Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-08-20
ECLI:NL:RBROT:2024:7990
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,986 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11018886 CV EXPL 24-8589
datum uitspraak: 20 augustus 2024
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser]
,
woonplaats: [woonplaats 1]
eiser,
gemachtigde: Incassocenter B.V.,
tegen
[gedaagde]
,
woonplaats: [woonplaats 2],
gedaagde,
die niet in de procedure is verschenen.
De partijen worden hierna ‘[eiser]’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 5 maart 2024, met bijlagen;
de rolbeslissing van 23 april 2024;
de akte van 7 mei 2024 met bijlage;
de rolbeslissing van 28 mei 2024.
1.2.
Tegen gedaagde is verstek verleend (artikel 139 Rv).
Beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2.1.
[gedaagde] huurde vanaf 27 maart 2023 een woning met parkeerplaats van [eiser]. De huur bedroeg € 2.710,00 per maand inclusief parkeerplaats. De huurprijs voor de parkeerplaats is per september 2023 verhoogd door de verhuurder. Per september 2023 is tussen partijen ook een aanvullende overeenkomst gesloten voor de huur van een tweede parkeerplaats. Deze maakt geen onderdeel uit van de oorspronkelijke overeenkomst. De huurovereenkomst is per 1 januari 2024 beëindigd. Er bestaat een huurachterstand voor de maanden oktober, november en december 2023. [eiser] eist dat [gedaagde] die huurachterstand betaalt. [gedaagde] moet van de kantonrechter inderdaad de huurachterstand betalen. De kantonrechter komt echter tot het oordeel dat de totale achterstand lager is dan [eiser] stelt. Hierna wordt uitgelegd waarom.
Oneerlijke bepalingen
2.2.
Zoals in de rolbeslissing van 28 mei 2024 aangegeven moet de kantonrechter ambtshalve beoordelen of in de algemene voorwaarden van [eiser] oneerlijke bepalingen staan. De kantonrechter moet oneerlijke bepalingen vernietigen. [eiser] mag die bepaling dan niet gebruiken en ook geen beroep meer doen op aanvullend recht.
2.3.
De kantonrechter vernietigt het huurprijswijzigingsbeding. Dit beding is oneerlijk omdat het [eiser] het recht geeft om de huur te verhogen met de consumentenprijsindex met een opslag van maximaal 5%. Dit is meer dan op grond van een redelijke inschatting van de markt was te verwachten op het moment van het sluiten van de huurovereenkomst. [eiser] heeft niet of onvoldoende uitgelegd waarom het gerechtvaardigd was dat in dit geval de huur met meer zou stijgen.
2.4.
De kantonrechter heeft onderzocht of er nog andere oneerlijke bepalingen zijn, maar die zijn er niet. Daarbij is alleen gekeken naar bepalingen die voor deze zaak van belang zouden kunnen zijn. Bepalingen die voor beoordeling van de eis niet relevant zijn, heeft de kantonrechter dus niet getoetst.
Alle huurverhogingen komen te vervallen
2.5.
Als een huurprijswijzigingsbepaling oneerlijk is, dan heeft dat tot gevolg dat de rechter deze bepaling moet vernietigen. Vernietiging heeft weer tot gevolg dat de huurprijswijzigingsbepaling geacht wordt er nooit te zijn geweest. Dat betekent dat alle huurverhogingen komen te vervallen en dat de huurprijs die partijen bij het sluiten van de overeenkomst zijn overeengekomen altijd is blijven gelden.
2.6.
De huur is omhoog gegaan van € 2.710,00 (inclusief onder andere de huur van een parkeerplaats) naar € 2.910,00 per maand. Van dit bedrag ziet € 190,00 op de tweede parkeerplaats die is gehuurd. De huur die ziet op de oorspronkelijk overeenkomst is dus met € 10,00 per maand omhoog gegaan. Deze verhoging vervalt.
[gedaagde] moet een huurachterstand van € 8.700,00 betalen
2.7.
[eiser] eist de huurachterstand over de maanden oktober, november en december 2023 van in totaal € 8.730,00. Hierin zit dus een onterechte huurverhoging van in totaal € 30,00. Daarom wordt aan huurachterstand € 8.700,00 toegewezen.
[gedaagde] moet incassokosten van € 805,86 betalen
2.8.
Als vergoeding voor buitengerechtelijk incassokosten wordt (€ 666,00 + € 139,86 aan btw =) € 805,86 toegewezen. Aan alle voorwaarden om een vergoeding voor deze kosten te krijgen is voldaan in de 14-dagenbrief van 3 november 2023 (artikel 6:96 BW).
2.9.
De 14-dagenbrief van 7 februari 2024 voldoet niet aan de wet. Hierin staat een te hoog bedrag aan btw genoemd. Daardoor was het voor [gedaagde] niet duidelijk welke daadwerkelijke gevolgen het zou hebben als hij niet op tijd betaalde. Daarom worden de buitengerechtelijke kosten die in deze brief genoemd staan afgewezen.
[gedaagde] moet rente betalen
2.10.
De rente als bedoeld in artikel 6:119 BW wordt toegewezen omdat [eiser] genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald. [eiser] eist € 239,97 aan rente berekend tot de datum van de dagvaarding. Dit bedrag wordt niet toegewezen, omdat de hoogte daarvan niet kan kloppen. Bij de berekening is [eiser] namelijk waarschijnlijk uitgegaan van de te hoge huur van € 2.910,00. Daarom wordt de rente in plaats daarvan toegewezen vanaf de dag dat [gedaagde] in verzuim is. Dat is steeds de eerste dag van iedere maand waar de huur op ziet (artikel 6:83 sub a BW).
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.11.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen, omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot deze kosten aan de kant van [eiser] op € 137,38 aan dagvaardingskosten, € 248,00 aan griffierecht, € 678,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 339,00) en € 135,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 1.474,38. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.12.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dat eist en [gedaagde] daar niet op heeft gereageerd (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 9.781,00 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over de huurachterstand die na iedere wijziging vanaf 1 oktober 2023 heeft opengestaan tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiser] worden begroot op € 1.474,38 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag nadat dit vonnis is betekend tot de dag dat volledig is betaald;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Fiege en in het openbaar uitgesproken.
62574
Hof van Justitie van de Europese Unie 27 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:68