Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-07-09
ECLI:NL:RBROT:2024:8059
Civiel recht; Personen- en familierecht
Kort geding
1,900 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team familie
Zittingsplaats Rotterdam
zaaknummer / rolnummer: C/10/681040 / KG ZA 24-578
Schriftelijke uitwerking van de mondelinge beslissing in kort geding van 9 juli 2024
in de zaak van
[naam man]
,
wonende te Maassluis,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat mr. L.J.W. van Kesteren te Zoetermeer,
tegen
[naam vrouw]
,
wonende te Maassluis,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat mr. I.M. van der Drift te Delft.
Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding;
de conclusie van antwoord met bijlagen;
de wijziging van eis;
het bericht van de zijde van de man, ingekomen op 5 juli 2024.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 9 juli 2024.
Daarbij zijn verschenen:
de man bijgestaan door zijn advocaat;
de vrouw bijgestaan door haar advocaat.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft tijdens de mondelinge behandeling mondeling uitspraak gedaan, waarvan op grond van artikel 29a lid 5 en 6 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering deze schriftelijke uitwerking is opgemaakt.
Feiten
2.1.
Partijen zijn de ouders van de minderjarigen:
[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedatum 1] 2015 te [geboorteplaats] en
[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedatum 2] 2018 te [geboorteplaats] .
2.2.
Partijen zijn samen met het ouderlijk gezag over de minderjarigen belast.
Geschil
3.1.
De man vordert in conventie – samengevat – om aan hem vervangende toestemming te verlenen om met [voornaam minderjarige 2] op vakantie te gaan naar Frankrijk van 18 juli 2024 tot en met uiterlijk 27 juli 2024.
Bij akte van eiswijziging heeft hij hetzelfde gevorderde met betrekking tot [voornaam minderjarige 1] .
Bij bericht van 5 juli 2024 heeft hij zijn vordering met betrekking tot [voornaam minderjarige 1] ingetrokken, omdat de vrouw voor zijn vakantie toestemming heeft verleend. Dit deel van de vordering zal worden afgewezen.
3.2.
De vrouw voert verweer en vordert in reconventie om de man in zijn vordering niet-ontvankelijk te verklaren, althans deze vordering af te wijzen, met veroordeling van de man in de kosten van de procedure.
3.3.
De man voert verweer en bepleit de vordering van de vrouw af te wijzen.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Beoordeling
4.1.
Gelet op de samenhang van de vorderingen in conventie en de vorderingen in reconventie, zal de voorzieningenrechter deze vorderingen gezamenlijk behandelen.
4.2.
Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de gevraagde voorzieningen. De voorzieningenrechter zal daarom overgaan tot de materiële beoordeling.
4.3.
De voorzieningenrechter neemt als uitgangspunt dat het in het belang is van een minderjarig kind om met een ouder op vakantie te gaan. De vraag is of er in deze zaak reden is om van dat uitgangspunt af te wijken. Volgens de vrouw is dat het geval, omdat – zo vat de voorzieningenrechter het verweer samen –de man pas recent zijn vaderrol in het leven van [voornaam minderjarige 2] op zich heeft genomen en dat [voornaam minderjarige 2] daar nog aan moet wennen. [voornaam minderjarige 2] is erg afhankelijk van de vrouw en mist haar snel. Daarom is een vakantie van tien dagen naar het buitenland op dit moment nog niet in het belang van [voornaam minderjarige 2] , aldus de vrouw.
De voorzieningenrechter begrijpt dat het vertrouwen van de vrouw in de man moet groeien, aangezien hij lange tijd uit het leven van de minderjarige afwezig was. Hierin ziet de voorzieningenrechter echter geen reden om af te wijken van het genoemde uitgangspunt dat een vakantie in het belang van, in dit geval, [voornaam minderjarige 2] is. Partijen zijn er erover eens dat sinds maart 2024 sprake is van een zorgregeling waarbij [voornaam minderjarige 2] eens per twee weken bij de man is van donderdag tot dinsdag en dat dit goed verloopt. De vrouw stelt ook dat zij het in belang van [voornaam minderjarige 2] acht dat zij een goede band met haar vader opbouwt. De voorzieningenrechter is van oordeel dat een vakantie zoals gevorderd daar onder de gegeven omstandigheden een positieve bijdrage aan zal leveren. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het gaat om een relatief korte vakantie en dat het bovendien niet goed aan [voornaam minderjarige 2] is uit te leggen dat haar broer [voornaam minderjarige 1] wel mee mag maar zij niet.
4.4.
De man heeft toegezegd dat [voornaam minderjarige 2] tijdens de vakantie contact kan onderhouden met haar moeder. De man heeft de volgende toezeggingen gedaan:
de goede aankomst op het vakantieadres wordt aan de vrouw bevestigd;
de man ziet erop toe dat [voornaam minderjarige 2] de vrouw op dag 3 en dag 6 van de reis zal videobellen;
de man zal [voornaam minderjarige 2] aansporen buiten deze vaste dagen contact op te nemen met de vrouw indien zij daar behoefte aan heeft;
de man zal op dag 5 een berichtje aan de vrouw sturen om haar te informeren hoe het gaat met [voornaam minderjarige 2] .
De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat hij deze toezegging in het belang van de minderjarigen zal naleven.
4.5.
Gelet op het voorgaande zal de vordering worden toegewezen. De man kan dus met [voornaam minderjarige 2] op vakantie.
4.6.
Uit het voorgaande volgt dat er geen aanleiding is voor een kostenveroordeling ten laste van de man. Deze vordering van de vrouw zal daarom worden afgewezen. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dictum
De voorzieningenrechter
5.1.
verleent vervangende toestemming aan de man om met [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2018 te [geboorteplaats] op vakantie te gaan naar Frankrijk in de periode van 18 juli 2024 tot en met uiterlijk 27 juli 2024;
5.2.
bepaalt dat deze vervangende toestemming strekt tot vervanging van de vereiste toestemming van de vrouw;
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af;
5.5.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.M. Moerman en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2024. Het vonnis is schriftelijk uitgewerkt en getekend op 12 juli 2024.