Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-07-26
ECLI:NL:RBROT:2024:7377
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,555 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11017021 CV EXPL 24-8521
datum uitspraak: 26 juli 2024
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Stichting Opleidings- en Ontwikkelingsfonds Beroepsgoederenvervoer over de weg en de Verhuur van Mobiele Kranen,
vestigingsplaats: Amsterdam,
eiseres,
gemachtigde: Vesting Finance,
tegen
[gedaagde]
,
vestigingsplaats: Rotterdam,
gedaagde,
vertegenwoordigd door: [persoon A] .
De partijen worden hierna ‘SOOB’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 15 maart 2024, met bijlagen;
het antwoord;
de repliek, met bijlagen.
Beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2.1.
SOOB eist in deze zaak betaling van € 256,62 met een veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure. Zij baseert haar eis op het volgende. [gedaagde] valt als werkgever onder de werkingssfeer van de algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst opleidings- en ontwikkelingsfonds voor het beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen (hierna: de SOOB-CAO). Op grond van de SOOB-CAO is [gedaagde] verplicht bijdragen aan SOOB te betalen, maar dat heeft zij niet (volledig en tijdig) gedaan. Pas na het verstrijken van de betalingstermijn van de factuur van 12 oktober 2023 met factuurnummer 18832192 heeft [gedaagde] alsnog € 1.408,75 betaald. Op dat moment was zij echter niet alleen de hoofdsom, maar ook bijkomende kosten verschuldigd waardoor er nog € 256,62 open staat.
2.2.
[gedaagde] is het niet eens met de eis. Zij voert aan dat de factuur inmiddels is betaald. Vanwege financiële omstandigheden kon zij de factuur niet tijdig voldoen. Hierover zouden afspraken zijn gemaakt met een medewerker van SOOB, aldus [gedaagde] .
2.3.
SOOB heeft bij repliek op het antwoord gereageerd. Zij betwist dat er afspraken zijn gemaakt over de latere betaling van de factuur. Het bestaan van financiële omstandigheden aan de zijde van [gedaagde] kan niet aan SOOB worden tegengeworpen. Door de factuur niet op tijd te betalen is [gedaagde] bijkomende kosten verschuldigd geworden en is met de betaling van € 1.408,75 niet de gehele vordering voldaan. Zij handhaaft daarom haar eis.
De conclusie
2.4.
SOOB wordt in het gelijk gesteld. [gedaagde] moet dus nog € 256,62 aan SOOB betalen en wordt veroordeeld in de proceskosten. Hierna wordt toegelicht waarom.
Geen reactie van [gedaagde] op de repliek van SOOB
2.5.
[gedaagde] is in de gelegenheid gesteld te reageren op de nadere stellingen van SOOB in de conclusie van repliek. Zij is echter niet verschenen op de rolzitting van 25 juni 2024 en heeft evenmin schriftelijk gereageerd of om aanhouding verzocht. Vervolgens is [gedaagde] door de rechtbank geïnformeerd over het feit dat de kantonrechter vonnis heeft bepaald in de zaak. Ook dat bericht heeft niet geleid tot een nadere reactie van [gedaagde] .
2.6.
Aangezien [gedaagde] niet heeft gereageerd op de nadere stellingen van SOOB in de conclusie van repliek, moet de kantonrechter uitgaan van de juistheid van de in deze akte ingenomen stellingen van SOOB. In deze zaak staat daarom vast dat [gedaagde] de factuur van SOOB niet op tijd heeft betaald.
2.7.
Op grond van artikel 6:44 lid 1 BW strekken betaling ter voldoening van een geldsom eerst in mindering van de kosten, vervolgens van de verschenen rente en tot slot van de hoofdsom. Daarom moet beoordeeld worden of [gedaagde] bijkomende kosten verschuldigd is naast de hoofdsom.
2.8.
De incassokosten worden toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW). De rente wordt eveneens toegewezen, omdat SOOB genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en niet vast is komen te staan dat partijen daarover andere afspraken hebben gemaakt.
2.9.
Correcte toepassing van artikel 6:44 BW leidt tot de conclusie dat de buitengerechtelijke kosten en de verschuldigde rente tot 19 december 2023 inmiddels zijn voldaan en een bedrag van € 256,62 aan hoofdsom resteert. [gedaagde] moet dit bedrag nog aan SOOB betalen.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.10.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen, omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot deze kosten aan de kant van SOOB op € 135,97 aan dagvaardingskosten, € 130,- aan griffierecht, € 164,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten × € 82,-) en € 41,- aan nakosten. Dat is in totaal € 470,97. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.11.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat SOOB dat eist en [gedaagde] daar niet op heeft gereageerd (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan SOOB te betalen € 256,62;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van SOOB worden begroot op € 470,97;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.J. Wetzels en in het openbaar uitgesproken.
43416