Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-07-03
ECLI:NL:RBROT:2024:6637
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,726 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummer 1] – [nummer 2] &
[nummer 3] – [nummer 4]
uitspraakdatum: 3 juli 2024
[verzoeker 1]
en,
[verzoeker 2] ,
wonende te [adres]
[postcode] [woonplaats] ,
verzoekers.
Procesverloop
Verzoekers hebben op 16 mei 2024, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 23 mei 2024 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 1 juli 2024.
Op 28 juni 2024 heeft Wouters Gerechtsdeurwaarders, namens Stichting Woonkracht10 (hierna: verweerster), schriftelijk laten weten niet ter zitting te zullen verschijnen.
Ter zitting van 1 juli 2024 zijn verschenen en gehoord:
verzoeker;
mevrouw [persoon A] , moeder verzoeker.
Ter zitting van 1 juli 2024 is telefonisch gehoord:
- de heer mr. D.A. IJpelaar, werkzaam bij JAW Advocaten, advocaat van verzoekers (hierna: advocaat).
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 9 november 2023 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekers ten uitvoer te leggen.
Verzoekers zijn aangemeld bij Zuidweg & Partners voor schuldhulpverlening. De schuldhulpverleningsovereenkomst is inmiddels getekend. Verzoeker heeft een inkomen van circa € 2.500,- netto per maand. Verzoekster heeft een inkomen van circa € 2.000,- netto per maand. Uit het inkomen blijkt dat er voldoende inkomen is om de maandelijkse huurtermijnen te voldoen. De huurtermijnen van mei, juni en juli 2024 zijn tijdig betaald. De kale huur bedraagt € 469,85 per maand. De advocaat van verzoekers heeft ter zitting verklaard dat verzoekers voldoende op de hoogte zijn dat de lopende huurtermijnen tijdig betaald dienen te worden.
3Het verweer
In haar e-mailbericht van 28 juni 2024 heeft verweerster aangegeven zich te refereren aan het oordeel van de rechtbank. Verweerster heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunt schriftelijk dan wel ter zitting toe te lichten.
Beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekers een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 9 november 2023 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekers en een kopie van het exploot van 8 mei 2024 hebben overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 30 mei 2024 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekers, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekers enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekers bestaat erin dat zij in de huurwoning kunnen blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekers kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 9 november 2023 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. De huurtermijnen van mei, juni en juli 2024 zijn tijdig voldaan. Verzoekers genereren voldoende inkomen om de lopende huurtermijnen te betalen. De advocaat van verzoekers heeft ter zitting verklaard dat verzoekers ervan voldoende zijn doordrongen dat de lopende huurtermijnen tijdig betaald dienen te worden. Hierdoor is ook voldoende aannemelijk dat de lopende huurtermijnen tijdig zullen worden betaald. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekers zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zullen verzoekers gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kunnen verzoekers te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
Dictum
De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 9 november 2023 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekers gelegen aan de [adres] , [postcode] te [woonplaats] , voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 23 mei 2024;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoekers niet-ontvankelijk in hun verzoeken ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.A. Cnossen, rechter, en in aanwezigheid van S.R.L.T. Peek, griffier, in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2024.