Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-06-12
ECLI:NL:RBROT:2024:6719
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,837 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 12 juni 2024
afwijzen gedwongen schuldregeling
in de zaak van:
[verzoeker]
,
wonende te [adres]
[woonplaats],
verzoeker.
Procesverloop
Verzoeker heeft op 12 april 2024, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a lid 1 Faillissementswet ingediend om een aantal schuldeisers, te weten:
[schuldeiser 1];
[schuldeiser 2];
[schuldeiser 3], in behandeling bij Janssen & Janssen Gerechtsdeurwaarders, hierna te noemen: [schuldeiser 3];
[schuldeiser 4], in behandeling bij Sandjay Tuithof Advocatuur B.V., hierna te noemen: [schuldeiser 4].
die weigeren mee te werken aan een door verzoeker aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
Ter zitting van 5 juni 2024 zijn verschenen en gehoord:
verzoeker;
A. Bharatsingh, werkzaam bij Kredietbank Rotterdam (hierna te noemen schuldhulpverlening).
De schuldeisers zijn niet ter zitting verschenen.
De uitspraak is bepaald op heden.
2Het verzoek
Verzoeker heeft volgens het ingediende verzoekschrift elf schuldeisers, waarvan één preferente en tien concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 76.889,07 van verzoeker te vorderen.
Verzoeker heeft bij brief van 9 januari 2024 een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers, inhoudende een betaling van 1,47% aan de preferente schuldeisers en 0,74% aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting.
Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond.
De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De afloscapaciteit van verzoeker is gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van zijn PW-uitkering. Verzoeker is niet in staat om te werken aangezien hij in behandeling is voor zijn psychische en lichamelijke problemen. Volgens de aangeboden schuldregeling wordt het aangeboden percentage – door middel van een door schuldhulpverlening ter beschikking gesteld saneringskrediet – in één keer aan de schuldeisers uitgekeerd. Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat hij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan zijn schuldeisers aan te bieden. Verzoeker heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en zijn vaste lasten worden inmiddels door zijn budgetbeheerder voldaan.
Zeven schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. [schuldeiser 1], [schuldeiser 2], [schuldeiser 3] en [schuldeiser 4] stemmen hier niet mee in. Zij hebben in totaal een vordering van € 3.525,43 op verzoeker.
3Het verweer
[schuldeiser 1]
In de contacten met schuldhulpverlening heeft [schuldeiser 1] aangegeven dat zij met verzoeker heeft afgesproken om de premie van de lopende verzekering elke maand te incasseren en dat deze afspraken duidelijk staan beschreven in hun Algemene Voorwaarden, waarmee verzoeker bij het afsluiten van de verzekering akkoord is gegaan.
[schuldeiser 3]
Janssen & Janssen Gerechtsdeurwaarders heeft namens [schuldeiser 3] op 29 april 2024 te kennen gegeven zich te conformeren aan de uitspraak van de rechtbank.
De overige weigerende schuldeisers hebben geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid hun standpunten schriftelijk of ter zitting toe te lichten.
Beoordeling
Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van [schuldeiser 1], [schuldeiser 2], [schuldeiser 3] en [schuldeiser 4] bij hun weigering vast.
De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of [schuldeiser 1], [schuldeiser 2], [schuldeiser 3] en [schuldeiser 4] in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling hebben kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoeker of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.
De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.
De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoeker in staat moet worden geacht.
Het aanbod betreft een saneringskrediet gebaseerd op de huidige inkomsten uit hoofde van een PW-uitkering. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is onvoldoende duidelijk geworden dat verzoeker niet in staat zou zijn om (minimaal) 36 uur per week te werken. Immers, verzoeker heeft ter zitting verklaard graag te willen werken. Verzoeker heeft voor het laatst in september 2023 een ontheffing van de arbeidsverplichtingen gekregen voor de duur van drie maanden. Die termijn is verstreken en volgens de schuldhulpverlening moet er nog besloten worden over de verlenging. Het is onduidelijk of verzoeker nogmaals wordt ontheven van de arbeidsverplichtingen. Verzoeker heeft geen medische stukken overgelegd, waar blijkt dat hij nog steeds onverminderd arbeidsongeschikt is. De rechtbank kan dus niet zonder meer vaststellen dat de huidige afloscapaciteit van verzoeker blijvend is.
Tevens heeft verzoeker ter zitting verklaard op zoek te zijn naar een andere woning nu hij voor de huidige woning hoge huurtermijnen dient te betalen. Aangezien hij urgentie toegekend heeft gekregen, is de verwachting dat verzoeker spoedig, ten minste binnen de termijn van de schuldregeling, een andere woning zal krijgen waarbij hij minder huur hoeft te betalen. Deze wijziging kan mogelijk leiden tot een hogere afloscapaciteit.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een saneringskrediet niet het juiste middel is en de belangen van [schuldeiser 1], [schuldeiser 2], [schuldeiser 3] en [schuldeiser 4] als weigerende schuldeisers zwaarder dienen te wegen dan die van verzoeker of de overige schuldeisers. Het verzoek om [schuldeiser 1], [schuldeiser 2], [schuldeiser 3] en [schuldeiser 4] te bevelen in te stemmen met de door verzoeker aangeboden schuldregeling wordt daarom afgewezen.
De rechtbank zal bij afzonderlijke beslissing op het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling beslissen.
Dictum
De rechtbank:
- wijst af het verzoek om een gedwongen schuldregeling te bevelen.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J. Tideman, rechter, en in aanwezigheid van A.B.T. Fernandes Pedra, griffier, in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2024.