A] c.s. [persoon C] c.s. aangesproken tot betaling van de koopprijs met kosten en rente van in totaal € 42.537,52 + PM.
Geschil
in conventie
3.1.
[persoon A] c.s. vorderen in conventie – samengevat – om [persoon C] c.s., voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan [persoon A] c.s. van (a) de koopsom van € 35.000,-, (b) € 6.102,43 + PM aan schadevergoeding, (c) € 1.186,02 aan incassokosten en (d) de proceskosten.
3.2.
[persoon D] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van [persoon A] c.s. in de proceskosten.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
in voorwaardelijke reconventie
3.4.
[persoon D] vordert in voorwaardelijke reconventie, onder de voorwaarde dat de conventionele vorderingen worden afgewezen, – samengevat – om:
I. voor recht te verklaren dat [persoon D] de koopsom van € 35.000,- voor [adres] te Falkenstein heeft voldaan;
II. [persoon A] c.s. te bevelen om binnen 8 dagen na betekening van het vonnis alle benodigde medewerking te verlenen voor de levering van het eigendom [adres] te
Falkenstein aan [persoon D] , waaronder begrepen het verstrekken van de schriftelijke opdracht daarvoor aan de notaris te Duitsland, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag (een dagdeel daaronder begrepen);
III. [persoon A] c.s. te veroordelen in de proceskosten.
3.5.
[persoon A] c.s. voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van (naar de rechtbank begrijpt:) [persoon D] in de proceskosten.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Beoordeling
Vonnis op tegenspraak
4.1.
[persoon C] is, hoewel op behoorlijke wijze gedagvaard, niet verschenen. Tegen hem is verstek verleend. Nu [persoon D] wel is verschenen, wordt conform het bepaalde in artikel 140 lid 3 jo. lid 2 Rv één vonnis gewezen, dat ook ten aanzien van [persoon C] als een vonnis op tegenspraak zal gelden.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
4.2.
Deze zaak heeft een internationaal karakter, omdat het gaat om de koop van een in Duitsland gelegen onroerende zaak en partijen in Nederland wonen. De rechtbank moet daarom ambtshalve toetsen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en zo ja, welk recht van toepassing is.
4.3.
De Nederlandse rechter heeft ten aanzien van de conventionele vorderingen rechtsmacht op grond van artikel 4 lid 1 van de Verordening (EU) nr. 1215/2012 (hierna: Brussel I bis-Vo) omdat gedaagden, [persoon C] c.s., in Nederland wonen. Op grond van artikel 8 lid 3 Brussel I bis-Vo heeft de Nederlandse rechter eveneens rechtsmacht ten aanzien van de vorderingen in voorwaardelijke reconventie, omdat die vorderingen voortspruiten uit de koopovereenkomst waarop de vorderingen in conventie gegrond zijn.
4.4.
De vorderingen zijn dus gegrond op verbintenissen uit overeenkomst, zodat het toepasselijk recht moet worden vastgesteld aan de hand van de Verordening (EG) nr. 593/2008 (hierna: Rome I-Vo). Ter zitting is gebleken dat partijen een rechtskeuze hebben gemaakt voor Nederlands recht, zodat op grond van artikel 3 lid 1 Rome I-Vo Nederlands recht van toepassing is.
Conclusie
4.5.
[persoon D] stelt zich op het standpunt dat de conclusie van antwoord in reconventie buiten beschouwing moet worden gelaten, omdat die te laat is ingediend. Op grond van artikel 87 lid 6 Rv moeten processtukken uiterlijk tien dagen voor de mondelinge behandeling in het geding worden gebracht. Stukken die later worden ingediend, worden door de rechter buiten beschouwing gelaten, tenzij de goede procesorde zich daartegen verzet. Vaststaat dat [persoon A] c.s. de conclusie van antwoord in reconventie op 26 juni 2024 – zes dagen voor de zitting – hebben ingediend en daarmee dus te laat zijn. De rechtbank is echter van oordeel dat de goede procesorde zich verzet tegen het buiten beschouwing laten van dit stuk. Het betreft immers een conclusie van zeer beperkte omvang (slechts twee pagina’s, zonder producties) en niet is gebleken dat [persoon D] die door de te late indiening niet voorafgaand aan de zitting heeft kunnen bestuderen en bespreken met haar advocaat. De conclusie van antwoord in reconventie wordt daarom, indien daaraan wordt toegekomen, bij de beoordeling van de vorderingen in (voorwaardelijke) reconventie betrokken.
in conventie voorts
4.6.
[persoon A] c.s. vorderen allereerst betaling van de koopsom van € 35.000,- van [persoon C] c.s.
Voorlopig oordeel: [persoon C] is geen koper, de vorderingen zijn ten opzichte van hem niet toewijsbaar
4.7.
[persoon A] c.s. leggen aan deze vordering ten grondslag dat [persoon C] c.s. de kopers van de onroerende zaak zijn. [persoon D] erkent dat zij koper is. Ter zitting is aan de orde gesteld dat op pagina 3 van de onder 2.1 genoemde notariële akte alleen [persoon D] als koper genoemd staat. Naar het voorlopig oordeel van de rechtbank is [persoon C] gelet daarop geen koper. De vordering tot betaling van de koopprijs en daarmee ook de overige conventionele vorderingen zijn naar het voorlopig oordeel van de rechtbank daarom ten opzichte van [persoon C] als ongegrond aan te merken en daarom niet toewijsbaar. Om een verrassingsbeslissing op dit punt te voorkomen, stelt de rechtbank [persoon A] c.s. in de gelegenheid om zich hierover, bij akte uit te laten, waarna [persoon D] de gelegenheid zal krijgen om daarop bij akte te reageren.
De vordering moet worden toegewezen, tenzij één van de verweren slaagt
4.8.
Vast staat dat [persoon D] de koopsom van € 35.000,- verschuldigd is (zie 2.1 en 2.2). Dat betekent dat deze vordering in beginsel moet worden toegewezen, tenzij één van de verweren van [persoon D] slaagt.
4.9.
[persoon D] voert allereerst als verweer dat zij de koopsom al heeft betaald. Zij stelt daartoe – samengevat – het volgende. [persoon D] heeft zoals overeengekomen € 60.000,- aan [persoon F] (aan)betaald op de koopovereenkomsten van de onroerende zaken (hierna: de koopovereenkomsten) aan de Gartenstrasse, Schillerstrasse en Plauchenstrasse (hierna samen: de onroerende zaken). Op grond van de verklaring 14 april 2021 zijn dit bevrijdende betalingen op de koopsom, die daarop in mindering worden gebracht, aldus [persoon D] .
[persoon D] heeft € 60.000,- aan [persoon F] betaald op de koopsom(men) van de koopovereenkomsten
4.10.
Vast staat dat [persoon D] € 60.000,- aan [persoon F] heeft betaald. Uit de door [persoon D] overgelegde kasbonnen voor ontvangst van [persoon F] blijkt dat zij op 14 april 2021 € 15.000,-, op 20 april 2021 € 35.000,- en op 7 juli 2021 € 10.000,- aan hem heeft betaald. [persoon D] stelt dat zij deze bedragen heeft (aan)betaald op de koopsom(men) van de koopovereenkomsten. [persoon A] c.s. betwisten dit. Naar de rechtbank begrijpt stellen zij zich op het standpunt dat die € 60.000,- een commissie voor [persoon F] is. Zij voeren aan dat als de betaling van € 60.000,- een (aan)betaling zou zijn op de onroerende zaken, [persoon C] dit bij het passeren van de notariële akte bij de notaris zou hebben gemeld. Uit het feit dat de (aan)betaling niet is vermeld in de notariële akte blijkt dat geen (aan)betaling op de koopprijs is gedaan, aldus [persoon A] c.s.
4.11.
De rechtbank volgt [persoon A] c.s. hierin niet. Uit de omschrijvingen op de kasbonnen (“Deelbetaling koopovereenkomst: Plauchenstrasse/Schillerstrasse/ Gartenstrasse”) blijkt duidelijk dat de genoemde betalingen betrekking hebben op de koopsommen van de koopovereenkomsten die [persoon D] met betrekking tot de genoemde onroerende zaken heeft gesloten. Daaruit blijkt geenszins dat het de betalingen van een commissie zou zijn. Dat deze betalingen niet zijn gemeld bij de notaris en niet zijn opgenomen in de notariële akte levert – gelet op de duidelijke omschrijving op de kasbonnen, waarvan [persoon A] c.s. de echtheid niet hebben betwist – een onvoldoende betwisting op van de stelling van [persoon D] dat met de betalingen op de door haar verschuldigde koopsommen werd afgelost.
[persoon A] c.s. hebben erin toegestemd dat [persoon D] aan [persoon F] bevrijdend kon betalen
4.12.
In de verklaring van 14 april 2021, die is opgesteld op de dag van de eerste betaling en vóór de overige betalingen, staat met zoveel woorden dat [persoon D] (gedeeltelijke) betalingen aan [persoon F] kan verrichten op de overeengekomen koopsom, die hebben te gelden als bevrijdende betalingen op de koopsom en daarop in mindering worden gebracht. [persoon A] c.s. hebben die verklaring mede ondertekend, zoals [persoon A] c.s. niet hebben betwist. Zij hebben [persoon D] daarmee toestemming gegeven om betalingen aan [persoon F] te verrichten en [persoon F] tot ontvangst van die betalingen gemachtigd. Het verweer van [persoon A] c.s. – zo begrijpt de rechtbank de punten 2.10 en 2.11 van de spreekaantekeningen van [persoon A] c.s.– dat [persoon D] geen beroep op artikel 6:34 BW toekomt, gaat daarom niet op. Die bepaling is niet van toepassing, omdat [persoon F] wel bevoegd was de betalingen te ontvangen.
Toerekening van de betalingen op de koopsommen van de gekochte onroerende zaken
4.13.
[persoon D] stelt zich, naar de rechtbank begrijpt, op het standpunt dat de door haar aan [persoon F] betaalde € 60.000,- overeenkomstig de verklaring van 14 april 2021 in haar geheel in mindering moet worden gebracht op de koopsom van de door haar van [persoon A] c.s. gekochte onroerende zaak. De rechtbank volgt [persoon D] hierin niet.
4.14.
De verklaring van 14 april 2021 heeft niet alleen betrekking op de koopovereenkomst van de door [persoon A] c.s. verkochte onroerende zaak, maar ook op die van de onroerende zaak aan de Schillerstrasse en die aan de Plauchenstrasse. Uit de verklaring kan dan ook niet anders worden afgeleid dan dat de bedragen die worden betaald op de koopsom van een bepaalde onroerende zaak, in mindering moeten worden gebracht op de koopsom van die onroerende zaak. In dit geval zijn de betalingen echter niet gedaan op een specifieke koopovereenkomst, maar zijn zij, blijkens de overgelegde kasbonnen, betrokken op de koop van de onroerende zaken (Plauchenstrasse/Schillerstrasse/ Gartenstrasse) gezamenlijk, dus op alle overeenkomsten.
4.15.
Of en in hoeverre de door [persoon D] aan [persoon F] gedane betalingen kunnen worden toegerekend op de koopsom van de door haar van [persoon A] c.s. gekochte onroerende zaak, hangt af van verschillende factoren. De rechtbank merkt hierbij op dat niet van belang is of en zo ja welk bedrag feitelijk door [persoon A] c.s. is ontvangen. Voor zover [persoon F] bepaalde bedragen niet aan [persoon A] c.s. heeft doorbetaald, terwijl dat wel de bedoeling was, betreft dat immers de verhouding tussen [persoon A] c.s. en [persoon F] en zullen [persoon A] c.s.
Conclusie
4.17.
De slotsom is dat de zaak wordt verwezen naar de rol voor uitlating door partijen. Eerst zullen [persoon A] c.s., zoals onder 4.7 is aangekondigd, in de gelegenheid worden gesteld binnen twee weken na dit vonnis bij akte te reageren op hetgeen de rechtbank onder 4.7 met betrekking tot de toewijsbaarheid van de vorderingen in conventie tegen [persoon C] heeft overwogen. Daarop mag [persoon D] bij akte reageren. Bij die akte zal zij de gegevens in het geding mogen brengen en van een nadere toelichting voorzien die hiervoor onder 4.16 zijn genoemd. Zij verkrijgt voor het nemen van haar akte een termijn van vier weken na de akte van [persoon A] c.s. Ten slotte zal [persoon A] c.s. op een termijn van vier weken op de akte van [persoon D] bij antwoordakte mogen reageren. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
in voorwaardelijke reconventie voorts
4.18.
De vordering in reconventie blijft nu nog onbesproken omdat de voorwaarde waaronder deze ingesteld (nog) niet is vervuld. Iedere beslissing in voorwaardelijke reconventie wordt daarom aangehouden.
Dictum
De rechtbank:
in conventie
5.1.
verwijst de zaak naar de rol van 4 september 2024 voor het nemen van akte door [persoon A] c.s. zoals bedoeld in rechtsoverweging 4.7,
5.2.
bepaalt dat de zaak vervolgens op de rol van 2 oktober 2024 zal komen voor het nemen van een akte door [persoon D] om te reageren op de akte van [persoon A] c.s. en om de informatie en stukken met toelichting in het geding te brengen zoals bedoeld in rechtsoverweging 4.16,
5.3.
bepaalt dat [persoon A] c.s. ten slotte op 30 oktober 2024 een antwoordakte zoals bedoeld in rechtsoverweging 4.16 slot mogen nemen,
5.4.
houdt iedere verdere beslissing aan,
in voorwaardelijke reconventie
5.5.
houdt iedere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.E. Molenaar, rechter, bijgestaan door mr. S. van Leeuwen, griffier. Het is door de rolrechter ondertekend en in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2024.
3726/3152
Inleiding
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/671936 / HA ZA 24-52
Vonnis van 21 augustus 2024
in de zaak van
1 [persoon A] ,
2. [persoon B],
beiden wonend in Haarlem,
eisers in conventie,
verweerders in voorwaardelijke reconventie,
advocaat mr. M.W. Kok te Tegelen,
tegen
1 [persoon C] ,
wonend in Rotterdam,
gedaagde in conventie,
niet verschenen,
en
2 [persoon D] ,
wonend in Schiedam,
gedaagde in conventie,
eiseres in voorwaardelijke reconventie,
advocaat mr. M.Z.D. [persoon C] te Den Haag.
Partijen zullen hierna [persoon A] , [persoon B] , [persoon C] en [persoon D] worden genoemd. [persoon A] en [persoon B] worden samen [persoon A] c.s. genoemd. [persoon C] en [persoon D] worden samen [persoon C] c.s. genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 18 december 2023, met producties 1 tot en met 11;
de conclusie van antwoord tevens (voorwaardelijke) eis in reconventie van [persoon D] , met producties 1 tot en met 11;
de oproepingsbrief van de rechtbank van 11 maart 2024;
de conclusie van antwoord in reconventie;
de mondelinge behandeling gehouden op 2 juli 2024 en de daarbij door [persoon A] c.s. overgelegde spreekaantekeningen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
Blijkens akte van een Duitse notaris van 13 augustus 2021 is op 28 juli 2021 ten overstaan van die notaris een koopovereenkomst tot stand gekomen tussen [persoon A] c.s. als “Verkäufer” enerzijds en [persoon D] als “Käufer” anderzijds, waarbij [persoon D] werd vertegenwoordigd door (de voor de notaris in persoon verschenen) [persoon C] , met betrekking tot de onroerende zaak gelegen aan de [adres] te Falkenstein, Duitsland (hierna ook: de onroerende zaak) voor een koopsom van € 35.000,-.
2.2.
Uit de notariële akte volgt dat de koopsom moest worden betaald op de bankrekening van [persoon A] c.s. binnen veertien dagen nadat de notaris de in die akte genoemde mededeling naar een koper heeft gestuurd. De notaris heeft dit laatste bij brief van 30 maart 2022 aan [persoon D] gedaan.
2.3.
Naast de onroerende zaak heeft [persoon D] nog twee andere onroerende zaken in Falkenstein gekocht, aan de Schillerstrasse en aan de Plauchenstrasse. De verkoper daarvan was [persoon E] (hierna: [persoon E] ).
2.4.
Op 14 april 2021 hebben [persoon A] c.s. en [persoon E] een verklaring ondertekend met de volgende inhoud:
“Partijen zijn een koopovereenkomst aangegaan met mevrouw [persoon D] met betrekking tot de onroerende zaken te Falkenstein (Duitsland), gelegen aan de Plauchenstrasse, Schillerstrasse en Gartenstrasse.
De ondergetekenden verklaren hierbij dat koper mevrouw [persoon D] (gedeeltelijke) betalingen kan verrichten op de overeengekomen koopsom aan de heer [persoon F] .
De betalingen die [persoon D] verricht aan [persoon F] hebben te gelden als bevrijdende betalingen op de koopsom en worden op de koopsom in mindering gebracht.”
2.5.
[persoon D] hebben in april 2021 en juli 2021 in totaal € 60.000,- aan [persoon F] (hierna: [persoon F] ) betaald.
2.6.
Bij brief van 18 april 2023 hebben [persoon A] c.s. [persoon C] c.s. verzocht de koopprijs van € 35.000,- en € 1.606,08 aan schadevergoeding te betalen. Bij brief van 24 oktober 2023 hebben [persoon A] c.s. [persoon C] c.s. aangesproken tot betaling van de koopprijs met kosten en rente van in totaal € 42.537,52 + PM.
Geschil
in conventie
3.1.
[persoon A] c.s. vorderen in conventie – samengevat – om [persoon C] c.s., voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan [persoon A] c.s. van (a) de koopsom van € 35.000,-, (b) € 6.102,43 + PM aan schadevergoeding, (c) € 1.186,02 aan incassokosten en (d) de proceskosten.
3.2.
[persoon D] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van [persoon A] c.s. in de proceskosten.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
in voorwaardelijke reconventie
3.4.
[persoon D] vordert in voorwaardelijke reconventie, onder de voorwaarde dat de conventionele vorderingen worden afgewezen, – samengevat – om:
I. voor recht te verklaren dat [persoon D] de koopsom van € 35.000,- voor [adres] te Falkenstein heeft voldaan;
II. [persoon A] c.s. te bevelen om binnen 8 dagen na betekening van het vonnis alle benodigde medewerking te verlenen voor de levering van het eigendom [adres] te
Falkenstein aan [persoon D] , waaronder begrepen het verstrekken van de schriftelijke opdracht daarvoor aan de notaris te Duitsland, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag (een dagdeel daaronder begrepen);
III. [persoon A] c.s. te veroordelen in de proceskosten.
3.5.
[persoon A] c.s. voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van (naar de rechtbank begrijpt:) [persoon D] in de proceskosten.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Beoordeling
Vonnis op tegenspraak
4.1.
[persoon C] is, hoewel op behoorlijke wijze gedagvaard, niet verschenen. Tegen hem is verstek verleend. Nu [persoon D] wel is verschenen, wordt conform het bepaalde in artikel 140 lid 3 jo. lid 2 Rv één vonnis gewezen, dat ook ten aanzien van [persoon C] als een vonnis op tegenspraak zal gelden.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
4.2.
Deze zaak heeft een internationaal karakter, omdat het gaat om de koop van een in Duitsland gelegen onroerende zaak en partijen in Nederland wonen. De rechtbank moet daarom ambtshalve toetsen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en zo ja, welk recht van toepassing is.
4.3.
De Nederlandse rechter heeft ten aanzien van de conventionele vorderingen rechtsmacht op grond van artikel 4 lid 1 van de Verordening (EU) nr. 1215/2012 (hierna: Brussel I bis-Vo) omdat gedaagden, [persoon C] c.s., in Nederland wonen. Op grond van artikel 8 lid 3 Brussel I bis-Vo heeft de Nederlandse rechter eveneens rechtsmacht ten aanzien van de vorderingen in voorwaardelijke reconventie, omdat die vorderingen voortspruiten uit de koopovereenkomst waarop de vorderingen in conventie gegrond zijn.
4.4.
De vorderingen zijn dus gegrond op verbintenissen uit overeenkomst, zodat het toepasselijk recht moet worden vastgesteld aan de hand van de Verordening (EG) nr. 593/2008 (hierna: Rome I-Vo). Ter zitting is gebleken dat partijen een rechtskeuze hebben gemaakt voor Nederlands recht, zodat op grond van artikel 3 lid 1 Rome I-Vo Nederlands recht van toepassing is.
Conclusie
4.5.
[persoon D] stelt zich op het standpunt dat de conclusie van antwoord in reconventie buiten beschouwing moet worden gelaten, omdat die te laat is ingediend. Op grond van artikel 87 lid 6 Rv moeten processtukken uiterlijk tien dagen voor de mondelinge behandeling in het geding worden gebracht. Stukken die later worden ingediend, worden door de rechter buiten beschouwing gelaten, tenzij de goede procesorde zich daartegen verzet. Vaststaat dat [persoon A] c.s. de conclusie van antwoord in reconventie op 26 juni 2024 – zes dagen voor de zitting – hebben ingediend en daarmee dus te laat zijn. De rechtbank is echter van oordeel dat de goede procesorde zich verzet tegen het buiten beschouwing laten van dit stuk. Het betreft immers een conclusie van zeer beperkte omvang (slechts twee pagina’s, zonder producties) en niet is gebleken dat [persoon D] die door de te late indiening niet voorafgaand aan de zitting heeft kunnen bestuderen en bespreken met haar advocaat. De conclusie van antwoord in reconventie wordt daarom, indien daaraan wordt toegekomen, bij de beoordeling van de vorderingen in (voorwaardelijke) reconventie betrokken.
in conventie voorts
4.6.
[persoon A] c.s. vorderen allereerst betaling van de koopsom van € 35.000,- van [persoon C] c.s.
Voorlopig oordeel: [persoon C] is geen koper, de vorderingen zijn ten opzichte van hem niet toewijsbaar
4.7.
[persoon A] c.s. leggen aan deze vordering ten grondslag dat [persoon C] c.s. de kopers van de onroerende zaak zijn. [persoon D] erkent dat zij koper is. Ter zitting is aan de orde gesteld dat op pagina 3 van de onder 2.1 genoemde notariële akte alleen [persoon D] als koper genoemd staat. Naar het voorlopig oordeel van de rechtbank is [persoon C] gelet daarop geen koper. De vordering tot betaling van de koopprijs en daarmee ook de overige conventionele vorderingen zijn naar het voorlopig oordeel van de rechtbank daarom ten opzichte van [persoon C] als ongegrond aan te merken en daarom niet toewijsbaar. Om een verrassingsbeslissing op dit punt te voorkomen, stelt de rechtbank [persoon A] c.s. in de gelegenheid om zich hierover, bij akte uit te laten, waarna [persoon D] de gelegenheid zal krijgen om daarop bij akte te reageren.
De vordering moet worden toegewezen, tenzij één van de verweren slaagt
4.8.
Vast staat dat [persoon D] de koopsom van € 35.000,- verschuldigd is (zie 2.1 en 2.2). Dat betekent dat deze vordering in beginsel moet worden toegewezen, tenzij één van de verweren van [persoon D] slaagt.
4.9.
[persoon D] voert allereerst als verweer dat zij de koopsom al heeft betaald. Zij stelt daartoe – samengevat – het volgende. [persoon D] heeft zoals overeengekomen € 60.000,- aan [persoon F] (aan)betaald op de koopovereenkomsten van de onroerende zaken (hierna: de koopovereenkomsten) aan de Gartenstrasse, Schillerstrasse en Plauchenstrasse (hierna samen: de onroerende zaken). Op grond van de verklaring 14 april 2021 zijn dit bevrijdende betalingen op de koopsom, die daarop in mindering worden gebracht, aldus [persoon D] .
[persoon D] heeft € 60.000,- aan [persoon F] betaald op de koopsom(men) van de koopovereenkomsten
4.10.
Vast staat dat [persoon D] € 60.000,- aan [persoon F] heeft betaald. Uit de door [persoon D] overgelegde kasbonnen voor ontvangst van [persoon F] blijkt dat zij op 14 april 2021 € 15.000,-, op 20 april 2021 € 35.000,- en op 7 juli 2021 € 10.000,- aan hem heeft betaald. [persoon D] stelt dat zij deze bedragen heeft (aan)betaald op de koopsom(men) van de koopovereenkomsten. [persoon A] c.s. betwisten dit. Naar de rechtbank begrijpt stellen zij zich op het standpunt dat die € 60.000,- een commissie voor [persoon F] is. Zij voeren aan dat als de betaling van € 60.000,- een (aan)betaling zou zijn op de onroerende zaken, [persoon C] dit bij het passeren van de notariële akte bij de notaris zou hebben gemeld. Uit het feit dat de (aan)betaling niet is vermeld in de notariële akte blijkt dat geen (aan)betaling op de koopprijs is gedaan, aldus [persoon A] c.s.
4.11.
De rechtbank volgt [persoon A] c.s. hierin niet. Uit de omschrijvingen op de kasbonnen (“Deelbetaling koopovereenkomst: Plauchenstrasse/Schillerstrasse/ Gartenstrasse”) blijkt duidelijk dat de genoemde betalingen betrekking hebben op de koopsommen van de koopovereenkomsten die [persoon D] met betrekking tot de genoemde onroerende zaken heeft gesloten. Daaruit blijkt geenszins dat het de betalingen van een commissie zou zijn. Dat deze betalingen niet zijn gemeld bij de notaris en niet zijn opgenomen in de notariële akte levert – gelet op de duidelijke omschrijving op de kasbonnen, waarvan [persoon A] c.s. de echtheid niet hebben betwist – een onvoldoende betwisting op van de stelling van [persoon D] dat met de betalingen op de door haar verschuldigde koopsommen werd afgelost.
[persoon A] c.s. hebben erin toegestemd dat [persoon D] aan [persoon F] bevrijdend kon betalen
4.12.
In de verklaring van 14 april 2021, die is opgesteld op de dag van de eerste betaling en vóór de overige betalingen, staat met zoveel woorden dat [persoon D] (gedeeltelijke) betalingen aan [persoon F] kan verrichten op de overeengekomen koopsom, die hebben te gelden als bevrijdende betalingen op de koopsom en daarop in mindering worden gebracht. [persoon A] c.s. hebben die verklaring mede ondertekend, zoals [persoon A] c.s. niet hebben betwist. Zij hebben [persoon D] daarmee toestemming gegeven om betalingen aan [persoon F] te verrichten en [persoon F] tot ontvangst van die betalingen gemachtigd. Het verweer van [persoon A] c.s. – zo begrijpt de rechtbank de punten 2.10 en 2.11 van de spreekaantekeningen van [persoon A] c.s.– dat [persoon D] geen beroep op artikel 6:34 BW toekomt, gaat daarom niet op. Die bepaling is niet van toepassing, omdat [persoon F] wel bevoegd was de betalingen te ontvangen.
Toerekening van de betalingen op de koopsommen van de gekochte onroerende zaken
4.13.
[persoon D] stelt zich, naar de rechtbank begrijpt, op het standpunt dat de door haar aan [persoon F] betaalde € 60.000,- overeenkomstig de verklaring van 14 april 2021 in haar geheel in mindering moet worden gebracht op de koopsom van de door haar van [persoon A] c.s. gekochte onroerende zaak. De rechtbank volgt [persoon D] hierin niet.
4.14.
De verklaring van 14 april 2021 heeft niet alleen betrekking op de koopovereenkomst van de door [persoon A] c.s. verkochte onroerende zaak, maar ook op die van de onroerende zaak aan de Schillerstrasse en die aan de Plauchenstrasse. Uit de verklaring kan dan ook niet anders worden afgeleid dan dat de bedragen die worden betaald op de koopsom van een bepaalde onroerende zaak, in mindering moeten worden gebracht op de koopsom van die onroerende zaak. In dit geval zijn de betalingen echter niet gedaan op een specifieke koopovereenkomst, maar zijn zij, blijkens de overgelegde kasbonnen, betrokken op de koop van de onroerende zaken (Plauchenstrasse/Schillerstrasse/ Gartenstrasse) gezamenlijk, dus op alle overeenkomsten.
4.15.
Of en in hoeverre de door [persoon D] aan [persoon F] gedane betalingen kunnen worden toegerekend op de koopsom van de door haar van [persoon A] c.s. gekochte onroerende zaak, hangt af van verschillende factoren. De rechtbank merkt hierbij op dat niet van belang is of en zo ja welk bedrag feitelijk door [persoon A] c.s. is ontvangen. Voor zover [persoon F] bepaalde bedragen niet aan [persoon A] c.s. heeft doorbetaald, terwijl dat wel de bedoeling was, betreft dat immers de verhouding tussen [persoon A] c.s. en [persoon F] en zullen [persoon A] c.s.
Conclusie
4.17.
De slotsom is dat de zaak wordt verwezen naar de rol voor uitlating door partijen. Eerst zullen [persoon A] c.s., zoals onder 4.7 is aangekondigd, in de gelegenheid worden gesteld binnen twee weken na dit vonnis bij akte te reageren op hetgeen de rechtbank onder 4.7 met betrekking tot de toewijsbaarheid van de vorderingen in conventie tegen [persoon C] heeft overwogen. Daarop mag [persoon D] bij akte reageren. Bij die akte zal zij de gegevens in het geding mogen brengen en van een nadere toelichting voorzien die hiervoor onder 4.16 zijn genoemd. Zij verkrijgt voor het nemen van haar akte een termijn van vier weken na de akte van [persoon A] c.s. Ten slotte zal [persoon A] c.s. op een termijn van vier weken op de akte van [persoon D] bij antwoordakte mogen reageren. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
in voorwaardelijke reconventie voorts
4.18.
De vordering in reconventie blijft nu nog onbesproken omdat de voorwaarde waaronder deze ingesteld (nog) niet is vervuld. Iedere beslissing in voorwaardelijke reconventie wordt daarom aangehouden.
Dictum
De rechtbank:
in conventie
5.1.
verwijst de zaak naar de rol van 4 september 2024 voor het nemen van akte door [persoon A] c.s. zoals bedoeld in rechtsoverweging 4.7,
5.2.
bepaalt dat de zaak vervolgens op de rol van 2 oktober 2024 zal komen voor het nemen van een akte door [persoon D] om te reageren op de akte van [persoon A] c.s. en om de informatie en stukken met toelichting in het geding te brengen zoals bedoeld in rechtsoverweging 4.16,
5.3.
bepaalt dat [persoon A] c.s. ten slotte op 30 oktober 2024 een antwoordakte zoals bedoeld in rechtsoverweging 4.16 slot mogen nemen,
5.4.
houdt iedere verdere beslissing aan,
in voorwaardelijke reconventie
5.5.
houdt iedere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.E. Molenaar, rechter, bijgestaan door mr. S. van Leeuwen, griffier. Het is door de rolrechter ondertekend en in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2024.
3726/3152