Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-06-03
ECLI:NL:RBROT:2024:6714
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,188 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 3 juni 2024
[verzoeker]
,
[adres]
[woonplaats],
verzoeker.
Procesverloop
Verzoeker heeft op 4 april 2024 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Verzoeker is gehoord ter terechtzitting van 27 mei 2024.
Feiten
Verzoeker ontvangt inkomsten uit PW-uitkering. De schuldenlast bedraagt volgens de verklaring als bedoeld in artikel 285 Faillissementswet € 6.999,23.
Beoordeling
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als voldoende aannemelijk is dat verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest en dat hij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De rechtbank oordeelt dat het één noch het ander in het voorliggende geval aannemelijk is.
Op de schuldenlijst van verzoeker staat een fraudeschuld aan [naam] van € 2.564,37, die is ontstaan op 10 november 2022. [naam] werd op die datum slachtoffer van WhatsApp-fraude, nu hij via WhatsApp een bericht ontving van iemand die zich voordeed als zijn zoon en hij aan die persoon een geldbedrag heeft overgemaakt. Later bleek dat dit niet zijn zoon was en dat hij geld had overgemaakt naar de bankrekening van verzoeker. Verzoeker heeft verklaard dat hij het geld niet heeft ontvangen en dat hij aangifte heeft gedaan wegens misbruik van zijn rekeningnummer. Verzoeker heeft geen bewijsstukken laten zien om dit aannemelijk te maken. Het valt verzoeker, bij deze stand van zaken, te verwijten dat hij het bedrag waarop geen recht bestond, heeft ontvangen en niet heeft terugbetaald. Aldus is deze schuld niet te goeder trouw ontstaan althans onbetaald gelaten.
Verzoeker heeft ook schulden bij het CJIB. Ter zitting heeft verzoeker verklaard dat deze schulden betrekking hebben op boetes wegens het zwartrijden in het openbaar vervoer, ontstaan in 2023. Deze schulden zijn naar hun aard niet te goeder trouw ontstaan.
Daarnaast moet voldoende aannemelijk zijn dat verzoeker de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De rechtbank oordeelt dat dit in het voorliggende geval niet aannemelijk is. Ter zitting heeft de schuldhulpverlener verklaard dat hij niet verwacht dat verzoeker de wettelijke schuldsaneringsregeling vol zal houden en dat er een tussentijdse beëindiging dreigt nu de wettelijke schuldsaneringsregeling verplichtingen kent waar verzoeker zeer waarschijnlijk niet aan kan voldoen. Het ingestelde beschermingsbewind verloopt moeizaam. Verzoeker heeft meerdere malen geld ontvangen van derden op zijn leefgeldrekening waarvan niet duidelijk is waarop die betalingen zien. De beschermingsbewindvoerder heeft hierdoor de leefgeldrekening van verzoeker moeten blokkeren. Verzoeker heeft daarnaast recent nieuwe schulden gemaakt, te weten de hiervoor genoemde boetes vanwege zwartrijden. Schuldhulpverlening vreest dat ook in de toekomst nieuwe schulden zullen ontstaan.
De rechtbank is van oordeel dat gelet hierop gevreesd moet worden dat verzoeker de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling niet naar behoren zal kunnen nakomen.
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal daarom worden afgewezen.
Indien het leven van verzoeker zich (verder) stabiliseert zal een volgend verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling mogelijk meer kans van slagen hebben.
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat dit niet betekent dat er geen andere feiten of omstandigheden zijn die eveneens tot afwijzing van het verzoek dienen te leiden.
Dictum
De rechtbank:
- wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.A. Cnossen, rechter, en in aanwezigheid van A.B.T. Fernandes Pedra, griffier, in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2024.
Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.