Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-08-06
ECLI:NL:RBROT:2024:8083
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
1,517 tokens
Dictum
[veroordeelde],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres],
gedetineerd in [detentieadres],
raadsman mr. P.T.P. van der Made, advocaat te Rotterdam.
Feiten
Bij onherroepelijk geworden arrest van het gerechtshof Den Haag van 13 september 2022, is aan de veroordeelde een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 36 maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast is aan de veroordeelde bij onherroepelijk geworden arrest van het gerechtshof Den Haag een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 1 maand, met aftrek van voorarrest.
De veroordeelde kon op 5 juli 2024 in aanmerking komen voor voorwaardelijke
invrijheidstelling.
Het Openbaar Ministerie heeft op 4 juni 2024 de beslissing over het verlenen van
voorwaardelijke invrijheidstelling voor een periode van 90 dagen uitgesteld, te rekenen vanaf 5 juli 2024.
Een kennisgeving van de beslissing van het Openbaar Ministerie is op 5 juni 2024 aan de veroordeelde betekend.
Procedure
Het bezwaar tegen de beslissing van het Openbaar Ministerie is op 12 juni 2024 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
Het Openbaar Ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
De rechtbank heeft op 6 augustus 2024 het bezwaar in openbare raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft de veroordeelde, zijn raadsman mr. P.T.P. van der Made, en de officier van justitie mr. S.I.E. de Graaff in raadkamer gehoord.
Bezwaar
De veroordeelde kan zich niet verenigen met de beslissing van het Openbaar Ministerie om de voorwaardelijke invrijheidstelling uit te stellen. Namens de veroordeelde is aangevoerd dat het Openbaar Ministerie bij afweging van alle in aanmerking komende belangen niet in redelijkheid tot deze beslissing heeft kunnen komen. Immers, de veroordeelde heeft medewerking verleend aan het afnemen van de risicotaxatie en delictanalyse en aan de daaruit voortvloeiende interventies. De veroordeelde heeft zelf aangevoerd dat hij het niet juist vindt dat zijn eerdere gedrag in detentie hem nu nog wordt tegengeworpen; de veroordeelde is voor het laatst begin van dit jaar disciplinair bestraft en neemt sinds februari 2024 deel aan het plusprogramma. De veroordeelde ziet tenslotte niet in waarom hij niet voorwaardelijk in vrijheid gesteld kan worden met als bijzondere voorwaarde dat hij deelneemt aan verdiepingsdiagnostiek. De veroordeelde stelt dat hij zich uitdrukkelijk wil houden aan deze bijzondere voorwaarde.
Bij de behandeling van het bezwaarschrift in raadkamer heeft de raadsman van de
veroordeelde het bovenstaande onderstreept. De raadsman heeft daarnaast naar voren gebracht dat hij de beslissing van het Openbaar Ministerie om de voorwaardelijke
invrijheidstelling uit te stellen met 90 dagen niet kan volgen, zeker niet gelet op het feit dat de reclassering heeft geadviseerd om de voorwaardelijke invrijheidstelling uit te stellen met 60 dagen.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het bezwaar ongegrond dient te worden verklaard, omdat het Openbaar Ministerie in redelijkheid tot de beslissing tot het niet verlenen van voorwaardelijke invrijheidstelling heeft kunnen komen.
Uit de risicotaxatie en delictanalyse blijkt dat er ernstige zorgen omtrent veroordeelde
zijn. De reclassering en de Penitentiaire Inrichting Nieuwengein adviseren dan ook negatief over voorwaardelijke invrijheidsstelling en achten verdiepingsdiagnostiek nodig. Bij het verlenen van voorwaardelijke invrijheidstelling wordt gekeken naar het gedrag van de veroordeelde tijdens de gehele detentieperiode. Toen de veroordeelde hoorde dat hij niet in aanmerking kwam voor voorwaardelijke in vrijheidsstelling, werd hij verbaal agressief.
De veroordeelde heeft daarnaast geen medewerking verleend aan de re-integratie doelen. Van de veroordeelde wordt een actieve houding verwacht en deze actieve houding heeft de veroordeelde niet laten zien. Een eventueel verblijf bij de partner van de veroordeelde is onvoldoende beschermend nu deze partner recent nog is veroordeeld voor het op verzoek van de veroordeelde in de penitentiaire inrichting binnensmokkelen van drugs.
Beoordeling
Op grond van artikel 6:6:9, eerste lid, Sv dient de rechtbank te onderzoeken of het Openbaar Ministerie bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen. Daartoe wordt het volgende overwogen.
Uit de stukken in het dossier blijkt dat de reclassering, met redenen omkleed, heeft
geadviseerd tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling voor een periode van 60
dagen.
De rechtbank is van oordeel dat het Openbaar Ministerie bij afweging van de betrokken belangen, en vooral gelet op de uitkomsten van de delictanalyse en risicotaxatie, alsmede het gedrag van betrokkene binnen de inrichting – hoewel te waarderen valt dat hij inmiddels deelneemt aan het plusprogramma, in redelijkheid tot de beslissing heeft kunnen komen om de voorwaardelijke invrijheidstelling uit te stellen. Echter, de rechtbank ziet in lijn met het advies van de reclassering in redelijkheid niet dat uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling voor een periode van langer dan 60 dagen passend en geboden is. In zoverre is het bezwaar derhalve gegrond.
Dictum
De rechtbank verklaart het bezwaar gegrond en matigt het uitstel van de voorwaardelijke
invrijheidstelling naar een periode van 60 dagen.
Deze beslissing is gegeven door:
mr. A.M.H. Geerars, voorzitter,
en mrs. M.I. Blagrove en N.M. Ketelaar, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. J.R. de Graaf en E.P. de Jong, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2024.