Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-05-17
ECLI:NL:RBROT:2024:7982
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,558 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 10920316 CV EXPL 24-3083
datum uitspraak: 17 mei 2024
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
De Gedenkgroep B.V.,
vestigingsplaats: Wateringen,
eiseres,
gemachtigde: De Collector Incasso,
tegen
[gedaagde]
woonplaats: [woonplaats],
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘De Gedenkgroep’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 10 januari 2024, met bijlagen;
het antwoord, met bijlage;
de repliek, met bijlage.
1.2.
Hoewel [gedaagde] de gelegenheid heeft gekregen te reageren op de repliek heeft hij dat niet gedaan.
Feiten
2.1.
[gedaagde] heeft met De Gedenkgroep een overeenkomst gesloten voor onder andere het plaatsen van een monument, dit voor een bedrag van € 6.665,37.
2.2.
Door [gedaagde] is een totaalbedrag van € 3.700,00 voldaan aan De Gedenkgroep.
Geschil
3.1.
De Gedenkgroep eist samengevat:
[gedaagde] te veroordelen aan haar te betalen € 3.195,22 met rente;
[gedaagde] te veroordelen in de proceskosten;
het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Het bedrag dat wordt geëist, bestaat uit de hoofdsom van € 2.665,37, rente van € 108,31 (berekend tot 4 januari 2024) en buitengerechtelijke kosten van € 421,54.
3.2.
De Gedenkgroep baseert haar eis op het volgende.
[gedaagde] heeft € 2.665,37 onbetaald gelaten. De Gedenkgroep heeft een zogenaamde veertiendagenbrief aan [gedaagde] gestuurd waarna [gedaagde] nog steeds niet heeft betaald. De Gedenkgroep heeft daarom recht op buitengerechtelijke kosten van € 421,54. De Gedenkgroep heeft recht op wettelijke rente, omdat [gedaagde] in verzuim verkeert.
3.3.
[gedaagde] betwist de hoofdsom niet, maar stelt een betalingsregeling te zijn overeengekomen die hij altijd is nagekomen. Verder is hij het niet eens met de bijkomende kosten.
Beoordeling
[gedaagde] moet de hoofdsom betalen
4.1.
De kantonrechter begrijpt dat [gedaagde] vindt dat hij de hoofdsom niet direct in één keer hoeft te betalen, omdat hij een betalingsregeling heeft. De Gedenkgroep betwist dat partijen een betalingsregeling hebben afgesproken. Omdat [gedaagde] niet heeft gereageerd op de repliek en zijn stelling dat partijen een betalingsregeling hebben afgesproken niet heeft onderbouwd, komt zijn stelling niet vast te staan. Dit betekent dat hij de hoofdsom direct in één keer moet betalen. De hoofdsom van € 2.665,37 wordt daarom toegewezen.
4.2.
Als [gedaagde] alsnog een betalingsregeling wil afspreken moet hij hierover contact opnemen met de gemachtigde van De Gedenkgroep.
[gedaagde] moet wettelijke rente betalen
4.3.
De rente wordt toegewezen, omdat De Gedenkgroep genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist. De Gedenkgroep eist vanaf de dagvaarding de handelsrente (artikel 6:119a BW), maar die is niet van toepassing. [gedaagde] moet namelijk niet betalen op basis van een handelsovereenkomst. Daarom wordt de rente toegewezen op basis van artikel 6:119 BW. De kantonrechter heeft geconstateerd dat de vervallen rente die De Gedenkgroep eist van € 108,31 de wettelijke rente is zoals bedoeld in 6:119 BW. Dit bedrag wordt daarom toegewezen.
[gedaagde] hoeft geen buitengerechtelijke kosten te betalen
4.4.
De vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen. De Gedenkgroep heeft pas recht op een vergoeding als een brief is gestuurd waarin [gedaagde] de kans heeft gekregen om binnen de in de wet genoemde termijn alsnog zonder extra kosten te betalen (artikel 6:96 lid 6 BW). In de brief die aan [gedaagde] is gestuurd staat een termijn die niet voldoet aan de wet (ECLI:NL:HR:2016:2704).
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
4.5.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen, omdat hij grotendeels ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot deze kosten aan de kant van De Gedenkgroep op € 113,54 aan dagvaardingskosten, € 496,00 aan griffierecht, € 476,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 238,00) en € 119,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 1.204,54. Hier kan nog een bedrag bijkomen als dit vonnis wordt betekend.
Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
4.6.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat De Gedenkgroep dat eist en [gedaagde] daar niet op heeft gereageerd (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
Dictum
De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan De Gedenkgroep te betalen € 2.773,68 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 2.665,37 vanaf de dag van dagvaarding tot de dag dat volledig is betaald;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van De Gedenkgroep worden begroot op € 1.204,54;
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Fiege en in het openbaar uitgesproken.
62574