Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-07-19
ECLI:NL:RBROT:2024:7985
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,618 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11002450 CV EXPL 24-7825
datum uitspraak: 19 juli 2024
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
de naamloze vennootschap
INBEV Nederland N.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Breda,
eiseres,
gemachtigde: PVU Gerechtsdeurwaarders te Etten-Leur,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats],
gedaagde,
die zelf procedeert, zonder bijstand van een gemachtigde.
Partijen worden hierna ‘INBEV’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.
Procesverloop
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 19 maart 2024, met bijlagen;
het antwoord van [gedaagde] van 28 maart 2024;
de akte van INBEV, genomen op de rolzitting van 23 april 2024.
De kantonrechter heeft [gedaagde] in de gelegenheid gesteld om uiterlijk op de rolzitting van 21 mei 2024 mondeling of schriftelijk te reageren op de nadere stellingen van INBEV in bedoelde akte. Op die rolzitting is [gedaagde] echter niet meer verschenen, terwijl zij evenmin schriftelijk heeft gereageerd of om een nadere aanhouding heeft verzocht.
De kantonrechter heeft daarop vonnis bepaald in de zaak, waarvan de uitspraak, na aanhouding op de rolzitting van 21 juni 2024, nader is bepaald op vandaag.
Geschil
2.1.
INBEV vordert samengevat:
[gedaagde] te veroordelen aan haar te betalen € 12.603,70 met rente;
[gedaagde] te veroordelen in de proceskosten met rente;
het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Het bedrag dat wordt gevorderd, bestaat uit de hoofdsom van € 11.193,05, rente van € 523,72 (berekend tot en met 11 maart 2024) en buitengerechtelijke kosten van € 886,93.
2.2.
INBEV baseert de vordering op het volgende.
INBEV treedt in Nederland op als producent en leverancier van dranken aan horecaondernemers. [gedaagde] exploiteert horecaondernemingen. Tussen partijen zijn een investerings- en kortingsovereenkomst gesloten. Op grond van de investeringsovereenkomst moest INBEV aan [gedaagde] een bedrag van € 21.175,00 betalen.Abusievelijk is echter een hoger bedrag, te weten een bedrag van € 42.350,00, aan [gedaagde] betaald. Voor het teveel betaalde bedrag van € 21.175,00 bestaat derhalve geen grondslag. Er is sprake van een onverschuldigde betaling van INBEV aan [gedaagde]. Op grond van de kortingsovereenkomst is voor [gedaagde] een bedrag aan korting van € 9.981,95 ontstaan. Dit bedrag is door INBEV voor deze procedure verrekend met de door INBEV te vorderen hoofdsom van € 21.175,00. Daardoor resteert een hoofdsom van € 11.193,05. Ondanks het feit dat [gedaagde] door INBEV in gebreke is gesteld om het teveel ontvangen bedrag terug te betalen, heeft [gedaagde] daaraan ten onrechte geen gehoor gegeven. [gedaagde] is op grond van de wet een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten verschuldigd geworden aan INBEV. Verder moet [gedaagde] wettelijke rente betalen.
2.3.
[gedaagde] erkent de vordering, maar zij wil graag een betalingsregeling treffen om het gevorderde bedrag in delen aan INBEV terug te betalen.
Beoordeling
hoofdsom
3.1.
Partijen zijn het eens over de gevorderde hoofdsom. De hoofdsom wordt dan ook toegewezen.
3.2.
[gedaagde] heeft te kennen gegeven een betalingsregeling te willen treffen. INBEV heeft daarop bij akte gereageerd dat zij het gedane voorstel niet kan beoordelen en dat het [gedaagde] vrijstaat om deze regeling, na het vonnis, alsnog aan INBEV voor te stellen.
3.3.
De kantonrechter kan geen betalingsregeling vaststellen in dit vonnis. Daarvoor moet INBEV namelijk toestemming geven en dat heeft INBEV niet gedaan (artikel 6:29 BW). [gedaagde] kan wel, mede naar aanleiding van dit vonnis, contact opnemen met de gemachtigde van INBEV om alsnog te proberen een betalingsregeling af te spreken.
incassokosten
3.4.
De incassokosten van € 886,93 worden toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW).
rente
3.5.
De rente wordt toegewezen, omdat INBEV genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist.
proceskosten
3.6.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen, omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot deze kosten aan de kant van INBEV op € 119,24 aan dagvaardingskosten, € 1.409,00 aan griffierecht, € 609,00 aan salaris voor de gemachtigde (1,5 punten x € 406,00) en € 135,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 2.272,24. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.
uitvoerbaar bij voorraad
3.7.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat INBEV dat eist en [gedaagde] daar niet op heeft gereageerd (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
Dictum
De kantonrechter:
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan INBEV te betalen € 12.603,70 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 11.193,05 vanaf 12 maart 2024 tot de dag dat volledig is betaald;
4.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van INBEV worden begroot op € 2.272,24 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag nadat dit vonnis is betekend tot de dag dat volledig is betaald;
4.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.J. Wetzels en in het openbaar uitgesproken.
62574